Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2453

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
C/08/144526 / KG ZA 13-338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij vonnis van 16 januari 2013, hersteld op 20 februari 2013, is de Staat veroordeeld de kavelaanvaardingswerkzaamheden m.b.t. het aanbrengen van een kavelgrenssloot (op perceel 12 en 13) alsnog uit te voeren overeenkomstig de oorspronkelijke opzet zoals door de Landinrichtingscommissie Ruilverkaveling Marshoek-Hoonhorst (LC) en Veldman is bepaald, een en ander binnen drie maanden na betekening van dit vonnis onder verbeurte van een onmiddellijk te verbeuren dwangsom van EUR 1.000,00 per week dat de Staat in gebreke zal blijven en met een maximum van EUR 15.000,00. Veldman heeft de stelling van de Staat dat hij aan het vonnis heeft voldaan voldoende gemotiveerd betwist. De Staat heeft de kavelgrenssloot niet overeenkomstig de oorspronkelijke opzet zoals door de LC en Veldman is bepaald, die eind 2006 tussen hen is besproken, aangelegd. Voorts is niet gebleken dat de thans aangelegde kavelgrenssloot naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als een aanvaardbaar alternatief kan worden gezien, gelet op het doel c.q. de functie daarvan: een adequate afwatering. Hieruit volgt dat Veldman een in redelijkheid te respecteren belang had om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 16 januari 2013 over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/144526 / KG ZA 13-338

Vonnis in kort geding van 16 oktober 2013

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN (het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie),

zetelend te 's-Gravenhage,

eiser,

advocaat mr. M. Rus-van der Velde te 's-Gravenhage,

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

allen wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.T.A.M. van Mierlo te Zwolle.

Partijen zullen hierna de Staat en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 13 producties;

  • -

    de brief van [gedaagden] van 1 oktober 2013 met 7 producties;

  • -

    de brief van de Staat van 3 oktober 2013 met productie 14 en 15;

  • -

    de brief van [gedaagden] van 4 oktober 2013 met productie 8 en 9;

  • -

    het faxbericht van [gedaagden] van 8 oktober 2013;

  • -

    de mondelinge behandeling op 9 oktober 2013;

  • -

    de pleitnota van de Staat;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] exploiteert in de vorm van een maatschap een melkveebedrijf. In het kader van de ruilverkaveling Marshoek-Hoonhorst zijn aan [gedaagden] percelen grond toebedeeld. In 2003 zijn de bezwaren van [gedaagden] tegen de toedeling ongegrond verklaard.

2.2.

De akte van toedeling is gepasseerd in december 2004. In het kader van de toedeling dient de Landinrichtingscommissie Ruilverkaveling Marshoek-Hoonhorst (LC) nog kavelaanvaardingswerkzaamheden te verrichten.

2.3.

Bij vonnis van 16 januari 2013 (zaaknummer / rolnummer: 182166 / HZ ZA 11-218), hersteld op 20 februari 2013 (hierna: het vonnis van 16 januari 2013), heeft de rechtbank Oost-Nederland, voor zover hier van belang, de Staat veroordeeld:

in reconventie

5.5. (…)

de kavelaanvaardingswerkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van de kavelgrenssloot op perceel 12 en 13 alsnog uit te voeren overeenkomstig de oorspronkelijke opzet zoals door de LC en [gedaagden] is bepaald, een en ander binnen drie maanden na betekening van dit vonnis en op straffe van een onmiddellijk te verbeuren dwangsom van EUR 1.000,00 per week dat de Staat in gebreke zal blijven en met een maximum van EUR 15.000,00,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

2.4.

Op 28 februari 2013 is het vonnis van 16 januari 2013 aan de Staat betekend.

2.5.

Bij brief van 4 april 2013 heeft de Staat aan [gedaagden] meegedeeld dat de sloot op de perceelsgrens tussen de percelen van [gedaagden] en die van de familie [betrokkene 1] inmiddels is gegraven en dat de Staat daarmee heeft voldaan aan het vonnis van 16 januari 2013.

