Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2667

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
08/108185-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het strafdossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat uitgesloten is dat verdachte met zijn auto heeft moeten uitwijken voor een tegenligger. Daarom wordt hij voor het primair tenlastegelegde vrijgesproken. Maar aangezien vast staat dat verdachte aanzienlijk harder reed dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 km/u terwijl het donker was, de straatverlichting ontbrak en hij daarbij een smalle weg bereed, heeft hij gevaar op de weg veroorzaakt, zodat hij voor het subsidiar tenlastegelegde wordt veroordeeld, te weten tot een geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/108185-12

Datum vonnis: 6 november 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [plaats],

wonende in [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Hofstee en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. M.A. Schuring, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: als bestuurder van een auto schuld heeft aan een ongeval ten gevolge waarvan iemand werd gedood;

feit 2: als bestuurder van een auto gevaar op de weg heeft veroorzaakt, onder meer door te hard te rijden en tegen een boom aan te rijden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 07 mei 2012,

in de gemeente Tubbergen,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

- immers heeft hij, verdachte, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met dat door hem bestuurde motorrijtuig over de weg, de Uelserweg, gereden met een (veel althans aanmerkelijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, althans met een snelheid die -gezien de verkeerssituatie ter plaatse- (veel) te hoog was

- en/of heeft hij, verdachte, (daarbij) -gekomen in of ter hoogte van een gezien zijn, verdachte's rijrichting (flauw) naar links verlopende bocht in die weg, in of nabij welke bocht hem, verdachte, uit tegengestelde richting toen juist een ander motorrijtuig (personenauto) naderde of was genaderd-niet behoorlijk het verloop van het voor hem bestemde weggedeelte van die weg vervolgd

- en/of heeft hij, verdachte, dat door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle gehad

- en/of is hij, verdachte, niet voortdurend in staat geweest de handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

- en/of is hij, verdachte, (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig in de voor hem rechterberm van die weg gekomen of geraakt

- en/of is hij, verdachte, (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen een in de voor hem rechterberm van die weg staande boom aangereden of gebotst,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij op of omstreeks 07 mei 2012,

in de gemeente Tubbergen,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede heeft gereden op de Uelserweg met een (veel althans aanmerkelijk) hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, althans met een snelheid die -gezien de verkeerssituatie ter plaatse- (veel) te hoog was

- en/of heeft hij, verdachte, (daarbij) -gekomen in of ter hoogte van een gezien zijn, verdachte's rijrichting (flauw) naar links verlopende bocht in die weg, in of nabij welke bocht hem, verdachte, uit tegengestelde richting toen juist een ander motorrijtuig (personenauto) naderde of was genaderd-niet behoorlijk het verloop van het voor hem bestemde weggedeelte van die weg vervolgd

- en/of heeft hij, verdachte, dat door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle gehad

- en/of is hij, verdachte, niet voortdurend in staat geweest de handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

- en/of is hij, verdachte, (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig in de voor hem rechterberm van die weg gekomen of geraakt

- en/of is hij, verdachte, (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen een in de voor hem rechterberm van die weg staande boom aangereden of gebotst,

door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 1 jaar, met een proeftijd van 2 jaren.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Volgens de officier van justitie kan het primair tenlastegelegde bewezen worden verklaard, met dien verstande dat geen sprake is van roekeloos rijgedrag, maar dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor hij zijn auto niet onder controle had. Het staat immers vast dat verdachte te hard heeft gereden ten gevolge waarvan hij met zijn auto deels van de weg raakte, in de rechterberm terechtkwam en tegen een boom botste. Hierbij is de bijrijder om het leven gekomen.

De raadsman stelt dat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, verder te noemen WVW 1994. Het staat niet vast dat verdachte te hard heeft gereden, terwijl de verkeerssituatie ter plaatse geschikt is voor een snelheid van 80 km per uur. Voorts heeft verdachte moeten uitwijken naar rechts om een aanrijding met de tegenligger – de auto van getuige [getuige 1] – te voorkomen. Zij reed te veel naar het midden van de weg. Door zijn manoeuvre kwam verdachte in de berm terecht. Terwijl hij voorzichtig weer op de rijbaan probeerde te komen, reed hij over een op/afrit van een woning, waardoor zijn auto plotseling weer grip kreeg. Dat leidde uiteindelijk tot het noodlottige ongeval. Nu er evident geen sprake was van hinder of gevaar dient verdachte voor zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte reed met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane 60 km/uur op de Uelserweg in de gemeente Tubbergen. Het was donker, er was geen straatverlichting en de weg was in totaal 5.90 meter breed en 5.00 meter breed gemeten tussen de onderbroken belijning aan weerszijden ervan. Een middenbelijning ontbrak.

