Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2642

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
599578 CV EXPL 12-734
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Stuit de dagvaarding in een collectieve actiezaak ex art. 3:305a BW op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW de lopende verjaring van alle personen die belang kunnen hebben bij de uitkomst van die collectie actie? Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2014/8
NJF 2013/497
JONDR 2014/104
NTHR 2014, afl. 1, p. 21
OR-Updates.nl 2013-0391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Locatie Deventer

Zaaknr. : 599578 CV EXPL 12-734

Datum : 24 september 2013

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

verder te noemen Dexia,

gemachtigde EDR Incasso,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

verder te noemen [gedaagde],

gemachtigde mr. J.M. Both.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken en uit die stukken blijkt het procesverloop:

  • -

    dagvaarding van 8 maart 2012

  • -

    conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie

  • -

    conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie

  • -

    conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie

  • -

    conclusie van dupliek in reconventie

  • -

    pleitnota’s van beide partijen.

Geschil

In conventie

Dexia vordert, kort gezegd, betaling van in totaal € 3.850,08 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2006, betaling van € 714,00 incassokosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2012, en de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Dexia, althans afwijzing van haar vordering met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

In reconventie

[gedaagde] vordert, kort samengevat:

a.

de verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en de veroordeling van Dexia tot terugbetaling van hetgeen [gedaagde] aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagen waarop de betalingen hebben plaatsgevonden;

b.

Dexia te veroordelen aan [gedaagde] te betalen de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten, forfaitair vast te stellen op twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg met een maximum van 15% van de hoofdsom, te vermeerderen met BTW;

c.

Dexia te veroordelen aan de Stichting BKR mee te delen dat [gedaagde] aan de overeengekomen verplichtingen heeft voldaan en dat de A-codering kan worden geschrapt;

d.

Dexia te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten.

1 Vaststaande feiten

1.1.

In de periode oktober 1994 tot en met december 2000 heeft [gedaagde] een vijftal effectenleaseovereenkomst gesloten. Deze overeenkomsten houden kort gezegd in, dat met geld geleend door de rechtsvoorganger van Dexia, Bank Labouchere N.V., effecten zijn gekocht.

1.2.

Drie van de vijf overeenkomsten zijn met een batig saldo geëindigd:

op 14 december 2000 € 14.389,39

op 27 juni 2001 € 7.656,16

op 3 december 2004 € 8.609,74.

1.3.

De in het geding zijnde (laatste) overeenkomst, genummerd 76087641 en genaamd WinstVer10Dubbelaar, is op of omstreeks 18 december 2000 gesloten. Omdat [gedaagde] de overeengekomen termijnen niet heeft voldaan zijn de effecten op 21 juni 2006 verkocht en is de verkoopopbrengst in mindering gebracht op de schuld uit hoofde van de geldlening. De restschuld bedraagt blijkens de aan [gedaagde] toegezonden eindafrekening € 3.850,08.

1.4.

Bij brief van 6 december 2005 heeft de echtgenote van [gedaagde] aan Dexia het volgende bericht:

Betreft: Contracten 76087641, 38000606 ten name van J [gedaagde]

Geachte dames en heren,

Mij is onlangs gebleken dat door mijn echtgenoot bovengenoemde contracten bij u zijn afgesloten.

Ik heb daarvoor geen toestemming verleend en ik vernietig hierbij de contracten op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW.

1.5.

De door het hof Amsterdam verbindend verklaarde Duisenbergregeling is niet van toepassing, omdat [gedaagde] tijdig een zogeheten opt-outverklaring heeft afgelegd.

1.6.

Op 13 maart 2003 zijn op verzoek van de stichting Stichting Eegalease (hierna: Eegalease) en de vereniging Consumentenbond (hierna: Consumentenbond) dagvaardingen uitgebracht, hierna het Eegaleaseproces genoemd.

1.7.

