Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2627

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
C/08/127739 / HA ZA 12-114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Retentierecht.

Er is voldaan aan de voorwaarden om een retentierecht in te roepen.

Handhaving van het retentierecht is in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Evenmin is sprake van misbruik van recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/127739 / HA ZA 12-114

datum vonnis: 2 oktober 2013

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1.

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Attent Thuiszorg B.V.,

gevestigd te Nijverdal,

verder te noemen Thuiszorg,

2.

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Attent Woonzorg B.V.,

gevestigd te Nijverdal,

verder te noemen Woonzorg,

eiseressen,

advocaat: mr. G. Beekman te Almelo,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. C.P.B. Kroep te Enschede.

Het procesverloop

1.1 De rechtbank neemt over wat in het eerdere tussenvonnis van 19 september 2012, waarin is beslist in het bevoegdheidsincident, is overwogen met betrekking tot het procesverloop. In dit vonnis heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard ten aanzien van de vordering van Thuiszorg jegens [gedaagde] en zich bevoegd verklaard ten aanzien van de vordering van Woonzorg jegens [gedaagde]. Tevens is de beslissing over de proceskosten ten aanzien van de vordering van Thuiszorg aangehouden tot aan het in de hoofdzaak ten aanzien van de vordering van Woonzorg te wijzen eindvonnis.

1.2 Op 23 januari 2013 heeft [gedaagde] geconcludeerd voor antwoord. Daarna heeft [gedaagde] gerepliceerd en Woonzorg gedupliceerd. Op 7 augustus 2013 heeft Woonzorg zich bij akte uitgelaten over de bij dupliek overgelegde producties.

1.3 Het vonnis is bepaald op heden.

In de zaak Woonzorg tegen [gedaagde]

De standpunten

2.1 De rechtbank neemt hier over hetgeen in het voormelde tussenvonnis is overwogen en beslist over de vordering en de onderbouwing daarvan. De rechtbank vult de weergave van de standpunten van partijen als vermeld in de voornoemde tussenvonnissen als volgt aan.

Woonzorg

2.2 Ter onderbouwing van haar vordering stelt Woonzorg dat tussen partijen geen aanneemovereenkomst is gesloten, zodat [gedaagde] ten aanzien van haar en Thuiszorg geen vorderingsrecht heeft en evenmin een retentierecht. Woonzorg en/of Thuiszorg hebben [gedaagde] wel opdracht gegeven voor de aanleg van een bouwvoorziening voor de elektra. Deze kosten, zijnde € 2.283,30 zijn echter reeds betaald aan [gedaagde], zodat [gedaagde] ten aanzien hiervan geen vorderingsrecht meer heeft. Tevens betwist Woonzorg de hoogte van de door [gedaagde] gestelde vordering op Thuiszorg. Hiertoe betwist zij de door [gedaagde] gestelde aanneemsom, de gestelde bespaarde kosten en de gestelde gemaakte kosten.

2.3 Voorts stelt Woonzorg dat indien [gedaagde] wel een vordering zou hebben, deze vordering zo gering is, dat deze niet in verhouding staat tot de last die Woonzorg ondervindt van de handhaving van het retentierecht. Woonzorg wenst immers het perceel aan de Dorpstraat 3 te Hellendoorn (hierna: het perceel) te verkopen c.q. daarop alsnog te bouwen. Tevens oefent [gedaagde] het retentierecht sinds juni 2010 uit, terwijl zij pas in maart 2013 rechtsmaatregelen is gaan treffen om de door haar gestelde vordering te innen. Het handhaven van het retentierecht is derhalve naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Door het handhaven van het retentierecht maakt [gedaagde] misbruik van recht. Tot slot stelt zij dat [gedaagde] niet bevoegd is tot uitoefening van het retentierecht op het perceel, omdat de grond aan Woonzorg toebehoort en Woonzorg geen schuldenaar is van [gedaagde].

[gedaagde]

