Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2504

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-10-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
Awb 13/2075
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom tegen particuliere bewoning bedrijfspand te staken. Verzoek toegewezen. Verweerder moet nader onderzoek doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/2075

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

Mayhill Vastgoed B.V., verzoekster, en

[verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. M.H. Blokvoort,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2013 heeft verweerder verzoekster onder oplegging van een dwangsom gelast de particuliere bewoning van het pand aan de [adres] te Deventer binnen drie maanden na de verzending van dit besluit geheel te (doen) staken en gestaakt te houden.

Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt.

Op 10 september 2013 hebben verzoekers verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van het besluit van 22 juli 2013 tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

Het verzoek is ter zitting van 11 oktober 2013 behandeld. Van verzoekers is [verzoeker] verschenen, vergezeld door de gemachtigde, voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.B. Steenbruggen

Overwegingen

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet zich - in het kader van de op hem rustende verplichting om ambtshalve kwesties van openbare orde te beoordelen - eerst voor de vraag gesteld of verzoeker in zijn bezwaar en in het verzoek om voorlopige voorziening kan worden ontvangen. Dit omdat de last onder dwangsom niet is gericht aan verzoeker, maar aan verzoekster. Voor beoordeling van deze vraag is het navolgende van belang.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Ingevolge artikel 7:1 van de Awb dient degene, aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken. Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2 van de Awb verstaan degene, wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Volgens vaste jurisprudentie, betreft een last onder dwangsom, anders dan een besluit tot toepassing van bestuursdwang, alleen de (vermeende) overtreder. Omdat alleen de overtreder een dwangsom kan verbeuren, is in beginsel slechts hij aan te merken als belanghebbende bij de last als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb (zie de uitspraak van 24 februari 2011 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2011:BP6325).

De voorzieningenrechter is gelet op voornoemd uitgangspunt van oordeel dat verzoeker door de opgelegde last onder dwangsom niet rechtstreeks in zijn belangen is getroffen. Ter zitting is toegelicht dat verzoekster eigenaar van het pand aan de [adres] is. De aandelen van verzoekster zijn, samen met de aandelen van [bedrijf verzoeker] Deventer B.V. ondergebracht in een stichting waarvan verzoeker en zijn kinderen de bestuurders zijn. Dit betekent dat verzoeker, de heer [verzoeker] in persoon slechts een afgeleid belang heeft, zodat verzoeker niet aangemerkt kan worden als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Verzoeker wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om voorlopige voorziening.

Zoals hierboven reeds vermeld is verzoekster eigenaar van het pand gelegen aan de [adres] te Deventer, kadastraal bekend gemeente Deventer, sectie C, nr. [nummer]. Bij besluit van 20 december 2006 heeft verweerder de rechtsvoorgangster van verzoekster een gebruiksvergunning verleend om de verdiepingen [adres] te gebruiken als kamerverhuurgebouw.

Verweerder heeft verzoekster bij brief van 21 september 2012 meegedeeld dat na een controle op 11 september 2012 vastgesteld is dat het gebruik van het pand aan de [adres] ten behoeve van kamergewijze bewoning op deze locatie in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan “Bergweide, Kloosterlanden-Hanzepark, Veenoord”. Tevens is verzoekster meegedeeld dat verweerder niet bereid is medewerking te verlenen aan het opstarten van een procedure voor een ontheffing van het bestemmingsplan om kamerverhuur mogelijk te maken. Op grond hiervan heeft verweerder gesteld dat verzoekster voor 1 januari 2012 de onzelfstandige bewoning aan de [adres] dient te (laten) beëindigen.

Begin februari 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de vertegenwoordiger van verzoekster, wethouder Swart en J. Teesink, waarna verzoekster bij schrijven van 6 februari 2013 een aantal vragen voorgelegd heeft, welke op 18 februari 2013 door verweerder zijn beantwoord.

Op 10 juni 2013 heeft een nieuwe controle plaatsgevonden op meergenoemd perceel, waarna verweerder bij brief van 12 juni 2013 het voornemen bekend heeft gemaakt verzoekster te gelasten, binnen drie maanden na de verzenddatum van de definitieve last, de bewoning, anders dan wonen dat functioneel gebonden is aan een bedrijf, van het pand geheel te staken en gestaakt te houden onder oplegging van een dwangsom van € 3000,00 per maand of een gedeelte daarvan met een maximum van € 15.000,00.

Verzoekster heeft bij brief van 26 juni 2013 haar zienswijze op dit voornemen bekend gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit van 22 juli 2013 heeft verweerder verzoekster de last onder dwangsom, zoals omschreven in het voornemen, opgelegd.

Ingevolge het bestemmingsplan “Bergweide, Kloosterlanden-Hanzepark, Veenoord”, vastgesteld door de gemeenteraad op 18 april 2012 en in werking getreden op 22 augustus, is onderhavig pand gelegen binnen de bestemming ‘bedrijventerrein’ en heeft het de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’.

Artikel 1.7 van de bij het bestemmingsplan horende voorschriften bepaalt dat onder een bedrijfswoning wordt verstaan ‘een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw of op dat terrein.’

In dit licht bezien en gelet op het bepaalde in artikel 5 van de planvoorschriften, is kamerbewoning in strijd met de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan.

In het bezwaarschrift is namens verzoekster echter naar voren gebracht dat er sprake is van een in het verleden (ook) planologisch vergunde situatie.

Ter onderbouwing van dat standpunt is een kopie overgelegd van een op 4 september 1956 verleende bouwvergunning om op het perceel, gelegen aan de [adres] kadastraal sectie C no. [nummer] (ged.) een werkplaats met twee bovenwoningen te bouwen. Ter zitting is toegelicht dat deze bouwvergunning ziet op de huidige winkel met de eerste verdieping, alwaar twee woningen zijn gerealiseerd.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op de weg van verweerder ligt om daar in de bezwaarprocedure onderzoek naar te doen. Daaruit zal onder meer moeten blijken of c.q. in hoeverre de (gestelde) bouwvergunning gevolgen heeft voor de bevoegdheid handhavend op te treden.

Omdat verzoekster vóórdat op het bezwaar is beslist aan de haar opgelegde last dient te voldoen, en gelet op het grote belang van verzoekster, ziet de voorzieningenrechter in bovenstaande aanleiding het besluit van 22 juli 2013 te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.

Uit voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen.

De voorziening ziet dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten, tot op heden berekend op € 944,00 (1 punt verzoekschrift + 1 punt zitting x wegingsfactor 1 x

€ 472,00 per punt).

Beslissing

De voorzieningenrechter

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster toe;

  • -

    schorst het besluit van 22 juli 2013 tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten, tot op heden begroot op € 944,00;

  • -

    gelast dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 318,00 vergoedt;

  • -

    verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek om voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzieningenrechter, en door hem en Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2013.