Uit het vonnis in dit proces van de kantonrechter Amsterdam d.d. 25 augustus 2004, LJN AQ7412, blijkt dat door deze eiseressen op de voet van artikel 3:305a BW - voor zover hier van belang - de volgende vorderingen tegen (de rechtsvoorgangster van) Dexia zijn ingesteld:

1. voor recht te verklaren dat:
(a) de effectenlease-overeenkomsten, genoemd in dit onderdeel van de dagvaarding onder 89 verschillende benamingen, die met Dexia zijn gesloten, zijn te kwalificeren als overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van artikel 1:88 lid 1 sub d BW en
(b) op deze effectenlease-overeenkomsten die met Dexia zijn gesloten, van toepassing is het bepaalde in de artikelen 1:88 en 1:89 BW;

2. voor recht te verklaren dat alle onder 1. genoemde effectenlease-overeenkomsten, die met Dexia en/of haar rechtsvoorgangers zijn gesloten in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder dat beide echtgenoten en/of geregistreerde partners de effectenleaseovereenkomst hebben ondertekend, dan wel hebben toegestemd in de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, vernietigd zijn althans vernietigbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 1:89 BW.

1.8.

Uit het dictum van dit vonnis blijkt dat van deze vorderingen het volgende is toegewezen:

I. verklaart voor recht dat:
(a) de effectenleaseovereenkomsten, genoemd in dit onderdeel van de dagvaarding onder 89 verschillende benamingen die met Dexia zijn gesloten, worden gekwalificeerd als overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van artikel 1:88 lid 1 sub d BW en dat
(b) op deze effectenlease-overeenkomsten die met Dexia zijn gesloten, van toepassing is het bepaalde in de artikelen 1:88 en 1:89 BW.

Het sub 2 gevorderde is dus afgewezen.

2 Standpunt Dexia

2.1.

Dexia vordert betaling van de resterende schuld die uit de beëindigde overeenkomst voortvloeit.

2.2.

De echtgenote van [gedaagde] was ten tijde van het afsluiten van de onderhavige overeenkomst, in december 2000, met die overeenkomst bekend, zodat op 6 december 2005 de verjaringstermijn van drie jaren was verlopen. De verjaring is niet tussentijds gestuit.

3 Standpunt [gedaagde]

3.1.

De echtgenote was pas in augustus 2004 bekend met de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Zij dacht dat [gedaagde] spaarde voor de kleinkinderen en wist niet dat het om koop op afbetaling ging.

3.2.

De verjaringstermijn is gestuit op de 13 maart 2003 toen de dagvaardingen in de Eegaleaseprocedure zijn betekend. Ook is die termijn gestuit door de indiening op 18 november 2005 van het verzoekschrift door Eegalease, Consumentenbond en de Stichting Leaseverlies strekkende tot verbindendverklaring van de Duisenbergregeling. Door deze proceshandelingen is voor alle partners van eega’s die effectenleaseovereenkomsten hebben afgesloten de verjaringstermijn van artikel 3:52 aanhef en onder d BW gestuit.

3.2.

Dexia dient incassokosten van [gedaagde] te vergoeden.

Dexia dient aan de Stichting BKR mee te delen dat [gedaagde] aan de overeengekomen verplichtingen heeft voldaan.

4 Beoordeling

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.2.

Uit de brief van 6 december 2005 van de echtgenote van [gedaagde] volgt, dat zij met een beroep op haar ontbrekende toestemming de vernietiging van (onder meer) de onderhavige effectenleaseovereenkomst heeft ingeroepen. Vaststaat dat zij geen toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW heeft verleend. Ook staat vast dat zij toestemming voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst diende te geven, omdat het om een huurkoopovereenkomst gaat, een species van koop op afbetaling. De ingeroepen vernietiging treft dan ook doel, tenzij op 6 december 2005 de verjaringstermijn van drie jaren (artikel 3:52 aanhef en onder d BW) al was verstreken.

4.3.

Partijen twisten over de vraag op welk moment deze verjaringstermijn is ingegaan.

Stelplicht en bewijslast in dezen rusten op Dexia. Bij conclusie van repliek heeft Dexia in dit verband de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:

a.

[gedaagde] heeft voorafgaand aan het onderhavige contract in de periode 1994 tot en met 1999 een viertal effectenleaseovereenkomsten afgesloten en het is binnen Nederlandse gezinsverhoudingen gebruikelijk dat beleggingsbeslissingen zoals de onderhavige met medeweten en instemming van beide partners worden genomen;

b.

in 2000 en 2001 heeft [gedaagde] uit dien hoofde (wegens de beëindiging van twee van deze overeenkomsten) een bedrag ontvangen van in totaal € 22.045,55;

c.

