Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2736

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
C/08/145643 / KG ZA 13-355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil: noodtoestand gesteld noch gebleken en ook geen sprake van misbruik van recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/145643 / KG ZA 13-355

datum vonnis: 8 november 2013 (jk)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat: mr. R. Kaya te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat: mr. A.J.A. Assink te Almelo.

Partijen zullen hierna afzonderlijk als ‘[eiser]’en ‘[gedaagde]’ worden aangeduid.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, inclusief producties

- de door [gedaagde] ingediende producties

- de pleitnota van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In deze zaak staat het navolgende vast.

2.2.

Partijen zijn gewezen echtelieden. De rechtbank Almelo heeft bij beschikking van

14 juni 2006 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op

2 augustus 2006 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.

2.3.

Bij beschikking van 11 oktober 2006 van deze rechtbank is bepaald dat [eiser] een bedrag van € 598,- bruto per maand aan partneralimentatie aan [gedaagde] dient te voldoen, alsmede een bedrag van € 123,- per kind per maand.

2.4.

[naam], de vennootschap die de onderneming van [eiser] dreef, is bij vonnis van deze rechtbank van 19 januari 2011 failliet verklaard.

2.5.

Bij beschikking van 26 oktober 2011 van deze rechtbank is de kinderalimentatie met ingang van die datum bepaald op een bedrag van € 95,- per maand per kind en de partneralimentatie op nihil.

2.6.

[eiser] is thans werkzaam in de onderneming van zijn echtgenote en in dat kader verdient hij een bedrag van € 700,- netto per maand.

2.7.

Bij exploot van 27 juli 2012 heeft [gedaagde] executoriaal beslag laten leggen op het inkomen van [eiser].

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen per direct als opdrachtgeefster de executiemaatregelen te doen stoppen althans op te schorten in afwachting van de beslissing in de bodemprocedure die [eiser] bij deze rechtbank aanhangig heeft gemaakt, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe stelt [eiser] dat hij thans, gelet op zijn huidige inkomen en maandelijkse kosten, geen draagkracht meer heeft om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen te kunnen voldoen en om die reden is er ook een achterstand in de betaling hiervan ontstaan. [eiser] heeft dan ook op 23 september 2013 een wijzigingsverzoek bij deze rechtbank ingediend met het verzoek om zowel de partner- als kinderalimentatie met terugwerkende kracht (vanaf respectievelijk 10 december 2010 en januari 2011) op nihil te stellen. Nu de onderneming van zijn echtgenote betaling van enig inkomen helemaal niet toelaat en [eiser] aldus geen uitzicht heeft op hogere inkomsten is er eigenlijk sprake van een financiële noodsituatie. Voorts stelt [eiser] dat er niks bij hem te halen valt, immers zijn zijn inkomsten ontoereikend om het beslag doel te laten treffen en er geen beslag kan worden gelegd op roerende zaken nu deze allemaal in eigendom toebehoren aan zijn echtgenote. [gedaagde] heeft aldus helemaal geen belang bij voortzetten van executiemaatregelen en maakt dan ook misbruik van recht door executie wel door te zetten.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.

4.2.

Het geschil tussen partijen is een executiegeschil. Voor de beantwoording van de vraag of de vordering tot opheffing van het beslag bij wijze van voorlopige voorziening kan worden toegewezen, dient de voorzieningenrechter te beoordelen of [gedaagde] de bevoegdheid tot executie toekomt, en zo ja, of zij bij gebruikmaking van deze bevoegdheid misbruik maakt van recht. Van misbruik van executiebevoegdheid kan slechts sprake zijn indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien de tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3.

Er kunnen vraagtekens worden geplaatst bij het belang van [eiser] nu hij ter zitting heeft verklaard niet zozeer last te hebben van executie maar van psychische last bij hem en zijn echtgenote als gevolg van een met executie dreigende deurwaarder. Nu echter onder omstandigheden het dreigen met executie onrechtmatig kan zijn, zal de voorzieningenrechter de zaak inhoudelijk toetsen aan de hiervoor genoemde criteria.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] op grond van de beschikking van deze rechtbank van 11 oktober 2006 alsmede het vonnis van 26 oktober 2011 de bevoegdheid tot executie toekomt, zodat slechts nog de vraag dient te worden beantwoord of [gedaagde] door het leggen van het beslag misbruik maakt van recht doordat de te executeren titel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust dan wel ten gevolge van de executie aan de zijde van [eiser] een noodtoestand ontstaat. Dit laatste is echter gesteld noch gebleken. Het enkele feit dat [eiser] stelt thans geen draagkracht meer te hebben om aan zijn betalingsverplichting te voldoen, maakt de beslaglegging op zichzelf immers niet onrechtmatig. De stelling van [eiser] dat er bij hem niets te halen valt en [gedaagde] aldus geen belang heeft bij beslaglegging gaat, gelet op het hiervoor onder rechtsoverweging 4.3. overwogene, het bestek van het onderhavige executiegeschil te buiten. Daarenboven geldt dat [gedaagde] onbetwist heeft gesteld dat zij begin dit jaar de belastingteruggave van

[eiser] door het gelegde beslag heeft kunnen incasseren. Dat het gelegde beslag normaliter geen doel treft omdat het inkomen van [eiser] onder de beslagvrije voet valt en [eiser] psychische druk ervaart door de aankondigingsbrieven van de deurwaarder is irrelevant.

4.5.

Tot slot dient de vraag te worden beantwoord of [gedaagde] door het leggen van het beslag jegens [eiser] misbruik maakt van recht doordat de te executeren titel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust. [eiser] heeft daartoe gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de partner- en kinderalimentatie niet met terugwerkende kracht op nihil is gesteld. Gesteld noch gebleken is op welke gronden het oordeel van de rechtbank zou zijn te kwalificeren als zijnde gebaseerd op een feitelijke of juridische misslag. Het door [eiser] gestelde zou eerder een grond voor hoger beroep zijn dan een grond die relevant is in een executiegeschil. Voorts heeft [gedaagde] onbetwist gesteld dat [eiser] zelf heeft verzuimd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 26 oktober 2011 zodat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.



4.6. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat binnen het beperkte toetsingsbereik van een executie kort geding als het onderhavige, noch van een feitelijke of juridische misslag, noch van nieuwe feiten die zouden leiden tot een noodtoestand, is gebleken. De vorderingen van [eiser] dienen daarom te worden afgewezen.

4.7.

De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn reden om de proceskosten in dit kort geding te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst af de vorderingen.

II. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.