Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2692

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
Awb 13/1575
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlaging WWB-uitkering met 20% gedurende een maand omdat niet voldaan is aan vereiste van vijf sollicitaties per dag; eiser in onvoldoende mate meegewerkt; beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13 / 1575 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geding tussen

[eiser],

wonende te Kampen, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen,

gevestigd te Kampen, verweerder.

13/1575

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft verweerder de uitkering van eiser vanaf 1 maart 2013 gedurende een maand met 20% verlaagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanwege niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 3 juni 2013 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 1 oktober 2013 behandeld. Eiser is in persoon verschenen, tezamen met zijn gemachtigde, K.M. ten Voorde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. Vegt.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser ontvangt sinds 16 augustus 2007 een bijstandsuitkering. Daarnaast werkt eiser vanaf november 2012 op oproepbasis en verricht hij met ingang van 31 januari 2013 vrijwilligerswerk.

Op de afspraak van 5 maart 2013 heeft eiser in het kader van een traject gericht op arbeidsinschakeling een contract ondertekend met WorkFast. Daarbij is onder andere afgesproken dat eiser dagelijks, indien hij niet werkt, vijf sollicitaties verricht naar passende vacatures.

Op de volgende afspraak van 8 maart 2013 geeft eiser aan dat hij niet aan de afspraak van vijf sollicitaties per dag kan voldoen. Op de afspraak van 12 maart 2013 verschijnt eiser niet. Op de afspraak van 14 maart 2013 verschijnt eiser wel, en op de afspraak van 15 maart 2013 verschijnt eiser te laat. Eiser heeft daarbij aangegeven dat vijf keer per dag solliciteren te veel is en dat hij daarom niet in die mate heeft gesolliciteerd; twee sollicitaties per dag zijn volgens hem voldoende.

1.2

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden als vermeld in de rubriek “Procesverloop”.

2.

Eiser voert aan dat vijf dagen per dag solliciteren te veel is. Daartoe voert hij aan dat hij op oproepbasis werkt, vrijwilligerswerk verricht, het co-ouderschap heeft over zijn dochter en vanwege zijn gezondheid veel moet rusten. In dat kader voert eiser tevens aan dat hij wel gesolliciteerd heeft. Ter ondersteuning van zijn gezondheidsklachten verwijst eiser naar een medische verklaring van een verpleegkundige specialist chronisch zieken en internist-infectioloog van 16 mei 2013 en naar een ter zitting overlegd overzicht van medicatie en behandeling, alsmede een verklaring van een maatschappelijk werker van 25 september 2013.

3.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat op grond van artikel 9, eerste lid, sub b van de WWB van eiser een actieve houding wordt verwacht. Eiser heeft zich niet gehouden aan de hem opgelegde sollicitatieplicht van vijf keer per dag en is niet steeds (tijdig) op afspraken verschenen. Daarom wordt gedurende een maand een maatregel van 20% opgelegd. Niet gebleken is dat eiser in de onmogelijkheid verkeerde om aan de sollicitatieverplichting te voldoen.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

In geschil is de vraag of het bestreden besluit, waarin verweerder het besluit tot verlaging van eisers bijstandsuitkering vanaf 1 maart 2013 met 20% gedurende een maand heeft gehandhaafd, in rechte in stand kan blijven. Daarbij spitst het geding zich toe op de vraag of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.2.

Artikel 9, eerste lid, onder b van de WWB bepaalt dat - voor zover in deze zaak van belang - de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Op grond van artikel 18 van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De hiervoor bedoelde verordening is de Verordening Maatregelen Wet werk en bijstand gemeente Kampen (de Verordening). Op grond van artikel 2 van hoofdstuk 1 van deze Verordening, wordt als de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, een maatregel overeenkomstig de Verordening opgelegd. Een gedraging die de inschakeling in arbeid belemmert, valt onder de derde categorie van gedragingen van artikel 9, op grond waarvan de uitkering ingevolge artikel 10 gedurende een maand met 20% wordt verlaagd. Van het opleggen van een verlaging wordt op grond van artikel 6 afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt en indien sprake is van dringende redenen.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de in geding zijnde periode de periode van 5 maart 2013 tot en met 26 maart 2013 betreft, zijnde de datum van ondertekening van het door eiser met WorkFast overeengekomen contract tot en met de datum van het primaire besluit.

4.4.

De rechtbank is van mening dat, mede gelet op het verhandelde ter zitting, eiser in onvoldoende mate heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, waartoe zij het volgende overweegt.