2.4 [gedaagde] stelt dat tussen Thuiszorg en [gedaagde] een overeenkomst terzake de bouw van een nieuw te bouwen zorgvilla tot stand is gekomen en dat hierop de U.A.V. 1989 van toepassing zijn. Woonzorg en Thuiszorg hebben [gedaagde] medegedeeld dat de bouw van de zorgvilla niet wordt voltooid en het onderhavige perceel verkocht zal gaan worden, omdat de gemeente de benodigde bouwvergunning niet heeft verleend. Hiermee is sprake van een beëindiging van het werk in onvoltooide staat als bedoeld in paragraaf 14 lid 7 U.A.V. 1989, zodat [gedaagde] op grond van paragraaf 14 lid 10 U.A.V. 1989 recht heeft op de aanneemsom, zijnde € 798.000,--, vermeerderd met de kosten die zij als gevolg van de niet-voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de bespaarde kosten. [gedaagde] had reeds in overleg met en in opdracht van Thuiszorg diverse werkzaamheden verricht aan het perceel. Voorts stelt zij dat alleen de staartkosten van 10% van de aanneemsom, zijnde kosten die niet bespaard worden, tenminste € 79.800,-- bedragen. In totaal heeft [gedaagde] een opeisbare vordering op Thuiszorg van € 180.657,10 (exclusief btw, rente en kosten). [gedaagde] heeft Thuiszorg meermalen aangemaand de vordering te voldoen en Thuiszorg heeft op haar beurt meermalen aan [gedaagde] meegedeeld dat zij de vordering niet zal voldoen. Voorts heeft [gedaagde] de feitelijke macht over het perceel en is sprake van voldoende samenhang tussen de verbintenissen over en weer. Derhalve is aan alle vereisten voor het uitoefenen van een retentierecht voldaan, zodat Woonzorg het retentierecht heeft te dulden op grond van artikel 3:291 lid 2 BW. Thuiszorg was bevoegd de overeenkomst met [gedaagde] aan te gaan en [gedaagde] had geen reden om aan de bevoegdheid van Thuiszorg te twijfelen. Tot slot betwist [gedaagde] dat zij door het handhaven van het retentierecht misbruik maakt van recht danwel dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

2.5 De overige standpunten van partijen worden hierna, voor zover van belang, weergegeven bij de verschillende onderwerpen en beslispunten.

De beoordeling

3.1 De rechtbank neemt hier over hetgeen zij dienaangaande heeft overwogen en beslist in het voornoemde tussenvonnis.

3.2 Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [gedaagde] tegen Woonzorg een retentierecht kan inroepen.

3.3 In het tussenvonnis van 19 september 2012 heeft de rechtbank, in de overwegingen 2.5 tot en met 2.8, reeds overwogen dat tussen Thuiszorg en [gedaagde] een onvoorwaardelijke overeenkomst (hierna: de overeenkomst) tot stand is gekomen en dat op deze overeenkomst de U.A.V. 1989 van toepassing zijn, hetgeen de rechtbank hier overneemt.

3.4 Vast staat dat [gedaagde] in het voorjaar van 2010 een retentierecht heeft ingeroepen ten aanzien van het perceel. Tevens is niet in geschil dat Woonzorg een ouder recht heeft ten aanzien van dit perceel dan het door [gedaagde] ingeroepen retentierecht.

3.5 Op grond van artikel 3:291 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kan een schuldeiser het retentierecht inroepen jegens derden met een ouder recht, als zijn vordering voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan, of als hij geen reden had om aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen. De ratio van deze bepaling is dat er geen reden is om de retentor de bescherming van het retentierecht tegenover een ouder gerechtigde te onthouden wanneer het gaat om een vordering uit een overeenkomst die de schuldenaar jegens de derde bevoegd was te sluiten of ten aanzien waarvan de schuldeiser zich redelijkerwijs niet in die bevoegdheid hoefde te verdiepen, omdat de overeenkomst met een normale exploitatie van de zaak in overeenstemming was. In beginsel dient de derde met een ouder recht het retentierecht derhalve tegen zich te dulden.

3.6 Woonzorg heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dat Thuiszorg bevoegd was de overeenkomst met [gedaagde] aan te gaan en heeft evenmin betwist dat [gedaagde] geen reden had om aan de bevoegdheid van Thuiszorg te twijfelen. Voorts is niet in geschil dat de door [gedaagde] gestelde vordering op Thuiszorg betrekking heeft op de overeenkomst ten aanzien van de bouw van een zorgvilla op het perceel, zodat er een (voldoende) verband bestaat tussen de door [gedaagde] gestelde vordering en het perceel ten aanzien waarvan zij het retentierecht heeft ingeroepen. Gelet hierop in combinatie met hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen, verwerpt de rechtbank het verweer van Woonzorg dat [gedaagde] in het onderhavige geval geen retentierecht jegens Woonzorg kan uitoefenen, omdat het perceel aan Woonzorg toebehoort en zij geen schuldenaar is van [gedaagde].

3.7 Er zijn drie voorwaarden waaraan een retentierecht moet voldoen: 1) de vordering moet opeisbaar zijn, 2) er moet voldoende samenhang bestaan tussen de vordering en de verplichting tot afgifte van andermans zaak en 3) de zaak moet zich in de macht van de schuldeiser bevinden. Hiervoor is onder 3.6 reeds overwogen dat er voldoende samenhang bestaat tussen de door [gedaagde] gestelde vordering en de verplichting tot afgifte van het perceel. Voorts is niet in geschil dat het perceel door [gedaagde] is omheind met hekken en niet meer toegankelijk is voor derden, zodat voldaan is aan het vereiste dat het perceel zich in de macht van [gedaagde] bevindt. Resteert derhalve de vraag of [gedaagde] al dan niet een opeisbare vordering heeft op Thuiszorg.