[gedaagde] diende in verband met het afsluiten van de onderhavige effectenleaseovereenkomst een niet verwaarloosbaar bedrag van € 4.356,60 ineens te voldoen, welke betaling op het huishoudbudget heeft gedrukt;

d.

[gedaagde] heeft in de loop van de jaren poststukken van Dexia en haar rechtsvoorgangers ontvangen, te weten jaaropgaven - die elk jaar in januari zijn toegestuurd -, de contracten zelf en de overige correspondentie. Deze poststukken bevonden zich in enveloppen (A4-formaat) met daarop afgedrukt het logo van Dexia dan wel haar rechtsvoorgangers;

e.

de echtgenote van [gedaagde] heeft kennisgenomen van haar jaarlijkse belastingaangifte alvorens die te ondertekenen. In die aangifte waren ook de dividenduitkeringen en de geldleningen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten opgenomen.

4.4.

Bij conclusie van dupliek heeft [gedaagde] op deze feiten en omstandigheden in het geheel niet gereageerd. Eerst bij pleidooi is [gedaagde] ingegaan op de vraag wanneer de verjaringstermijn is gaan lopen. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat zijn echtgenote wist, althans dacht dat hij bedragen spaarde voor de kleinkinderen, maar niet dat het om koop op afbetaling van aandelen ging waarvoor maandelijkse rente werd betaald. Pas na augustus 2004, na de uitspraak in het Eegaleaseproces werd zijn echtgenote ermee bekend dat zij schriftelijk toestemming had moeten verlenen en dat zij daarom de overeenkomst kon vernietigen.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] door middel van dit verweer de stelling van Dexia dat de verjaringstermijn op 6 december 2005 reeds was vestreken, afgezien van de vraag of de verjaring tussentijds is gestuit (zie hierna), niet heeft weersproken. Dexia heeft immers een aantal relevante, concrete feiten en omstandigheden aangevoerd, zoals de ontvangst van de geldbedragen, de jaarlijks toegezonden poststukken, en de door de echtgenote ondertekende belastingaangiften, die door [gedaagde] niet zijn weersproken en dus vaststaan.

Daar komt bij dat [gedaagde] evenmin heeft weersproken de stelling van Dexia dat het aannemelijk is dat tussen [gedaagde] en zijn echtgenote is besproken de ontvangst van de geldbedragen (op of omstreeks 14 december 2000 € 14.389,39 en op of omstreeks 27 juni 2001 € 7.656,16) en het op of omstreeks 1 januari 2001 verrichten van de vooruitbetaling van € 4.356,60 in verband met het onderhavige effectenleasecontract. Ook is niet weersproken dat die vooruitbetaling kon plaatsvinden vanwege de uitkering op 14 december 2000.

Uit deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, kan de subjectieve bekendheid van de echtgenote met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst worden afgeleid.

4.6.

De verjaringstermijn begint te lopen nadat de bevoegdheid om de vernietiging in te roepen aan de echtgenote van [gedaagde] ten dienste is komen te staan. Anders dan [gedaagde] betoogt, betekent dit niet dat zijn echtgenote ook ermee bekend moet zijn dat zij het recht heeft de vernietiging in te roepen.

Volgens vaste jurisprudentie is daadwerkelijke, subjectieve bekendheid met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst voldoende. Niet is vereist dat de echtgenote bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden. Zie HR 17 februari 2012, LJN BU6508 en sub 19 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense in die zaak.

4.7.

De kantonrechter komt tot de slotsom dat in rechte vaststaat dat de echtgenote van [gedaagde] in elk geval medio 2001 bekend was met het bestaan van de effectenleaseovereenkomst. Op dat moment waren de twee hiervoor bedoelde grote geldbedragen ontvangen, had de vooruitbetaling plaatsgevonden en was de aangifte inkomstenbelasting 2000, waarin de onderhavige effectenleaseovereenkomst diende te zijn verwerkt, ingediend. Die aangifte diende immers, behoudens hier niet gesteld of gebleken verleend uitstel, voor 1 april 2001 te zijn ingediend.

