Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2445

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
08/955252-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De tractorbestuurder die in oktober 2012 in Bathmen bij het achteruitrijden een fietsster overreed krijgt geen straf opgelegd. De rechtbank Overijssel achtte de 56-jarige man wel schuldig aan het achteruitrijden zonder voorrang te verlenen. Er was geen sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend handelen en ook niet van concreet gevaar scheppend gedrag door de bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - meervoudige kamer

Locatie Zwolle

Parketnummer: 08/955252-13 (P)

Uitspraak: 15 oktober 2013

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2013.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Damstra, advocaat te

Apeldoorn.

Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Verheul.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 oktober 2012 te Bathmen, gemeente Deventer,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig
(landbouwtrekker), daarmede rijdende over de weg, de Looweg, zich zodanig
heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden,
immers is verdachte zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of
onoplettend, met dat door hem bestuurde motorrijtuig, (plotseling) achteruit
gereden, terwijl de rechterbuitenspiegel van dat motorrijtuig niet (voldoende)
was afgesteld en/of het zicht naar achteren voor hem, verdachte, (ernstig)
werd belemmerd door een op of aan de achterzijde van dat motorrijtuig
bevestigd actiebord, en/of
-  heeft verdachte (daarbij) niet, althans onvoldoende, gelet op de weg en/of
   mogelijke weggebruikers op die weg achter hem en/althans achter het door
   hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en/of
-  heeft verdachte (daarbij) dat door hem bestuurde motorrijtuig niet
   voortdurend onder controle gehad, en/of
-  is verdachte (daarbij) niet voortdurend in staat geweest de handelingen te
   verrichten die van hem werden vereist, en/of
-  heeft verdachte (daarbij) niet voortdurend de nodige oplettendheid en/of
   voorzichtigheid betracht, en/of
-  is verdachte niet (tijdig) gestopt voor een zich (dicht) achter voornoemd
   motorrijtuig bevindende  fietsster en/of haar fiets, en/of
-  is verdachte (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig
   over/tegen die fietsster en/of haar fiets gereden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, (te weten
meerdere aangezichtsfracturen en/of 3 fracturen van de wervels en/of 11
ribfracturen en/of een wond aan een bil en/of een fractuur van een sleutelbeen
en/of een klaplong), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat
daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou
kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 8 oktober 2012 te Bathmen, gemeente Deventer,
als bestuurder van een voertuig (landbouwtrekker), daarmee rijdende op de weg,
de Looweg, met dat door hem bestuurde motorrijtuig, (plotseling) achteruit is
gereden, terwijl de rechterbuitenspiegel van dat motorrijtuig niet (voldoende)
was afgesteld en/of het zicht naar achteren voor hem, verdachte, (ernstig)
werd belemmerd door een op of aan de achterzijde van dat motorrijtuig
bevestigd actiebord, en/of
-  heeft verdachte (daarbij) niet, althans onvoldoende, gelet op de weg en/of
   mogelijke weggebruikers op die weg achter hem en/althans achter het door
   hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en/of
-  heeft verdachte (daarbij) dat door hem bestuurde motorrijtuig niet
   voortdurend onder controle gehad, en/of
-  is verdachte (daarbij) niet voortdurend in staat geweest de handelingen te
   verrichten die van hem werden vereist, en/of
-  heeft verdachte (daarbij) niet voortdurend de nodige oplettendheid en/of
   voorzichtigheid betracht, en/of
-  is verdachte niet (tijdig) gestopt voor een zich (dicht) achter voornoemd
   motorrijtuig bevindende  fietsster en/of haar fiets, en/of
-  is verdachte (vervolgens) met dat door hem bestuurde motorrijtuig
   over/tegen die fietsster en/of haar fiets gereden,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou
kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 8 oktober 2012 te Bathmen, gemeente Deventer,
als bestuurder van een landbouwtrekker op de voor het openbaar verkeer
openstaande weg, de Looweg, achteruit is gereden zonder een fietser voor te
laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is
toegebracht;

De rechtbank heeft in de tenlastelegging enkele kennelijke schrijffouten verbeterd. De verdachte is blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vrijspraak van verdachte gevorderd ten aanzien van het primair ten laste gelegde en de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zowel voor het primair als het subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. De verdediging heeft ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde geconcludeerd dat een bewezenverklaring mogelijk is.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

De rechtbank staat in de eerste plaats voor de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 zoals ten laste is gelegd, moet worden vastgesteld dat de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.

Daartoe komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Op grond daarvan valt volgens de Hoge Raad niet in zijn algemeenheid aan te geven of één enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, omdat daarvoor verschillende factoren van belang zijn, zoals het geheel van de gedragingen van de verdachte, de concrete aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval. Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van de Wegenverkeerswet houdt naar vaste jurisprudentie in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen.

Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 8 oktober 2012 op de Looweg te Bathmen, gemeente Deventer, als bestuurder van een landbouwtrekker tijdens het uitvoeren van bermmaaiwerkzaamheden bij een achteruitrijdmanoeuvre een fietster, mevrouw [slachtoffer], over het hoofd heeft gezien, waardoor mevrouw [slachtoffer] is overreden door de landbouwtrekker van verdachte en dientengevolge ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank leidt uit de inhoud van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen af dat het slachtoffer [slachtoffer] - na het afbreken van haar poging om de landbouwtrekker van verdachte in te halen, omdat uit tegenovergestelde richting de personenauto van getuige [getuige] naderde - zeer kort achter de landbouwtrekker van verdachte is ingevoegd, terwijl verdachte vrijwel direct daarna is begonnen met zijn achteruitrijdmanoeuvre. Blijkens de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] bevond zij zich op dat moment ongeveer ter hoogte van het midden van de achterkant van de landbouwtrekker.

Uit het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse blijkt onder meer het volgende:

- de landbouwtrekker verkeerde in een voldoende verkeerstechnische staat van onderhoud en vertoonde geen gebreken die eventueel de oorzaak van, dan wel van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan van, het ongeval;

- de linker buitenspiegel van de landbouwtrekker (gezien vanaf de bestuurderszitplaats van de landbouwtrekker) stond goed afgesteld en het zicht naar achteren, op het weggedeelte achter de landbouwtrekker, was goed te noemen;

- het uitzicht naar achteren vanaf de bestuurderszitplaats op en door de binnenspiegel die in de rechter voorhoek van de cabine van de landbouwtrekker gemonteerd zat, was in ernstige mate belemmerd door (de bovenzijde van) het in de achterhef van de landbouwtrekker gemonteerde actiebord, dat als functie heeft de achteropkomende overige verkeersdeelnemers te waarschuwen voor de in uitvoering zijnde werkzaamheden van verdachte met de landbouwtrekker;

- de aan de cabine van de landbouwtrekker gemonteerde rechter spiegel (gezien vanaf de bestuurderszitplaats) stond niet goed afgesteld; de beugel waaraan deze spiegel gemonteerd zat was naar achteren verbogen waardoor het zicht gericht was op het stuurwiel in de cabine van de landbouwtrekker;

- het zicht door de achterruit van de landbouwtrekker op het wegdek achter de landbouwtrekker was nagenoeg geheel ontnomen door het in de achterhef van de landbouwtrekker hangende actiebord;

- de afmetingen van het in de achterhef van de landbouwtrekker gemonteerde actiebord bedroegen 1,3 (breedte) x 2 (hoogte) meter. De gemeten afstand tussen het wegdek en

de onderzijde van dit bord bedroeg 0,5 meter. Binnen de rood/wit gearceerde retro-reflecterende buitenrand waren twee grote ronde verkeersborden aangebracht;

- volgens verdachte was de vastgestelde stand/ hoogte van het actiebord tijdens het onderzoek dezelfde stand/hoogte van het actiebord zoals hij die gebezigd had tijdens zijn maaiwerkzaamheden;

- gezien de verwondingen van het slachtoffer is zij (meermalen) geraakt door de naar

beneden uitstekende (scherpe) delen aan de onderzijde van het actiebord en de

landbouwtrekker en is zij vermoedelijk niet door één of meerdere banden van de landbouwtrekker overreden.

De rechtbank stelt op basis van de van het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse onderdeel uitmakende foto’s vast dat zich in het actiebord aan weerszijden van het bovenste verkeersbord twee driehoekige openingen bevinden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat deze driehoekige openingen tot doel hebben de bestuurder van de landbouwtrekker een beter zicht te bieden op de (verkeers)situatie achter de landbouwtrekker.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat het slachtoffer mevrouw [slachtoffer] kort achter de landbouwtrekker is ingevoegd en zich zeer kort achter de landbouwtrekker bevond op het moment dat verdachte begon met zijn achteruitrijdmanoeuvre.

De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van verdachte dat hij, voordat hij begon met zijn achteruitrijdmanoeuvre, in zijn linker buitenspiegel, rechter buitenspiegel en achteruitkijkspiegel heeft gekeken en zich tevens nog heeft omgedraaid om, voorzover mogelijk, door het actiebord waar te nemen of hij achteruit zou kunnen rijden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, tengevolge van (de afmetingen van) het in de achterhef van de landbouwtrekker gemonteerde actiebord, vanaf zijn bestuurderszitplaats via de linker buitenspiegel, binnenspiegel en rechter buitenspiegel geen enkel zicht kon hebben op zich op korte afstand achter het actiebord bevindende personen en/of voorwerpen. De rechtbank stelt eveneens vast dat de twee in het actiebord aanwezige driehoekige openingen verdachte evenmin enig zicht konden bieden op zich direct achter het actiebord bevindende personen en/of voorwerpen. Feitelijk was vanaf de bestuurderszitplaats geen zicht mogelijk op personen en/of voorwerpen die zich direct of op heel korte afstand achter het actiebord bevonden.

Weliswaar is voldoende komen vast te staan dat de rechter buitenspiegel niet juist stond afgesteld, maar ook een juiste afstelling daarvan had verdachte in dit geval niet kunnen baten om het slachtoffer en/of haar fiets waar te nemen, omdat een juiste stand tot meer zicht naar de bermzijde rechts-achter de landbouwtrekker zou hebben geleid, terwijl het slachtoffer mevrouw [slachtoffer] zich op korte afstand achter en ongeveer in het midden van het actiebord- en derhalve buiten de zichtlijnen van de (beide) buitenspiegels - bevond.

