Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2444

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
Awb 12/1165
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen herhaalde aanvraag onder de nieuwe Wet Wajong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 12/1165

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

Gemachtigde: mr. C.C.M. Peper,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

12/1165

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2012 heeft verweerder besloten niet terug te komen van het besluit van 18 januari 2008, met welk besluit een aanvraag op grond van de Wet arbeidsongeschiktheid jonggehandicapten (Wajong) is afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 16 oktober 2012 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 6 juni 2013 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.A. Kuilderd.

Overwegingen

1.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Eiseres is geboren op 4 april 1977. Ze bereikte de 17-jarige leeftijd in 1994. Eiseres heeft op 29 oktober 2007 een aanvraag om uitkering op grond van de Wajong gedaan. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 18 januari 2008. Op 24 november 2009 heeft eiseres nogmaals een aanvraag gedaan. Deze is bij besluit van 4 december 2009 afgewezen.

1.3.

Op 1 mei 2012 heeft eiseres (opnieuw) een aanvraag om een Wajong-uitkering gedaan vanwege sedert haar jeugd bestaande chronische recidiverende huidaandoening hidratenitis suppurativa. Bij besluit van 24 mei 2012 heeft verweerder deze aanvraag op de voet van artikel 4:6 van de Awb afgewezen onder de overweging dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die ertoe zouden leiden dat de eerder genomen beslissing van 18 januari 2008 onjuist zou zijn. In bezwaar heeft verweerder alsnog een medische en arbeidskundige beoordeling verricht. Daarop is het thans bestreden besluit genomen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.

2.

Eiseres heeft in beroep betoogd, dat zij als gevolg van haar ziekte haar studie heeft moeten beëindigen. Door de ontstekingen die door haar ziekte worden veroorzaakt heeft eiseres meer klachten in een warme omgeving, en heeft verweerder ook te weinig beperkingen aangenomen op het gebied van dynamische handelingen en statische houdingen.

3.1.

Artikel 2:3 van de Wet Wajong luidt voor zover van belang:

1.

Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk is de ingezetene die:

a. aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest om met arbeid meer dan 75% te verdienen van het maatmaninkomen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen en hij in het jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop het als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

Artikel 2:15 van de Wet Wajong luidt voor zover van belang:

1.

De jonggehandicapte heeft op aanvraag recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk, indien:

a. hij sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijkende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te melden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn gemeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere beschikking.

3.2.

De aanvraag van eiseres is aanvankelijk opgevat als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb. In bezwaar heeft verweerder de aanvraag van eiseres alsnog mede aangemerkt als een verzoek om ondersteuning/uitkering in de zin van de nieuwe wet en een integrale beoordeling verricht. Ter zitting is namens verweerder toegelicht, dat een beoordeling in de zin van artikel 4:6 van de Awb in het licht van de uitspraak van rechtbank Arnhem van 5 oktober 2011 (ECLI:NL:RBARN:2011: BU8274) niet juist is.

3.3.

De rechtbank overweegt ambtshalve dat het toepasselijke rechtsregime voor het beoordelen van een aanvraag onder de nieuwe Wet Wajong dusdanig ingrijpend is gewijzigd, dat niet gesproken kan worden van een herhaalde aanvraag, maar sprake is van een nieuwe aanvraag. Verweerder heeft derhalve terecht de aanvraag van eiseres van 1 mei 2012 op zijn eigen merites beoordeeld.

3.4.

Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat eiseres weliswaar vanaf 9 april 2002 beperkingen heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid, maar dat zij volgens verweerder niet gedurende 52 weken niet in staat is geweest om met arbeid tenminste 75% van het minimum loon te verdienen.

3.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 12 september 2012 als zijn opvatting neergelegd dat eiseres vanaf 9 april 2002 objectiveerbare beperkingen had voor het functioneren in arbeid. Voor het vaststellen van die beperkingen heeft hij zich gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie van de behandelaars van eiseres. Frequente bewegingen waarbij wrijving met kleding en andere huidgedeelten optreedt zullen volgens de arts vermeden moeten worden, zoals lopen. Op deze huidgedeelten moet ook druk vermeden worden. Eiseres kan volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel werkzaamheden verrichten waarbij met deze factoren rekening gehouden wordt. Deze beperkingen zijn verwoord in de FML van 22 april 2009, 12 september 2012 en geldig vanaf 9 april 2002.

3.6.

Naar aanleiding van het gestelde in beroep, dat ten onrechte geen beperking is opgenomen voor het verblijven in een warme omgeving, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangepast. Eiseres is alsnog beperkt geacht voor het werken in vochtige en warme ruimtes.

3.7.

Eiseres heeft in beroep ter onderbouwing van haar standpunt dat verweerder haar beperkingen heeft onderschat, een brief overgelegd van haar dermatoloog van 25 februari 2013.

3.8.

De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder de beperkingen van eiseres heeft onderschat. De vaststelling van de beperkingen is gebaseerd op een eigen onderzoek van de verzekeringsarts, en op een nadere beoordeling van deze beperkingen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Gelet op de inhoud van de betreffende rapporten is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een zorgvuldig onderzoek, en is de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze tot een beperkte bijstelling van de beperkingen gekomen. Door de nadere bijstelling van de FML zijn de beperkingen van eiseres op voldoende en duidelijke wijze daarin opgenomen. Ook de stelling van eiseres dat sprake is van een aanzienlijk verzuimrisico kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen.

Daarbij laat de rechtbank wegen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 10 januari 2013 voldoende inzichtelijk heeft toegelicht, dat de ontstekingshaarden niet iedere keer zo groot zijn dat chirurgische interventie nodig is en dat in de meeste gevallen volstaan kan worden met orale medicatie. Eiseres heeft op dat punt ter zitting ook toegelicht dat zij gemiddeld één maal per anderhalf jaar is geopereerd.

3.9.

De mate van arbeidsongeschiktheid is gebaseerd op geschiktheid voor een viertal functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op 25 januari 2013 nader gemotiveerd, waarom deze functies geschikt zijn voor eiseres. De rechtbank acht op basis van dit rapport en het rapport van 12 oktober 2012 afdoende gemotiveerd dat eiseres deze functies moet kunnen verrichten.

3.10.

De rechtbank concludeert tot slot dat pas in beroep door de aanpassing van de FML door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en door de nadere toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk, verifieerbaar en toetsbaar is geworden dat eiseres met haar beperkingen de geselecteerde functies kan verrichten. De rechtbank ziet hierin aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen, maar de rechtsgevolgen ervan in stand te laten.

4.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De rechtbank begroot deze kosten op € 944,- aan kosten voor rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting x € 472,-).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart beroep gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 944,- te betalen aan de rechtsbijstandverlener;

  • -

    bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. G. Edelenbos, rechter, en door deze en mr. F. Ernens als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.