2.6.

Bij brieven van 15 april 2013, 23 mei 2013 en 17 juni 2013 heeft [gedaagden] zich op het standpunt gesteld dat er een geheel doorlopende kavelgrenssloot moet komen die diep genoeg, waterpas en functioneel is en voorts dat de kavelgrenssloot alsnog overeenkomstig de oorspronkelijke opzet moet worden aangelegd.

2.7.

Bij brieven van 25 april 2013, 3 juni 2013 en 26 juni 2013 heeft de Staat zijn standpunt gehandhaafd dat de kavelgrenssloot overeenkomstig het vonnis van 16 januari 2013 is aangelegd.

2.8.

Bij exploot van 3 september 2013 heeft [gedaagden] de Staat aangezegd dat aan dwangsommen een bedrag van € 15.000,00 is verbeurd, bevel gedaan om alsnog aan het vonnis van 16 januari 2013 te voldoen en om het bedrag van € 15.000,00 binnen twee dagen te betalen onder aanzegging dat, bij gebreke van behoorlijke voldoening, over zal worden gegaan tot inbeslagneming en zo nodig verkoop van de roerende en/of onroerende zaken van de Staat dan wel door alle andere middelen en wegen van executie.

3 Het geschil

3.1.

De Staat vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden], ieder afzonderlijk:

(i) zal gebieden om de executie van het vonnis van 16 januari 2013, zoals verbeterd bij vonnis van 20 februari 2013, met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagden] hieraan niet voldoet met een maximum van € 15.000,00;

(ii) zal veroordelen in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

(iii) zal veroordelen in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 131,00 dan wel, in geval van betekening, € 199,00.

3.2.

[gedaagden] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Van een spoedeisend belang van de Staat bij zijn vorderingen is in voldoende mate gebleken.

4.2.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant  mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3.

Aan de vorderingen legt de Staat, samengevat, ten grondslag dat de kavelgrenssloot is aangelegd overeenkomstig rechtsoverweging 5.5 van het vonnis van 16 januari 2013 en dat er geen dwangsommen zijn verbeurd, althans dat [gedaagden] daarop geen aanspraak kan maken. Daartoe voert de Staat aan dat de LC en [gedaagden] over de specificaties van de kavelgrenssloot geen nadere afspraken hebben gemaakt. De kavelgrenssloot is overeenkomstig de specificaties van Grontmij, zoals deze zijn verwoord in de e-mail van [betrokkene 2] van 28 januari 2010, aangelegd. De Staat stelt dat deze kavelgrenssloot geschikt is om eventueel optredende wateroverlast af te voeren. Vanwege de aanwezigheid van een watertransportleiding en een KPN kabel, die een verplichte grondafdekking van minimaal 1 meter moeten hebben om schade daaraan te voorkomen, in een verhoogde dam in het midden van het perceel op de grens met het perceel van [betrokkene 1] kan de kavelgrenssloot niet helemaal doorlopen, aldus de Staat. De kavelgrenssloot is volgens de Staat zodanig aangelegd dat het eventuele water in deze sloot ten westen van de dam op natuurlijke wijze afwatert op de duiker onder de zijweg van de [weg]; aan de oostkant watert de kavelgrenssloot af op een nieuw aangelegde duiker onder de [weg]. Zou de sloot, zoals [gedaagden] wenst, worden doorgetrokken, dan leidt dat niet tot een betere of verbeterde ontwateringssituatie ter plaatse ten opzichte van de huidige situatie. Volgens de Staat voldoet de kavelgrenssloot aan het doel waarvoor de sloot is aangelegd, namelijk afwatering. De Staat stelt dat in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd dat hij – vanwege de hoge kosten die daarmee zijn gemoeid – zorg draagt voor verplaatsing van de watertransportleiding en de KPN kabel. De Staat concludeert dat aan de zijde van [gedaagden] sprake is van misbruik van (executie)bevoegdheid.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de wijze van uitvoering van de kavelaanvaardingswerkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van de kavelgrenssloot, overeenkomstig de oorspronkelijke opzet zoals door de LC en [gedaagden] is bepaald, die eind 2006 tussen hen is besproken, niet schriftelijk is vastgelegd en evenmin nader is gespecificeerd. Gesteld noch gebleken is dat de door Grontmij in januari 2010 opgestelde specificaties voldoen aan de tussen de LC en [gedaagden] in 2006 gemaakte afspraken. Tussen partijen is evenwel niet in geschil, zo is tijdens de mondelinge behandeling duidelijk geworden, dat de betreffende kavelgrenssloot in de oorspronkelijke opzet ononderbroken zou zijn. Nu daarvan in dit geval geen sprake is, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de Staat niet heeft voldaan aan de in rechtsoverweging 5.5 van het vonnis van 16 januari 2013 uitgesproken veroordeling. Dat eerst tijdens de feitelijke aanleg van de kavelgrenssloot is gebleken van de aanwezigheid van een watertransportleiding en KPN kabel ter plaatse, doet daar niet aan af. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat uit het vonnis van 16 januari 2013 blijkt dat de Staat desgevraagd heeft aangegeven dat deze aanleg technisch uitvoerbaar is.

