Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2396

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
07-10-2013
Zaaknummer
C/07/202251 / HZ ZA 12-232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van boeteclausule in koopovereenkomst terzake woonhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/07/202251 / HZ ZA 12-232

Vonnis van 25 september 2013

in de zaak van

1 [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. D.H. de Wilde te Zoetermeer,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. L.E. Toet te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eisers], afzonderlijk respectievelijk [eiser] en [eiseres], en

[gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 november 2012

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 februari 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij op 6 en 17 februari 2012 ondertekende overeenkomst heeft [eisers] aan [gedaagden] het woonhuis aan de [gedaagden] te [plaats] verkocht (hierna: de overeenkomst). De overeengekomen koopprijs bedroeg € 215.000,-. In de overeenkomst wordt als datum waarop de akte van levering zal worden gepasseerd 1 juni 2012 genoemd.

2.2.

In de overeenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“artikel 4 Bankgarantie/waarborgsom

4.1

Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van koper zal deze uiterlijk op 19 maart 2012 een schriftelijke door een in Nederland gevestigde bankinstelling afgegeven bankgarantie doen stellen voor een bedrag van € 21.500,- (…)

4.2

In plaats van deze bankgarantie te stellen kan koper een waarborgsom storten ter hoogte van het in artikel 4.1 genoemde bedrag in handen van de notaris via diens kwaliteitsrekening nummer (…). De waarborgsom moet uiterlijk op de in artikel 4.1 genoemde dag zijn bijgeschreven op genoemde rekening. (…)

Artikel 10 Ingebrekestelling, ontbinding

10.1

Indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige deze overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige.

10.2

Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van € 21.500,-, zegge (…) verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal.

10.3

Indien de wederpartij geen gebruik maakt van zijn recht de overeenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in 10.1 vermelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van drie promille van de koopprijs, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal. Indien de wederpartij na verloop van tijd de overeenkomst alsnog ontbindt dan zal deze boete verschuldigd zijn voor elke na afloop van de in 10.1 vermelde termijn van acht dagen verstreken dag tot aan de dag waarop de overeenkomst ontbonden is.”

2.3.

[gedaagden] heeft niet binnen de overeengekomen termijn een bankgarantie gesteld dan wel een waarborgsom gestort. Per brief van 21 maart 2012 heeft de makelaar van [eisers] [gedaagden] in gebreke gesteld en gesommeerd zulks alsnog uiterlijk op 29 maart 2012 te doen. Hieraan heeft [gedaagden] geen gevolg gegeven.

2.4.

Bij brief van 30 maart 2012 is namens [eisers] aan [gedaagden] meegedeeld dat [gedaagden] in verzuim is en dat [eisers] aanspraak maakt op nakoming van de overeenkomst conform het bepaalde in artikel 10.3 van de overeenkomst.

2.5.

Op 1 juni 2012 heeft geen levering van de woning plaatsgevonden.

2.6.

Bij brief van 29 juni 2012 aan [gedaagden] is namens [eisers] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. In die brief maakt [eisers] tevens aanspraak op een boete van 3 promille per dag vanaf 31 maart 2012 tot 29 juni 2012, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 56.115,-. Dit heeft niet tot enige betaling geleid.

2.7.

De woning is op 29 november 2012 aan een derde geleverd voor een bedrag van € 210.000,-.

3. Het geschil

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen 7 dagen na het te wijzen vonnis aan [eisers] € 56.115,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2012 en hem tevens veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2.

[eisers] stelt daartoe dat [gedaagden] in verzuim is met het nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. Dit verzuim bestaat uit het niet storten van de waarborgsom en het niet afnemen van de woning en vervolgens het niet betalen van de onmiddellijk opeisbare boete. [eisers] heeft de overeenkomst op juiste gronden ontbonden. [gedaagden] is derhalve de onmiddellijk opeisbare contractuele boete verschuldigd ten bedrage van € 56.115,-.

3.3.

[gedaagden] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Toerekenbaarheid

4.1.

Ter afwering van de vordering heeft [gedaagden] gesteld dat hij het slachtoffer is geworden van oplichting door de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij met [betrokkene] was overeengekomen dat [betrokkene] zou zorgen voor de aanvraag en afwikkeling van de financiering van de woning en dat hij de bankgarantie tijdig aan de notaris zou doen toekomen. Hieraan heeft [betrokkene] niet voldaan, ondanks diverse toezeggingen. Volgens [gedaagden] heeft hij niet kunnen vermoeden dat [betrokkene] niet vertrouwd kon worden. Het niet nakomen van de verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst valt [gedaagden] dan ook niet toe te rekenen.