4.8.

Vervolgens rijst de te beantwoorden vraag of de verjaringstermijn door het aanhangig maken van het Eegaleaseproces, dus door het uitbrengen van de dagvaarding op 13 maart 2003 (artikel 125 lid 1 Rv), is gestuit.

4.9.

Artikel 3:316 lid 1 BW bepaalt, dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt. Het gaat in deze zaak om de vraag of bedoelde dagvaarding ook tot stuiting van de rechtsvordering van de echtgenote van [gedaagde] heeft geleid. Nu niet de echtgenote van [gedaagde] als eisende partij in het Eegaleaseproces is opgetreden, gaat het in het bijzonder om vraag of de dagvaarding als een daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, dus van haar zijde kan worden beschouwd.

4.10.

In dit verband overweegt de kantonrechter het volgende.

4.11.

Aan het vonnis van, toen nog genaamd, de rechtbank Alkmaar van 22 april 1999, LJN BI1927 wordt de volgende passage uit de wetsgeschiedenis ontleend:

Partijen twisten over het antwoord op de vraag of de in februari 2000 door de Consumentenbond als collectieve actie op grond van artikel 305a BW ingestelde vordering, hiervoor genoemd onder 2.4, de verjaring heeft gestuit. Aan de wetsgeschiedenis van het collectieve actierecht (de artikelen 3:305a en 3:305b BW) heeft de rechtbank het volgende ontleend (Kamerstukken II 1992/93, 22 486, nr. 5, p. 3; MvA II):

‘5.

De leden van de CDA-fractie hebben voorts gevraagd in te gaan op de verjaringsproblematiek. Zij vroegen zich af of in individuele gevallen de verjaringstermijn wordt gestuit door het instellen van een collectieve actie. Artikel 3:316 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde. De woorden ‘van de zijde van de gerechtigde’ brengen hierbij tot uitdrukking dat de verjaring niet alleen gestuit wordt door een handeling van de gerechtigde zelf, maar ook door een handeling van een ander aan diens zijde. Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 934. Die ander kan ook een belangenorganisatie zijn die mede ten behoeve van de gerechtigde een collectieve actie instelt. Dit is ook wenselijk omdat een gerechtigde individueel verder kan afzien van een daad van rechtsvervolging indien hij weet dat mede ten behoeve van hem een collectieve actie is ingesteld. (…) Overigens moet worden aangetekend dat voor stuiting niet van belang is welke eis wordt ingesteld. Een vordering tot een verklaring voor recht in een collectieve actie stuit derhalve de verjaringstermijn van een eventueel daarop aansluitende individuele rechtsvordering tot bij voorbeeld schadevergoeding.’

4.12.

In HR 19 december 1997, LJN ZC2532 is in verband met de (eigen) vordering van de vakbond CNV tegen een werkgever tot naleving van de CAO op het punt van de vakantiedagen het volgende overwogen:

In de tweede plaats is het volgende van belang. Het hier toepasselijke art. 7A:1638ll lid 1 (oud) BW bevat met betrekking tot ieder vorderingsrecht tot toekenning van vakantie een verjaringstermijn van twee jaren na het tijdstip waarop de aanspraak is ontstaan. Deze verjaring is, voor zover het de uit eigen hoofde ingestelde rechtsvordering van CNV betreft, gestuit door de dagvaarding in de onderhavige zaak. Een redelijke wetstoepassing brengt evenwel mee dat deze stuiting tevens de rechtsvorderingen van de individuele werknemers heeft gestuit, voor zover deze betrekking hebben op de rechten ter zake waarvan CNV jegens Pennwalt een veroordeling tot nakoming heeft verkregen, zoals ook strookt met het huidige art. 3:316 lid 1 BW, volgens welke bepaling voor stuiting van de verjaring het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging 'van de zijde van' de gerechtigde voldoende is. Deze collectieve stuiting geldt evenwel niet ook voor de eventuele rechtsvorderingen van de individuele werknemers ter zake van schadevergoeding, in het bijzonder die, bedoeld in art. 1638ll lid 2 (oud).

4.13.