4.5.

Vervolgens zal beoordeeld worden of de thans aangelegde kavelgrenssloot naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als een aanvaardbaar alternatief kan worden gezien, gelet op het doel c.q. de functie daarvan: een adequate afwatering. In dit kader heeft [gedaagden] voldoende gemotiveerd betwist dat de huidige kavelgrenssloot voldoet aan de daaraan te stellen (minimum)eisen. In het bijzonder heeft de Staat de stelling van [gedaagden] – die door de verklaring van [betrokkene 3] van 4 oktober 2013 wordt ondersteund – onvoldoende weerlegd dat door de aanwezigheid van de dam, waarin de watertransportleiding en KPN kabel liggen die de oorzaak vormen van de onderbroken kavelgrenssloot, er ten westen van het perceel van [gedaagden] geen verbinding is met de opgeschoonde bermsloot en de nieuw aangelegde duiker onder de [weg] en de duiker onder de oprit van het perceel van [betrokkene 4] waardoor het overtollige water van het perceel van [gedaagden] niet kan worden afgevoerd naar de waterschapsloot en dat, zelfs al wordt de duiker onder de zijweg van de [weg] opgeschoond, het water nog niet weg kan, omdat de aangrenzende sloot doodloopt en geen verbinding met een waterschapsloot heeft.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] een in redelijkheid te respecteren belang had om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 16 januari 2013 over te gaan. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de Staat niet heeft gesteld dat sprake is van omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 4.2 op grond waarvan een onverwijlde tenuitvoerlegging niet zou kunnen worden aanvaard.

4.7.

De slotsom is dat geen van de vorderingen toewijsbaar is.

4.8.

De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht €  274,00

- salaris 904,00

Totaal €  1.178,00

Voorts zullen de nakosten worden toegewezen tot een (forfaitair) bedrag van € 131,00 aan salaris advocaat zonder dat betekening van het vonnis heeft plaatsgehad, verhoogd met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis indien en voor zover de veroordeelde partij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling heeft voldaan en het vonnis om die reden is betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 14 dagen na datum van dit vonnis respectievelijk de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt de Staat in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.178,00;

5.3.

veroordeelt de Staat in de nakosten, aan de zijde van [gedaagden] begroot op

€ 131,00 aan salaris advocaat zonder dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgehad, vermeerderd met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis indien en voor zover de veroordeelde partij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de veroordeling heeft voldaan en het vonnis om die reden is betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 14 dagen na datum van dit vonnis respectievelijk de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2013.