Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2669

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
C/08/143094 / KG ZA 13-318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter oordeelt dat het redelijk is als gedaagde na aftrek van het bedrag aan gebruikerskosten een bedrag ter hoogte van een derde van de uitgaven ten behoeve van de gemeenschap bijdraagt. Dat bedrag zal betaald moeten worden totdat de woning aan eiser of een derde is verkocht en geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/143094 / KG ZA 13-318

datum vonnis: 16 oktober 2013 (s)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaats 1],

eiser in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

verder te noemen [eiser],

advocaat: mr. M.E. Kikkert te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats 2],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. A.F.B. Netters te Hengelo.

1 Het procesverloop

1.1

[eiser] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

1.2

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 2 oktober 2013. Voorafgaand aan de terechtzitting heeft [gedaagde] een eis in reconventie geformuleerd en heeft [eiser] een aanvullende productie overgelegd. Ter zitting zijn verschenen: [eiser] vergezeld door mr. M.E. Kikkert en [gedaagde] vergezeld door

mr. A.F.B. Netters. De standpunten zijn aan de hand van pleitnota’s toegelicht.

1.3

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De vaststaande feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

2.2

Partijen zijn gezamenlijk, ieder voor de helft, eigenaar van de woning aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning). Zij hebben bij de koop gezamenlijk een hypotheek afgesloten van € 188.620,--.

2.3

De relatie van partijen is in april 2013 beëindigd. [gedaagde] woont sindsdien niet meer in de woning. [eiser] woont tot op heden in de woning.

2.4

De netto hypotheeklast bedraagt € 679,25 per maand. Partijen hebben een levensverzekering afgesloten van € 8,66 per maand voor [gedaagde] en € 6,34 per maand voor [eiser]. De gemeentelijke belastingen bedragen € 72,23 per maand. Aan de hypothecaire lening is een arbeidsongeschiktheidsverzekering gekoppeld met een premie van € 11,70 per maand. Partijen hebben een inboedelverzekering afgesloten met een premie van € 9,80 per maand. Het vastrecht van het waterschap bedraagt € 21,41 per maand.

2.5

[eiser] heeft te kennen gegeven de woning over te willen nemen. Of dit valt te realiseren, is vooralsnog onduidelijk. Als dit niet mogelijk mocht zijn, zal de woning aan een derde verkocht moeten worden.

3 Standpunten van partijen

In conventie

3.1

[eiser] vordert - kort samengevat - dat [gedaagde] wordt veroordeeld om maandelijks de helft van de woonlasten van de gemeenschappelijke woning, levensverzekering en hypothecaire geldlening van partijen, zijnde € 422,20 te voldoen. Dit tot het moment dat de gezamenlijke woning aan [eiser] dan wel aan een derde is verkocht en geleverd. Verder vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2

[eiser] stelt daartoe dat [gedaagde] voor de helft dient bij te dragen aan de lasten van de woning zolang zij nog (mede)eigenaar is van de woning en zij niet is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Op dit moment is [eiser] niet meer in staat deze lasten alleen te dragen. Voorts stelt [eiser] dat zijn spoedeisend belang erin is gelegen dat een betalingsachterstand moet worden voorkomen. Als een betalingsachterstand ontstaat, kunnen partijen geen aanspraak meer maken op de Nationale Hypotheek Garantie (NHG).

3.3

[gedaagde] voert verweer. Zij betwist het spoedeisend belang van [eiser]. Gelet op de hoogte van zijn inkomen moet [eiser] in staat worden geacht de lasten van de woning te kunnen blijven voldoen, temeer daar hij naar eigen zeggen op korte termijn de woning verwacht over te kunnen nemen. Gelet op het feit dat het inkomen van [eiser] driemaal hoger is dan het inkomen van [gedaagde] en het feit dat [eiser] thans het volledige gebruiksrecht en woongenot van de woning heeft, stelt [gedaagde] zich voorts op het standpunt dat van haar niet gevergd kan worden dat zij bijdraagt in de eigenaarlasten van de woning.