Aan HR 2 maart 2001, LJN AB0379 wordt de volgende rechtsoverweging ontleend:

Geenszins onbegrijpelijk is dat het Hof, op grond van de vaststaande feiten, tot het oordeel is gekomen dat KNP en Celtona Holding — kennelijk met hun volledige instemming — de afwikkeling van de pensioenoverheveling aan het BT-Pensioenfonds en het Celtona-Pensioenfonds hebben overgelaten. 's Hofs vervolgens op die gevolgtrekking gebaseerde oordeel, dat de stuitingshandeling van het Celtona-Pensioenfonds diende te worden toegerekend aan Celtona Holding, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 3:316 lid 1 BW, dat spreekt van 'van de zijde van de gerechtigde', laat toe dat een ander dan de gerechtigde zelf de verjaring van een rechtsvordering stuit. De omstandigheden in deze zaak, waaronder de akkoordverklaring van KNP met het hiervoor in 3.1 onder (v) vermelde door het Celtona-Pensioenfonds gemaakte voorbehoud om de kwestie van de 'voorziening beleggingen' aan de rechter voor te leggen, laten alleszins toe de door Celtona c.s. verrichte stuitingshandeling te beschouwen als gedaan van de zijde van de gerechtigde.

4.14.

En tot slot HR 3 december 2010, LJN BO0183:

Voor zover in de overweging van het hof in rov. 4.22 dat het FAR duidelijk had moeten zijn dat Edco in dit opzicht Wiener en FAR niet als één beschouwde, impliciet nog besloten ligt het oordeel dat (ook) voor een geslaagd beroep op art. 3:316 lid 1 sprake moet zijn van vereenzelviging tussen de gerechtigde en de ander die van de zijde van de gerechtigde de verjaring stuit, heeft het hof hiermee evenzeer blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Noodzakelijk doch ook voldoende in dit verband is dat de door de ander verrichte stuitingshandelingen aan de gerechtigde kunnen worden toegerekend.

4.15.

De kantonrechter leidt uit het vorenstaande het volgende af.

Het enkele feit dat door middel van een collectieve actie een rechtsvordering is ingesteld leidt niet tot stuiting van de verjaring van de rechtsvordering van een derde die bij de uitkomst van die collectie actie een direct belang heeft en die rechtsvordering ook zelf kan instellen. Daarvoor is meer nodig. De MvA spreekt over een ‘weten dat mede ten behoeve van’ de gerechtigde een collectieve actie is ingesteld.

Dit wordt ondersteund door het arrest van 19 december 1997. Immers, de eigen vordering van de vakbond tot naleving van de CAO op het punt van de vakantiedagen leidt volgens de Hoge Raad, hoewel de werknemer (in beginsel) ook zelf die vordering kan instellen, tot stuiting van de verjaring van de daarmee overeenstemmende individuele vordering van een werknemer op grond van een redelijke wetstoepassing maar niet, althans niet in de eerste plaats op grond van artikel 3:116 lid 1 BW. Die redelijke wetstoepassing strookt, aldus de Hoge Raad, wel met dit artikellid. Indien de stuiting van de individuele rechtsvordering rechtstreeks op artikel 3:116 lid 1 BW had kunnen worden gebaseerd, dan had de Hoge Raad het argument van de redelijke wetstoepassing achterwege kunnen laten.

Voor toepassing van artikel 3:116 lid 1 BW is noodzakelijk dat de stuitingshandeling aan een ander kan worden toegerekend (HR 3 december 2010). Die toerekening kan besloten liggen in de concrete omstandigheden van het geval (HR 2 maart 2001).

4.16.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] en/of diens echtgenote zich destijds bij Eegalease en/of de Consumentenbond hebben aangesloten en dat deze eiseressen, in termen van de MvA II, mede ten behoeve van de echtgenote van [gedaagde] de collectieve actie hebben ingesteld. Uit rechtsoverweging 1.6 van het vonnis van de kantonrechter Amsterdam blijkt, dat Eegalease en Consumentenbond namens de bij Eegalease (ongeveer 16.000) aangesloten echtgenoten/partners bij brief van 29 januari 2003 de vernietiging hadden ingeroepen van de effectenleaseovereenkomsten die deze echtgenoten/partners in de periode van 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 met Dexia hadden afgesloten. In verband met het dispuut of een effectenleaseovereenkomst al dan niet een koop op afbetaling c.q. huurkoop betrof, zijn Eegalease en Consumentenbond de procedure ten behoeve van deze personen gestart. Het in deze zaak uitgesproken eindoordeel heeft in beginsel wel gevolgen voor de niet tot deze kring behorende personen, maar voor de stuiting van de verjaring van een rechtsvordering van die personen zijn - hier niet gestelde of gebleken - feiten en omstandigheden noodzakelijk, die de toerekening rechtvaardigen.