Uit de onder 1 weergegeven feiten volgt dat eiser in de eerste week van de in geding zijnde periode, zijnde de week vanaf 5 maart 2013, 32 uur heeft gewerkt verspreid over vijf dagen per week. Gelet op de omstandigheid dat eiser niet hoeft te solliciteren als hij werkt, hoefde hij in deze week niet (volledig) te voldoen aan de hem opgelegde sollicitatieplicht. Dit ligt echter anders voor de tweede week van de in geding zijnde periode, zijnde de week vanaf 11 maart 2013. In deze week heeft eiser niet gewerkt, zodat hij in deze week wel aan de overeengekomen sollicitatieplicht van vijf keer per dag diende te voldoen. Eiser is echter niet verschenen op de afspraak van 12 maart 2013, terwijl hij op de afspraken van 14 en 15 maart 2013 aangeeft slechts twee keer gesolliciteerd te hebben. Eiser had derhalve in deze week - in ieder geval op maandag, dinsdag en woensdag - vijf sollicitaties per dag kunnen verrichten. Nu eiser in deze week slechts twee sollicitaties heeft verricht en bovendien niet op een afspraak is verschenen, heeft hij reeds op grond daarvan in onvoldoende mate meegewerkt aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en was verweerder ingevolge de dwingende bepalingen van artikel 18, tweede lid, eerste volzin, van de WWB en artikel 2, eerste lid, van de Verordening gehouden de bijstand te verlagen overeenkomstig de Verordening. De maatregel die op grond van de Verordening bij een dergelijke gedraging opgelegd moet worden, is een verlaging van de uitkering met 20% gedurende een maand.

4.5.

Ingevolge artikel 18, tweede lid, laatste volzin, van de WWB wordt van een verlaging van de bijstand afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, terwijl in de Verordening is opgenomen dat van een maatregel wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of indien sprake is van dringende redenen. De bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat eiser geen verwijt treft, rust op eiser (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:CA1449). De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser geen sprake is van het (geheel) ontbreken van verwijtbaarheid, waartoe de rechtbank het volgde overweegt.

Eiser heeft zelf het (start)contract met WorkFast ondertekend, waarbij is afgesproken dat vijf sollicitaties per dag verricht dienen te worden. Niet gebleken is dat eiser dit contract onder dwang heeft getekend. De sollicitatieplicht geldt niet als eiser moet werken. De beroepsgrond dat eiser op oproepbasis werkt, slaagt derhalve niet. Het standpunt van eiser dat hij niet kan solliciteren als hij de zorg voor zijn dochter heeft en als hij vrijwilligerswerk verricht, volgt de rechtbank niet, gelet op de schoolgaande leeftijd van eisers dochter en het ter zitting toegelichte standpunt van verweerder dat vrijwilligerswerk inschakeling in de arbeidsmarkt niet mag beletten, hetgeen de rechtbank onderschrijft. Verder heeft eiser niet aangegeven waarom hij niet op de afspraak van 12 maart 2013 kon verschijnen.

Dat eiser door gezondheidsklachten niet in staat was om in de thans in geding zijnde periode vijf sollicitaties per dag te verrichten, is de rechtbank niet gebleken. Uit de medische stukken kan weliswaar worden afgeleid dat eiser chronische klachten heeft waarvoor hij levenslang medicatie moet gebruiken, echter de rechtbank acht de door hem overgelegde stukken onvoldoende om aan te nemen dat hij ten tijde van belang om medische redenen niet in staat was om vijf sollicitaties per dag te verrichten, nu daaruit enkel naar voren komt dat hij al jarenlang medicatie gebruikt. Desondanks is eiser kennelijk in staat geweest op oproepbasis werkzaamheden te verrichten, alsmede vrijwilligerswerk, zodat de rechtbank niet inziet dat eiser daarnaast niet had kunnen solliciteren. De aanmelding per 29 mei 2013 door eiser bij het maatschappelijk werk valt buiten de in deze procedure te beoordelen periode, waarbij de rechtbank opmerkt dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de verslechterde medische situatie van eiser aanleiding is om de gemaakte afspraken opnieuw te bekijken.

De door eiser met stukken onderbouwde sollicitaties die hij wel heeft verricht, zijn gelet op de afspraak van vijf sollicitaties per dag en hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende. In dat kader acht de rechtbank tevens van belang dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de sollicitatieplicht bestaat uit vijf activiteiten per dag en derhalve ruimer uitgelegd dient te worden dan het schrijven van vijf brieven per dag. De overige beroepsgronden treffen derhalve evenmin doel. Het niet vijf keer per dag solliciteren in combinatie met het niet op een afspraak verschijnen kan eiser dan ook worden verweten.

Dringende redenen op grond waarvan verweerder van het opleggen van een maatregel had moeten afzien zijn gesteld, noch gebleken.

5.

Het beroep is daarom ongegrond.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, en door hem en mr. D.H. Harbers als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.