Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2630

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
C/08/133635 HA ZA 12-429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring.

Hoewel een vordering tot ontbinding als een “andere rechtsvordering” als bedoeld in artikel 3:317 lid 2 BW geldt, is deze vordering in de onderhavige zaak gecombineerd met een vordering tot terugbetaling en schadevergoeding, zodat de regeling van artikel 3:317 lid 1 BW prevaleert (Hoge Raad 11 januari 2002, NJ 2002/81). Dat betekent dat stuiting onder meer kan plaatsvinden door een schriftelijke mededeling, waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.

Indien er vanuit wordt gegaan dat de brief van 2 november 2010 als een dergelijke mededeling kan worden beschouwd, moet de brief de geadresseerde hebben bereikt (artikel 3:37 lid 3 BW). De ontvangst van de brief wordt echter betwist.

Het verzendbewijs wettigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat de brief is ontvangen. De rechtbank gaat dan ook aan de inhoud van de brief voorbij.

De rechtbank concludeert dat de vorderingen zijn verjaard en verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/133635 HA ZA 12-429

datum vonnis: 9 oktober 2013 (t)

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

verder te noemen [eiseres],

advocaat: mr. J.J. Douwes te Apeldoorn,

tegen

1 [gedaagde sub 1]

2. [gedaagde sub 1],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

verder te noemen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1],

advocaat: mr. R. Smink te Enschede.

1 Het procesverloop

1.1

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar het door haar gewezen tussenvonnis van 22 mei 2013. Ingevolge dat tussenvonnis heeft [eiseres] en akte uitlaten ingediend, waarna [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] een antwoordakte hebben genomen.

1.2

Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1

In deze zaak staat het volgende vast.

2.2

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] zijn de voormalige vennoten van de vennootschap onder firma Reno-Plus. Deze vennootschap is op 3 januari 2011 opgeheven.

2.3

Door Reno-Plus zijn in 2009 werkzaamheden verricht aan de woning [gedaagde sub 1] te [plaats], zijnde de woning van [eiseres] en haar echtgenoot de heer [W].

2.4

Bij de stukken bevindt zich een brief, afkomstig van [eiseres] en als bijlage per email gericht aan Reno-Plus, gedateerd 19 april 2010, inhoudende onder meer:

“Op 19 juli 2009 heeft u de verbouwing van de zolder van onze woning op de [gedaagde sub 1] te [plaats] voltooid. Tot mijn spijt moet ik u nogmaals mededelen dat ik niet tevreden ben over de afwerking. Ik heb de volgende gebreken geconstateerd:

Gebrek 1: (…)

U bent verplicht deze gebreken te verhelpen. Wij verwachten binnen 5 werkdagen een reactie te ontvangen, hoe jullie bovenstaande problemen willen gaan oplossen en antwoord te geven op de vragen m.b.t. de constructies. (…) Wij stellen u aansprakelijk voor de reeds geleden schade en nog te onstaande schade.”

2.5

Bij de stukken bevindt zich een schrijven van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1], gericht aan

[eiseres] en gedateerd 3 mei 2010. Dit schrijven houdt onder meer in dat zij “de oplevering als correct afgehandeld” zien.

2.6

Bij de stukken bevindt zich een brief, gedateerd 2 november 2010, afkomstig namens [eiseres] en gericht aan Reno-Plus, inhoudende onder meer:

“Na de bouwwerkzaamheden is schade ontstaan aan de woning. (..) Ik bestudeer de komende week het dossier en verwacht op korte termijn u nader te kunnen informeren over de schade en de oorzaak daarvan. Voorlopig behoudt Wieringa zich alle rechten tegen Reno-Plus voor. (…)”

2.7

Ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] heeft [eiseres], nadat zij daartoe op

1 november 2012 verlof heeft gekregen van de voorzieningenrechter te Almelo, conservatoir beslag doen leggen op het aan [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 1] toebehorende deel in de onroerende zaken [adres] te [plaats], respectievelijk [adres] te [plaats].