Voorts betwist [gedaagde] de hoogte van het door [eiser] gevorderde bedrag. De door [eiser] in de dagvaarding genoemde bedragen leiden tot een totaalsom van

€ 809,39. Gedeeld door twee komt dit op een bedrag van € 404,70 en niet op een bedrag van € 422,20.

Tot slot stelt [gedaagde] dat zij de woning eerst op 23 april heeft verlaten en haar salaris van de maand april 2013 nog op de gezamenlijke rekening is gestort. [gedaagde] heeft daarmee in elk geval voor de maand april ruimschoots aan haar verplichtingen jegens [eiser] voldaan.

In voorwaardelijke reconventie

3.4

Onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter in conventie [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de helft van de eigenaarlasten á € 422,20 per maand vordert [gedaagde]

- kort samengevat - dat [eiser] veroordeeld wordt tot betaling van de gebruikersvergoeding van € 347,13 per maand. Voorts vordert [gedaagde] veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure in reconventie.

3.5

[eiser] heeft de vorderingen van [gedaagde] gemotiveerd bestreden. Hij stelt onder andere dat [gedaagde] geen spoedeisend belang heeft. Ook stelt hij dat het [gedaagde] is geweest die de woning vrijwillig heeft verlaten. [gedaagde] heeft hiermee het recht op bewoning van de woning prijsgegeven. [gedaagde] heeft ook geen enkel belang meer bij het betreden van de woning, noch wil zij feitelijk gebruik maken van de woning.

4 De beoordeling

In conventie

Spoedeisend belang

4.1

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt een spoedeisend belang bij de onderhavige vorderingen te hebben. Met name de stelling van [eiser] dat een betalingsachterstand moet worden voorkomen omdat anders geen aanspraak meer gemaakt kan worden op de NHG, maakt dat er sprake is van een spoedeisend belang.

Aandeel in de gemeenschap

4.2

Partijen hebben de woning gezamenlijk in eigendom verkregen. Daarmee is er sprake van een gemeenschap in de zin van titel 7 van boek 3 Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 3:166 lid 2 BW zijn partijen ieder voor een gelijk aandeel in de woning gerechtigd, nu niet is gesteld of gebleken dat uit hun rechtsverhouding iets anders voortvloeit. Op grond van artikel 3:172 BW moeten deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, tenzij een regeling anders bepaalt.

4.3

Over de vraag of in onderhavig geval sprake is van een regeling die bepaalt dat is afgeweken van een bijdrage naar evenredigheid van de aandelen van partijen, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Onvoldoende is gebleken dat partijen een regeling hebben getroffen waarbij [gedaagde] slechts voor een derde zou bijdragen aan de uitgaven ten behoeve van de gemeenschap. Nu het bestaan van een dergelijke regeling door [eiser] wordt betwist kan een verwijzing door [gedaagde] naar de verschillen in inkomens tussen [gedaagde] en [eiser] een dergelijke conclusie niet dragen. In lijn met de hierboven aangehaalde artikelen zal de voorzieningenrechter er dan ook in beginsel van uitgaan dat partijen ieder voor de helft in de uitgaven ten behoeve van de gemeenschap dienen bij te dragen.

Gebruikersvergoeding

4.4

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] na de verbreking van de samenwoning het gebruik en het genot van de aan hen in gezamenlijke eigendom toebehorende woning heeft. Ook is niet in geschil dat [gedaagde] vanaf dat moment van het gebruik en het genot van de woning, zij het “vrijwillig” als gevolg van haar vertrek, verstoken is geweest. Door [gedaagde] is de verschuldigdheid van een gebruikersvergoeding door [eiser] aan haar aan de orde gesteld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan door [gedaagde], gelet op de relevante rechtspraak, waaronder HR 22 december 2000, NJ 2001, 59, jegens [eiser] in beginsel aanspraak worden gemaakt op een gebruikersvergoeding. Artikel 3:169 BW heeft namelijk mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop zij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruikersvergoeding. Daarbij dienen de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten beheersen, tot de maatstaf. Het gaat het bestel van dit kort geding te buiten om de hoogte van de aan gedaagde verschuldigde gebruikersvergoeding gedetailleerd vast te stellen, aangezien daarvoor (nader) feitenonderzoek noodzakelijk is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het echter redelijk om bij de vaststelling van de hoogte van de financiële bijdrage van [gedaagde] aan [eiser] rekening te houden met een door [eiser] aan [gedaagde] verschuldigde gebruikersvergoeding.