In of net uit een flauwe bocht naar links reed verdachte, zoals hij bij de politie heeft verklaard, 80 km/uur. Hij zag dat een hem tegemoetkomende auto met de lichten knipperde en hij dacht dat dat was om hem op zijn snelheid te attenderen. Op het moment dat hij de bocht uitkwam en de auto die bocht inreed, zag verdachte dat hij niet goed uitkwam. Hij weet zich niet meer te herinneren of de tegenligger te veel in het midden reed maar hij voelde toch de noodzaak tot een stuurcorrectie. Ten gevolge van die stuurcorrectie belandde de door hem bestuurde auto in de berm, botste tegen een boom, sloeg over de kop en kwam op het dak op de rijbaan tot stilstand. De naast hem zittende passagier raakte hierdoor zodanig gewond dat hij overleed.

Ook verdachte’s passagier [getuige 2] verklaart dat verdachte te hard reed, dat een tegemoetkomende auto met de lichten knipperde en dat hij dacht dat dat was om duidelijk te maken dat verdachte te hard reed. Hij heeft niet gezien of de auto uiterst rechts reed of meer naar of in het midden. Uit het feit dat verdachte toen een ruk aan het stuur gaf, concludeert [getuige 2] dat de auto te veel in het midden heeft gereden. Deze conclusie van de getuige kan ómdat het een conclusie is en geen waarneming, niet voor het bewijs gebruikt worden.

De enige andere getuige is de bestuurster van de tegemoetkomende auto. Uit het proces-verbaal van haar verhoor blijkt niet of haar gevraagd is of zij meer of minder naar het midden reed.

Indien juist is wat verdachte verklaart, dat hij moest uitwijken voor een niet goed rechts houdende tegenligger, dan zou dat een verontschuldigbare reden voor de fatale stuurcorrectie kunnen zijn. De vraag die daarna beantwoord zou moeten worden is of hij desondanks schuld heeft aan het ongeval, bijvoorbeeld omdat zijn snelheid zodanig was dat hij zijn zorgplicht om de door hem bestuurde auto voldoende onder controle te houden niet in acht heeft genomen. Met andere woorden: had verdachte wel tijdig zonder ongelukken de auto tot stilstand kunnen brengen of terug kunnen sturen op de weg wanneer hij zich aan de maximumsnelheid had gehouden, of was de situatie ter plaatse zelfs zodanig dat hij minder hard dan 60 km/uur had moeten rijden?

Het dossier noch het onderzoek ter terechtzitting heeft materiaal opgeleverd op basis waarvan moet worden geoordeeld dat onaannemelijk is dat de tegenligger niet goed rechts hield. En evenmin om de vraag te kunnen beantwoorden met welke snelheid verdachte gegeven een niet goed rechts rijdende tegenligger had moeten rijden om dit ongeval te voorkomen.

Bij deze stand van zaken kan niet vastgesteld worden dat verdachte de tenlastegelegde schuld aan het ongeval heeft, zodat hij van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Vast staat dat verdachte, toen hij de auto bestuurde over de Uelserweg, aanzienlijk harder reed dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 kilometer per uur. Tevens staat vast dat het zicht niet optimaal was aangezien het ongeval om ongeveer 22.25 uur plaatsvond en er ter plaatse geen straatverlichting was. Verder is de Uelserweg betrekkelijk smal en er is een flauwe bocht naar links, waardoor verdachte zijn tegenligger weliswaar kan zien aankomen maar waardoor diens plaats op de deze relatief smalle weg pas later kan worden onderkend dan op een rechte weg het geval zou zijn. Voorgaande gevaarzettende omstandigheden leiden tot de conclusie dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Daarmee is het subsidiair tenlastegelegde bewezen.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 mei 2012, in de gemeente Tubbergen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede heeft gereden op de Uelserweg met een aanmerkelijk hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 60 kilometer per uur, door welke gedraging van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt.

.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 177 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair de overtreding: overtreding van artikel 5 WVW 1994.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Verdachte wordt vrijgesproken van het primair tenlastegelegde misdrijf, het veroorzaken van de dood van zijn passagier. Hij wordt veroordeeld voor de overtreding van het verbod van gevaarlijk verkeersgedrag, te weten het te hard rijden. Voor een dergelijke overtreding past een geldboete van € 250,00.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24, 24c en 91 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

    subsidiair: Overtreding van artikel 5 WVW 1994;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 250,-- (tweehonderdvijftig euro);

  • -

    beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van vijf dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en

mr. B.C. Maresch-Evers, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.

Buiten staat

Mr. Maresch-Evers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.