3 De standpunten van partijen

3.1

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

i. te verklaren voor recht dat Reno-Plus jegens [eiseres] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de met [eiseres] gesloten overeenkomst en dat die toerekenbare tekortkoming een ontbinding rechtvaardigt;

ii. de overeenkomst tussen Reno-Plus en [eiseres] te ontbinden voor zover die nog mocht bestaan althans te verklaren ontbonden;

iii. te verklaren voor recht dat Reno-Plus jegens [eiseres] aansprakelijk is voor de door Reno-Plus veroorzaakte schade;

iv. Reno-Plus te veroordelen tot terugbetaling aan [eiseres] van de door [eiseres] aan Reno-Plus betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum betaling door [eiseres];

v. Reno-Plus te veroordelen tot betaling van € 11.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf datum dagvaarding;

vi. Reno-Plus te veroordelen tot betaling van de door [eiseres] geleden schade, voor zover nog niet begrepen in het hierboven onder v. genoemde bedrag, nader te bepalen in een door Keijmel dan wel andere deskundige op te stellen deskundigenbericht, althans te bepalen bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans te bepalen door de rechtbank;

vii.Reno-Plus te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen de

kosten van het / de (voorlopige) deskundigenbericht(en) en de kosten van beslaglegging.

3.2

[eiseres] stelt daartoe dat Reno-Plus de werkzaamheden aan de woning niet goed heeft uitgevoerd, waardoor [eiseres] schade heeft geleden. [eiseres] wenst daarom ontbinding van de overeenkomst en terugbetaling van de aan Reno-Plus betaalde bedragen. Daarnaast vordert zij aanvullende schadevergoeding.

3.3

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] concluderen zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de dagvaarding nietig te verklaren, [eiseres] in haar vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, dan wel haar deze te ontzeggen en te bepalen dat de gelegde beslagen moeten worden opgeheven, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van dit geding.

3.4

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, onder de beoordeling worden ingegaan.

4 De beoordeling

Verjaring

4.1

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] hebben ter gelegenheid van comparitie gesteld, dat het recht om ontbinding en schadevergoeding te vorderen is verjaard, nu de verjaringstermijn van twee jaar is verstreken. De rechtbank zal het door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] gedane beroep op verjaring eerst bespreken, omdat dit verweer het meest verstrekkend is.

4.2

[eiseres] heeft bij akte uitlaten het door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] gedane beroep op verjaring bestreden. [eiseres] stelt bij brief van 2 november 2010 te hebben geprotesteerd, zodat toen de verjaringstermijn is gaan lopen. Op 2 november 2012 heeft zij conservatoir beslag laten leggen. Dat is een tijdige daad van rechtsvervolging, zodat de lopende verjaring is gestuit, aldus [eiseres].

4.3

Vooropgesteld wordt dat indien zich na de oplevering een gebrek in het werk openbaart, de opdrachtgever ter zake van dat gebrek bij de aannemer moet protesteren (artikel 7:761 lid 1 BW). Dat protest is vormvrij, maar dient zodanig gemotiveerd te zijn dat de aannemer inzicht wordt gegeven in de aard en omvang van het gebrek.

4.4

Uit productie 14, overgelegd door eiseres en -deels- weergegeven onder 2.4, blijkt dat

[eiseres] (al) op 19 april 2010 schriftelijk heeft geprotesteerd wegens gebreken in het opgeleverde werk. Verondersteld dat [eiseres] ter zake van de gebreken tijdig, dat wil zeggen binnen bekwame tijd, heeft geprotesteerd (wat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] bij antwoordakte hebben betwist), gaat de verjaringstermijn lopen vanaf de ontvangst van dat protest door de aannemer. Nu de brief van 19 april 2010 als bijlage bij email op dezelfde dag is verstuurd, is aan te nemen dat de brief [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] op dezelfde dag heeft bereikt. De verjaringstermijn is dus aangevangen op 19 april 2010.

4.5

De vraag is dan of de brief van 2 november 2010, -deels- weergeven onder 2.6, de lopende verjaring heeft gestuit. In artikel 3:317, eerste lid, BW is bepaald dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Lid 2 bepaalt dat de verjaring van een andere rechtsvordering wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning, indien deze binnen zes maanden wordt gevolgd door een stuitingshandeling, als bedoeld in 3:316 BW (het instellen van een eis of andere daad van rechtsvervolging).

4.6

Hoewel een vordering tot ontbinding als een “andere rechtsvordering” als bedoeld in artikel 3:317 lid 2 BW geldt, is deze vordering in de onderhavige zaak gecombineerd met een vordering tot terugbetaling en schadevergoeding, zodat de regeling van artikel 3:317 lid 1 BW prevaleert (HR 11 januari 2022, NJ 2002,81).