De rechtbank kent voorts betekenis toe aan de omstandigheid dat niet is gebleken dat het in de achterhef van de landbouwtrekker gemonteerde actiebord en/of de wijze en hoogte waarop dit actiebord was gemonteerd niet op enige wijze voldeed aan de wettelijke voorschriften.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het vorenoverwogene, niet komen vast te staan dat de verdachte met de door hem bestuurderde landbouwtrekker aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gereden en is aldus niet gebleken van “schuld” aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

De rechtbank overweegt dat, om ter zake van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen, vereist is dat de gedraging van verdachte zodanig is geweest dat daardoor het verkeer op de weg in gevaar is gebracht of dat het verkeer is gehinderd. Het artikel stelt als minimumeis een zekere mate van concreet gevaarscheppend gedrag.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden afgeleid dat de verdachte gevaarzettend heeft gereden in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, nu van hem gelet op de hierboven beschreven specifieke feiten en omstandigheden niet gevergd kon worden rekening te houden met de aanwezigheid van het slachtoffer op zeer korte afstand achter de door hem bestuurde landbouwtrekker. Verdachte kon zich onder genoemde omstandigheden niet bewust zijn van enig gevaar. De verdachte zal derhalve eveneens van het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde:

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen1, het navolgende.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- het proces-verbaal van verhoor van slachtoffer/aangeefster [slachtoffer]2;

- de letselverklaring betreffende het slachtoffer [slachtoffer]3;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige]4;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte5;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 oktober 20136.

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte achteruitgereden is en het slachtoffer daarbij geen voorrang heeft verleend. Zij is immers overreden. Dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien doet aan een bewezenverklaring niet af nu dit wetsartikel geen schuldverwijt vereist.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 8 oktober 2012 te Bathmen, gemeente Deventer, als bestuurder van een landbouwtrekker op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Looweg,

achteruit is gereden zonder een fietser voor te laten gaan, waarbij letsel aan

personen is ontstaan en schade aan goederen is toegebracht.

Van het meer subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Overtreding van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, strafbaar gesteld bij artikel 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd verdachte te veroordelen tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ingeval van een bewezenverklaring van het subsidiair of meer subsidiair en laste gelegde het uitspreken van schuldigverklaring zonder oplegging van straf bepleit.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

.

De rechtbank heeft enerzijds in aanmerking genomen dat verdachte bij het maken van een achteruitrijdmanoeuvre met zijn landbouwtrekker de zich achter die landbouwtrekker bevindende mevrouw [slachtoffer] niet heeft gezien, waardoor hij haar niet heeft laten voorgaan en aldus heeft gehandeld in strijd met de geldende verkeersregels. Verdachte is met de landbouwtrekker over mevrouw [slachtoffer] en haar fiets heen gereden, waarbij zij op haar hoofd en haar bovenlichaam is geraakt door de naar beneden uitstekende delen aan de onderzijde van het actiebord en de bermmaaimachine. Mevrouw [slachtoffer] heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De gevolgen van het ongeval zijn voor haar zeer ernstig en het is twijfelachtig of volledig herstel zal optreden.

De rechtbank heeft anderzijds als strafmatigende omstandigheid in aanmerking genomen

Dat het slachtoffer zelf de ongelukkige positie achter de landbouwtrekker van verdachte

heeft gekozen. Daarbij komt dat ook voor de verdachte de gevolgen van het ongeval ernstig

zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting laten zien dat het gebeurde hem in hoge mate heeft

aangegrepen. Hij heeft zelf contact gezocht en onderhouden met het slachtoffer. Verdachte is

ten gevolge van de impact van het ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt geweest en gaat nog

steeds gebukt onder de gevolgen van het ongeval voor het slachtoffer. Voorts heeft de

rechtbank ten voordele van verdachte laten meewegen dat verdachte blijkens het uittreksel

justitiële documentatie van verdachte d.d. 30 augustus 2013over een blanco strafblad

beschikt.

Bij deze stand van zaken acht de rechtbank oplegging van enige straf of maatregel noch uit het oogpunt van algemene preventie noch uit het oogpunt van speciale preventie aangewezen zodat zij zal volstaan met te bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op:

  • -

    de artikelen 9a en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    artikel 177 van de Wegenverkeerwet 1994.

Beslissing

Het primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het meer subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het meer subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank bepaalt dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aldus gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en E. Leentjes, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.

Mr. Leentjes voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, team Groot Colmschate-Bathmen, onder dossiernummer PL04CB 2012088007, opgemaakt op 28 februari 2013

2 Proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer] d.d. 22 december 2012

3 Geneeskundige verklaring d.d. 12 oktober 2012 opgemaakt door de arts drs. B. van Wageningen, verbonden aan de afdeling Traumachirurgie van het UMCN Radboud te Nijmegen

4 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 18 oktober 2012

5 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 8 oktober 2012

6 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 1 oktober 2013