4.5

De voorzieningenrechter oordeelt dat het - alle omstandigheden in aanmerking genomen - redelijk is als [gedaagde] na aftrek van het bedrag aan gebruikerskosten een bedrag ter hoogte van een derde van de uitgaven ten behoeve van de gemeenschap bijdraagt. Dat bedrag zal betaald moeten worden totdat de woning aan [eiser] of een derde is verkocht en geleverd.

De hoogte van de uitgaven ten behoeve van de gemeenschap

4.6

De voorzieningenrechter heeft de bedragen die in de dagvaarding worden

opgevoerd bij elkaar opgeteld. Evenals [gedaagde] komt de voorzieningenrechter op een totaalbedrag van € 809,39. Dat is het bedrag waarvan de voorzieningenrechter zal uitgaan. Afgerond komt een derde deel van dat bedrag neer op € 270,--.

Eerste maand waarover [gedaagde] een bedrag verschuldigd is.

4.7

[gedaagde] heeft gesteld dat zij in elk geval voor de maand april ruimschoots aan haar verplichtingen jegens [eiser] heeft voldaan. Zij heeft de woning immers eerst op

23 april 2013 verlaten en haar salaris van de maand april 2013 is nog op de gezamenlijke rekening gestort. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de bank de betalingen voor een bepaalde maand in de maand voorafgaand aan die maand ontvangt. Dat wil zeggen dat met het salaris van [gedaagde] in de maand april 2013 is bijgedragen aan de kosten over de maand mei 2013. [gedaagde] zal daarom veroordeeld worden vanaf de maand juni 2013 bij te dragen.

Betalingsdata

4.8

[eiser] heeft in haar dagvaarding gevorderd dat [gedaagde] veroordeeld wordt om maandelijks telkens voor de eerste van de maand te betalen. Aangezien de betalingsdata voor de maanden tot en met oktober 2013 reeds verstreken zijn, kan [gedaagde] voor die maanden daar niet aan voldoen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om voor de maanden tot en met oktober 2013 af te wijzen dat voor het eerste van de maand betaald moet worden. Voor die vijf maanden zal [gedaagde] veroordeeld worden tot betaling van € 1350,-- aan [eiser] (5 maal € 270,--).

In voorwaardelijke reconventie

4.9

Nu de voorzieningenrechter de vordering van [eiser] niet onverminderd zal toewijzen, kunnen de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [gedaagde] zoals geformuleerd onder 3.4 onbesproken blijven. De gestelde voorwaarde wordt immers niet vervuld.

In conventie en in voorwaardelijke reconventie

4.10

In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, ziet de

voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie:

I. veroordeelt [gedaagde], tot betaling aan [eiser] van € 1350,-- (duizend driehonderdvijftig euro), over de periode vanaf 1 juni 2013 tot en met 31 oktober 2013;

II. veroordeelt [gedaagde], met ingang van 1 november 2013, tot betaling aan [eiser] van € 270,-- (tweehonderzeventig euro) netto per maand, steeds voor de eerste van iedere maand aan [eiser] te voldoen, tot de datum van overdracht en levering van de woning aan [eiser] dan wel verkoop en levering van deze woning aan derden;

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

In voorwaardelijke reconventie:

IV. wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

In conventie en in voorwaardelijke reconventie:

V. compenseert de kosten van deze procedure aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.