4.7

Dat betekent dat stuiting onder meer kan plaatsvinden door een schriftelijke mededeling, waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. In zijn arrest van 14 februari 1997, NJ 1997, 244, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze woorden moeten worden begrepen in het licht van de strekking van de stuitingshandeling, welke neerkomt op een -voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering kan verweren.

4.8

Indien er vanuit wordt gegaan dat de brief van 2 november 2010 als een mededeling als hiervoor bedoeld kan worden beschouwd, moet deze brief, om haar werking te hebben, de geadresseerde hebben bereikt (artikel 3:37 lid 3 BW).

4.9

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] hebben betwist de brief van 2 november 2010 te hebben ontvangen.

4.10

Omdat [eiseres] zich beroept op het rechtsgevolg van de namens haar tot Reno-Plus gerichte mededeling, heeft zij de stelplicht -en bij betwisting de bewijslast -dat de brief van 2 november 2010 Reno-Plus heeft bereikt.

4.11

Uit de stukken, zoals deze bij inleidende dagvaarding en ten behoeve van de comparitie zijn overgelegd, blijkt dat niet. Het door [eiseres] overgelegde verzendbewijs

(productie 3 bij dagvaarding) wettigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat de brief ook door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] is ontvangen. Niet gesteld of gebleken is dat het niet bereiken van de brief is gelegen in omstandigheden die - kort gezegd - voor rekening komen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1]. De rechtbank gaat dan ook aan de inhoud van deze brief voorbij. Dat betekent dat de op 19 april 2010 aangevangen verjaring niet door de brief van 2 november 2010 is gestuit.

4.12

Tussen partijen is nog gedebatteerd over de procedure in verband met een voorlopig deskundigenbericht, waarin de rechtbank Zutphen op 24 maart 2011 een beschikking heeft gegeven. In dit verband is enkel van belang dat de indiening van een verzoekschrift tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht, niet kan worden beschouwd als het instellen van een eis of andere daad van rechtsvervolging in de zin van art. 3:316 BW, omdat een dergelijke procedure er veelal toe strekt de informatie te verkrijgen aan de hand waarvan beoordeeld kan worden of het zinvol is een daarop gerichte procedure aanhangig te maken. De verzoekschriftprocedure, die heeft geleid tot het voorlopig deskundigenbericht, dat in deze procedure ter onderbouwing van de vordering is gegeven, leidt er dus (ook) niet toe dat de lopende verjaring werd gestuit.

4.13

Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat het leggen van beslag wel als een daad van rechtsvervolging kan worden beschouwd. Op het moment van beslaglegging,

2 november 2012, was de verjaringstermijn van twee jaar echter al verstreken, zodat dat geen stuiting van de verjaring meer tot gevolg kon hebben.

4.14

Voorgaande betekent dat het door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] gevoerde verweer dat de vorderingen inmiddels zijn verjaard, gegrond is. De overige door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] gevoerde verweermiddelen behoeven dan ook geen bespreking meer.

Slotsom

4.15

Het voorgaande leidt tot de conclusie, dat [eiseres] in haar vorderingen niet ontvankelijk moet worden verklaard.

4.16

De rechtbank zal [eiseres] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] worden begroot op € 274,- aan verschotten (griffierecht in de procedure inzake het verzoek voorlopig deskundigenbericht) en € 1.808,- aan salaris advocaat (4 punten tarief II.).

De rechtbank heeft daarbij ook een halve procespunt toegekend voor de comparitie van partijen op 21 maart 2013, waarbij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1], vergezeld van hun advocaat, waren verschenen, maar [eiseres] en haar advocaat, vanwege een voor haar rekening komende omstandigheid, niet aanwezig waren. In de procespunten is ook een punt voor de behandeling van het verzoekschrift voorlopig deskundigenbericht begrepen voor het verweerschrift. Omdat de mondelinge behandeling van dat verzoek tegelijk met de mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft plaatsgevonden, kent de rechtbank daarvoor geen aparte procespunt toe.

Beslagen

4.17

Nu [eiseres] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, ter verzekering waarvan de beslagen als weergegeven onder 2.7 zijn gelegd, zal de rechtbank, als door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] verzocht, die beslagen opheffen.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 1] worden begroot op € 274,- aan verschotten en € 1.808,- aan salaris van de advocaat;

heft op het op [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 1] toebehorende deel in de onroerende zaken [adres] te [woonplaats], respectievelijk [adres] te [woonplaats] gelegde conservatoir beslag;

verklaart dit vonnis ten aanzien van de onderdelen II. en III. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Taalman en op 9 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.