Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2437

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
C/08/141919 / KG ZA 13-276
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De grondslag van de vordering tot ontruiming van de woning wordt door gedaagde betwist en eiser heeft voor die grondslag onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld. Deze vordering wordt door de voorzieningenrechter afgewezen.

Ook de vordering tot verlaging van de minimale verkoopwaarde wordt afgewezen. Er is te veel onduidelijkheid over de huidige waarde van de woning. Er dient nader onderzoek (taxatie) plaats te vinden om tot vaststelling van een dergelijk bedrag te kunnen komen. Voor het verrichten

van dat onderzoek is in de onderhavige kort gedingprocedure, gelet op het karakter daarvan, geen plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/141919 / KG ZA 13-276

datum vonnis: 3 oktober 2013 (s)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

verder te noemen [eiseres],

advocaat: mr. T. Şeker te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. S. Yelpaze te Amsterdam.

1 Het procesverloop

1.1

[eiseres] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

1.2

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 19 september 2013. Ter zitting is [eiseres] verschenen vergezeld door mr. T. Şeker. [gedaagde] is niet in persoon verschenen. Voor hem is zijn advocaat mr. Yelpaze verschenen. De standpunten zijn toegelicht.

Mr. Yelpaze heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnota.

1.3

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De vaststaande feiten

2.1

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest. De rechtbank te Almelo heeft bij beschikking van 24 november 2004 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 2 december 2004 in de gemeente Den Haag ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2

Partijen zijn gezamenlijk, ieder voor de helft, eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). Zij hebben bij de koop gezamenlijk een hypotheek afgesloten van € 150.000,--.

2.3

[gedaagde] verblijft tot op heden in de woning.

2.4

Bij vonnis van 13 juli 2011 heeft de rechtbank Almelo het volgende bepaald:

De rechtbank:

3.1

Bepaalt dat de man met de vrouw zo spoedig als mogelijk dient over te gaan tot verkoop van de woning, alsmede te bepalen dat voor het geval de man na veroordeling hiertoe niet zal meewerken, deze uitspraak in de plaats zal treden van de voor de verdeling en levering vereiste medewerking van de man, en dat met de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldlening ter grootte van

€ 150.000,-- wordt afgelost, alsmede de overige aan de verkoop verbonden kosten betaald worden, waarna de eventuele over- of onderwaarde tussen de vrouw en de man bij helfte verdeeld wordt.

3.2

Machtigt de vrouw, indien de man niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn medewerking heeft verleend aan het hiervoor onder 3.1 genoemde, tot verkoop en levering van de woning zonder medewerking van de man tegen een waarde van minimaal € 130.000,--.

3.3

Bepaalt, indien de man niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis medewerking heeft verleend aan het hiervoor onder 3.1 genoemde, dat deze uitspraak ingevolge artikel 3: 300 van het Burgerlijk Wetboek dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is, zodat een door de vrouw aan te wijzen makelaar, zonder toestemming van de man tot verkoop van de woning aan een derde kan overgaan en de door de vrouw aan te wijzen notaris, zonder toestemming van de man tot levering van de woning aan een derde kan overgaan, nu dit vonnis in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van de man.

3 Standpunten van partijen

3.1

Kort gezegd vordert [eiseres] [gedaagde] te veroordelen tot het verlaten en ontruimen van de woning en deze woning ter beschikking te stellen van [eiseres]. Voorts vordert zij een machtiging om zonder medewerking van [gedaagde] tot verkoop en levering van de woning over te gaan tegen een waarde van minimaal € 90.000,--. Tenslotte vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2

[eiseres] stelt daartoe - kort gezegd - dat de woning tot op heden niet voor € 130.000,-- is verkocht door de gezakte woningprijzen en het feit dat [gedaagde] tot op heden geen enkele bereidheid heeft getoond om tot daadwerkelijke verkoop van de woning over te gaan. Door de weigerachtige houding van [gedaagde] heeft de door [eiseres] ingeschakelde makelaar geen voorbereidingen kunnen treffen voor de verkoop van de woning. Ook het feit dat [gedaagde] de woning nog bewoont en in de woning nog vijf andere personen laat wonen, bemoeilijkt de verkoop. Voorts stelt [eiseres] dat zij tracht om de schuldsaneringsregeling in te komen. Het feit dat de woning nog niet verkocht is, staat hieraan in de weg.

3.3

[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang van [eiseres]. Voorts betwist hij dat hij een weigerachtige houding heeft aangenomen die de verkoop van de woning heeft gefrustreerd. Het is niet door zijn toedoen dat de woning niet tegen € 130.000,-- kan worden verkocht. Verder voert hij aan dat hij, indien uit een taxatie blijkt dat de woning minder dan € 130.000,-- waard is, wel degelijk kan instemmen met verkoop van de woning tegen minder dan € 130.000,-- .