3.8 Niet in geschil is dat Woonzorg en Thuiszorg aan [gedaagde] kenbaar hebben gemaakt dat de bouw van de zorgvilla niet zal worden voltooid, omdat de benodigde (onherroepelijke) bouwvergunning uiteindelijk niet door de gemeente werd verleend. Woonzorg heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat hiermee sprake is van een beëindiging van het werk in onvoltooide staat als bedoeld in paragraaf 14 lid 7 van de U.A.V. 1989 en dat [gedaagde] hierdoor op grond van paragraaf 14 lid 10 U.A.V. 1989 recht heeft op de aanneemsom vermeerderd met de kosten die zij als gevolg van de niet-voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de bespaarde kosten. De rechtbank neemt dit derhalve, in de verhouding Woonzorg- [gedaagde], als uitgangspunt. Gelet hierop verwerpt de rechtbank het verweer van Woonzorg dat Thuiszorg enkel de kosten van de “aansluiting van de stroom op het perceel” aan [gedaagde] moet vergoeden.

3.9 [gedaagde] stelt dat zij in verband met de beëindiging van het werk een opeisbare vordering heeft op Thuiszorg van in totaal € 180.657,10. Ter onderbouwing hiervan, stelt [gedaagde] onder andere dat er sprake is van zogenoemde staartkosten, welke zij berekend op 10% van de aanneemsom, zijnde € 79.800,--. Woonzorg heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat in de aanneemsom 10% staartkosten zijn berekend en heeft evenmin betwist, althans onvoldoende gemotiveerd, dat deze staartkosten niet bespaard worden door de beëindiging van het werk. Gelet hierop in combinatie met hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.8, heeft de rechtbank er, in de onderhavige procedure, vanuit te gaan dat [gedaagde] in ieder geval een opeisbare vordering heeft op Thuiszorg ten bedrage van 10% van de aanneemsom.

3.10 Vervolgens stelt Woonzorg dat het handhaven van het retentierecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat de vordering van [gedaagde] zo gering is dat deze niet in verhouding staat tot de last die Woonzorg ondervindt van de handhaving van het retentierecht en [gedaagde] voorts pas in maart 2013 rechtsmaatregelen is gaan treffen voor de inning van haar vordering. De rechtbank overweegt allereerst dat de omvang van een vordering in beginsel niet van belang is voor een beroep op een retentierecht. Voorts concludeert de rechtbank dat de hiervoor onder 3.9 vermelde opeisbare vordering een aanzienlijk geldvordering zal zijn. Immers, gelet op de aard en de omvang van het werk en het door [gedaagde] op basis van het bestek gedane aanbod, zijnde € 798.000,--, zal de aanneemsom een aanzienlijk bedrag zijn, zodat ook de daarvan afgeleide 10% aan staartkosten een behoorlijk bedrag vertegenwoordigt. Derhalve verwerpt de rechtbank het verweer van Woonzorg dat de vordering zo gering is dat deze niet in verhouding staat tot de last die Woonzorg ondervindt. Nu voorts vast staat dat [gedaagde] inmiddels een procedure aanhangig heeft gemaakt bij de Raad van Arbitrage over de door haar gestelde vordering op Thuiszorg, is de rechtbank van oordeel dat het handhaven van het retentierecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is en dat [gedaagde] hiermee evenmin misbruik maakt van recht.

3.11 Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder [gedaagde] als schuldeiser een retentierecht kan inroepen tegen Woonzorg als eigenaar van het perceel. De rechtbank zal derhalve de vorderingen van Woonzorg afwijzen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, behoeven de overige stellingen van partijen, voor zover nog onbesproken gelaten, geen nadere bespreking.

3.12 Woonzorg zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De rechtbank begroot de advocaatkosten aan de zijde van [gedaagde] op € 904,--, zijnde 2 punten x liquidatietarief II ad € 452,--, en de verschotten op € 575,-- aan betaalde griffierechten. Woonzorg zal, evenals hierna Thuiszorg, hoofdelijk worden veroordeeld voor de betaling van de proceskosten tot en met het bedrag van € 575,--, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd.

In de zaak Thuiszorg tegen [gedaagde]

4.1 Thuiszorg zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in de hoofdzaak tussen Thuiszorg en [gedaagde]. De rechtbank begroot de verschotten op € 575,-- aan betaalde griffierechten en zal Thuiszorg voor de betaling hiervan hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, veroordelen.

5.

De beslissing

De rechtbank:

I. wijst de vorderingen van Woonzorg af;

II. veroordeelt Woonzorg en Thuiszorg hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] ten bedrage van € 575,-- aan verschotten;

III. veroordeelt Woonzorg in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] ten bedrage van

€ 904,-- aan advocaatkosten;

IV. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Kok en op 2 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.