Met andere woorden: de echtgenote van [gedaagde] kon de uitslag van de procedure afwachten, maar diende nog wel zelf, bij gebreke van een toerekeningsverband, de verjaring te stuiten.

De verjaring van haar rechtsvordering is op 13 maart 2003 dus niet gestuit.

4.17.

Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of de (toegewezen) gevorderde verklaringen voor recht wel kunnen worden beschouwd als het instellen van een eis of een andere daad van rechtsvervolging als bedoeld in artikel 3:316 lid 1 BW. Het gaat er daarbij in algemene zin om of de ingestelde eis erop gericht is een vorderingsrecht geldend te maken. Verdedigbaar is dat de gevorderde verklaringen voor recht veeleer ertoe strekten te doen vaststellen of het zinvol was (geweest) een beroep op vernietiging te doen. Vergelijk HR 18 september 2009, LJN8502 ten aanzien van een verzoekschrift tot voorlopig getuigenverhoor en deskundigenbericht.

4.18.

Het beroep van [gedaagde] op stuiting van de verjaring wegens het op 18 november 2005 ingediende verzoekschrift tot verbindendverklaring van de Duisenbergregeling kan onbesproken worden gelaten. De verjaring was, zoals uit de rechtsoverwegingen 4.7. en 4.16 volgt, medio 2004 al voltooid.

4.19.

In conventie is de slotsom dat de vordering van Dexia tot betaling van de restschuld ad € 3.850,08 kan worden toegewezen. Die vordering is, behoudens de hiervoor besproken verweren, niet betwist. Tegen de voorgestelde ingangsdatum van de wettelijke rente, 6 juli 2006 is geen verweer gevoerd, zodat de rente vanaf die datum zal worden toegewezen.

4.20.

[gedaagde] heeft de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten bestreden. Vervolgens heeft Dexia bij repliek op dit onderdeel van de vordering een nadere toelichting verstrekt en het verweer van [gedaagde] bestreden, waarna [gedaagde], hoewel dat op zijn weg lag, niet heeft gereageerd. De kantonrechter passeert het afdoende weerlegde verweer van [gedaagde] als onvoldoende onderbouwd en toegelicht. Toewijsbaar is dus € 714,00.

Dexia heeft niet toegelicht om welke reden dit bedrag vanaf de dag van de dagvaarding rentedragend is geworden, zodat haar rentevordering in zoverre zal worden afgewezen.

4.21.

[gedaagde] dient als verliezende partij in conventie in de proceskosten te worden veroordeeld. Die kosten bedragen:

– explootkosten € 92,58

– griffierecht € 437,00

– salaris gemachtigde € 600,00 (3 punten à € 200,00).

In totaal € 1.129,58.

4.22.

Uit de uitkomst van de procedure in conventie volgt, dat de tegenvorderingen van [gedaagde] dienen te worden afgewezen.

Ook in reconventie dient [gedaagde] als verliezende partij in de kosten te worden veroordeeld. Die kosten bedragen € 300,00 wegens salaris gemachtigde, zijnde de helft van het bedrag in conventie, omdat de tegenvorderingen voortvloeien uit het verweer in conventie.

De beslissingen

De kantonrechter:

in conventie

1.

veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan Dexia te betalen een bedrag van (€ 3.850,08 + € 714,00 =) € 4.564,08 vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.850,08 vanaf 6 juli 2006 tot de dag van de algehele voldoening;

2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Dexia begroot op € 1.129,58;

3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.

wijst de vorderingen af;

6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de kant van Dexia begroot op € 300,00 voor salaris gemachtigde.

Gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 24 september 2013.