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt een spoedeisend belang bij de onderhavige vorderingen te hebben. Met name haar stelling dat de onverdeelde boedel in de weg staat aan toelating tot de schuldsanering, maakt dat er sprake is van een spoedeisend belang.

Ontruiming

4.2

De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiseres] aan haar vordering tot ontruiming van de woning onrechtmatig handelen van [gedaagde] ten grondslag legt. Dat onrechtmatig handelen bestaat eruit dat [gedaagde] niet zou voldoen aan de op hem rustende verplichtingen die voortvloeien uit het vonnis van de rechtbank van 13 juli 2011. [gedaagde] betwist dat hij niet aan deze verplichtingen voldoet. [gedaagde] betwist daarmee de grondslag van de vordering.

4.3

Over de vraag of er sprake is van een onrechtmatige daad oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

4.4

Anders dan door [eiseres] gesteld brengt het feit dat [gedaagde] nog in de woning woont, en daar eventueel andere personen laat wonen, op zichzelf niet met zich dat [gedaagde] de verkoop van de woning frustreert. Door nog in de woning te wonen en daar eventueel andere personen te laten wonen, handelt [gedaagde] niet strijdig met de op hem rustende verplichtingen die voortvloeien uit het vonnis van de rechtbank van 13 juli 2011.

4.5

Ter onderbouwing van de stelling van [eiseres] dat [gedaagde] handelt in strijd met de op hem rustende verplichtingen die voortvloeien uit het vonnis van de rechtbank van 13 juli 2011stelt [eiseres] dat [gedaagde] een weigerachtige houding aanneemt die de verkoop van de woning frustreert. Daartoe voert [eiseres] een mail van de door haar ingeschakelde makelaar aan. Uit deze mail volgt echter slechts dat [gedaagde] tijdens een afspraak met deze makelaar gezegd zou hebben dat de woning niet voor minder dan

€ 130.000,-- verkocht mocht worden. De voorzieningenrechter oordeelt dat daaruit niet blijkt dat [gedaagde] handelt in strijd met de op hem rustende verplichtingen die voortvloeien uit het vonnis van de rechtbank van 13 juli 2011. In dat vonnis is het bedrag waarvoor [eiseres] de woning zonder medewerking van Gören kan verkopen, vastgesteld op

€ 130.000,--. Bovendien is ter zitting door de advocaat van [gedaagde] naar voren gebracht dat [gedaagde] wel degelijk wil meewerken aan de verkoop van de woning tegen een lagere prijs dan € 130.000,--. [gedaagde] wil echter deze lagere prijs eerst vastgesteld zien worden door middel van een taxatie van de woning.

4.6

Nu de grondslag van de vordering tot ontruiming van de woning door [gedaagde] wordt betwist en [eiseres] voor die grondslag onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld, komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de vordering tot ontruiming van de woning moet worden afgewezen.

Verlaging van minimale verkoopprijs van € 130.000,-- naar € 90.000,--

4.7

Met de tweede vordering van [eiseres] vordert zij dat de voorzieningenrechter het bedrag waarvoor [eiseres] de woning zonder medewerking van Gören kan verkopen verlaagt van € 130.000,-- naar € 90.000,--. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat de woningprijzen sinds het vonnis gezakt zijn en verkoop van de woning voor € 130.000,-- thans niet meer reëel is.

4.8

Over deze vordering oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. De rechtbank heeft in haar vonnis van 13 juli 2011 bepaald dat het minimale bedrag waarvoor [eiseres] de woning zonder medewerking van [gedaagde] kan verkopen € 130.000,-- is. De voorzieningenrechter moet dat uitgangspunt respecteren. Indien sprake zou zijn van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, een andere minimumprijs zou hebben bepaald, kan de voorzieningenrechter van dit uitgangspunt afwijken.

4.9

In het geval dat verkoop van de woning voor € 130.000,-- thans niet meer reëel is, had het echter op de weg van [eiseres] gelegen te onderbouwen wat de waarde van de woning op dit moment is. [eiseres] heeft geen onderbouwing gegeven voor een nieuwe waardebepaling van € 90.000,--.

4.10

De voorzieningenrechter oordeelt dat er te veel onduidelijkheid is over de huidige waarde van de woning om tot de vaststelling van een minimale verkoopprijs te kunnen komen. Er dient nader onderzoek (taxatie) plaats te vinden om tot vaststelling van een dergelijk bedrag te kunnen komen. Voor het verrichten van dat onderzoek is in de onderhavige kort gedingprocedure, gelet op het karakter daarvan, echter geen plaats. De voorzieningenrechter zal deze vordering daarom afwijzen.

Kosten van het geding

4.11

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. wijst de vorderingen van [eiseres] af;

II. compenseert de kosten van deze procedure aldus dat ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.