4.2.

Vast staat dat [gedaagden] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat deze overeenkomst per 29 juni 2012 is ontbonden. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagden] aldus dat hij zich beroept op overmacht, in die zin dat hij meent dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Voor een geslaagd beroep op overmacht door [gedaagden] is nodig dat de tekortkoming niet aan zijn schuld te wijten is of voor zijn risico behoort te komen. Hoewel de rechtbank wel wil aannemen dat [gedaagden] onbedoeld en ongewenst in de door hem geschetste omstandigheden is terechtgekomen, is zij van oordeel dat de gevolgen daarvan voor zijn rekening dienen te komen. [gedaagden] heeft de verantwoordelijkheid voor de aanvraag en afwikkeling van de financiering voor de aankoop van de woning overgelaten aan [betrokkene]. Indien [betrokkene] daarbij zijn verplichtingen jegens [gedaagden] niet nakomt, is dit een omstandigheid die in de relatie tussen [eisers] en [gedaagden] naar verkeersopvattingen voor rekening en risico van [gedaagden] komt. Het is immers [gedaagden] geweest die deze adviseur heeft ingeschakeld, zodat hij voor diens kwaliteiten heeft in te staan. Het beroep op overmacht wordt derhalve verworpen.

Boete

4.3.

[gedaagden] heeft voorts als verweer aangevoerd dat [eisers] geen aanspraak kan maken op de boete als bedoeld in artikel 10.3 van de overeenkomst. Nu [eisers] de overeenkomst heeft ontbonden, kan hij geen aanspraak meer maken op de boete uit artikel 10.3, maar komt hem slechts een beroep op artikel 10.2 van de overeenkomst toe. In artikel 10.2 is bepaald dat bij ontbinding een boete is verschuldigd van € 21.500,-. [eisers] heeft ten onrechte een te hoge boete gevorderd.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat de uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst dient te geschieden met inachtneming van de zogeheten Haviltexmaatstaf

(HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Deze maatstaf brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Bij die uitleg komt het ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Niettemin zal bij de uitleg de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin een bepaling is gesteld vaak wel van groot belang zijn. Partijen hebben niets gesteld over bepaalde gedragingen of geuite verklaringen rond het sluiten van de overeenkomst die aanleiding kunnen geven voor een andere dan een taalkundige uitleg. De rechtbank zal zich daarom met name richten op de betekenis van de bewoordingen van de overeenkomst in het normale spraakgebruik en op de samenhang en context van de verschillende bepalingen die in dit geding aan de orde zijn. Toepassing van dit uitgangspunt leidt tot het volgende.

4.5.

Partijen zijn twee boetebedingen overeengekomen voor twee van elkaar te onderscheiden situaties. De eerste situatie ziet op de mogelijkheid en de gevolgen van ontbinding (10.2). Artikel 10.1 bepaalt dat indien een van partijen, na ingebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is in de nakoming van de overeenkomst, de wederpartij zonder rechterlijke tussenkomst de overeenkomst schriftelijk kan ontbinden. Uit artikel 10.2 volgt, samengevat, dat als tot ontbinding is overgegaan, de nalatige partij een terstond opeisbare boete is verschuldigd van € 21.500,-. De tweede situatie ziet op het geval dat de wederpartij geen gebruik maakt van zijn recht de overeenkomst te ontbinden, maar nakoming verlangt. Op grond van artikel 10.3 is de nalatige partij - nadat de termijn van acht dagen (genoemd in 10.1) is verstreken - per dag een (op de vertraagde nakoming gerichte) boete van drie promille van de koopprijs verschuldigd tot aan de dag van nakoming. In het geval de wederpartij na verloop van tijd de overeenkomst alsnog ontbindt dan “zal deze boete verschuldigd zijn voor elke na afloop van de in 10.1 vermelde termijn van acht dagen verstreken dag tot aan de dag waarop de overeenkomst ontbonden is”. Deze tekst van artikel 10.3 impliceert dat wanneer eerst om nakoming wordt verzocht en daarna wordt ontbonden, de wederpartij dus recht heeft op de boete zoals omschreven in artikel 10.3. Uit het stelsel van de wet volgt dat een schuldeiser bij een tekortkoming van een schuldenaar, kort gezegd, de keuze heeft tussen nakoming of ontbinding. De overeenkomst volgt kennelijk dit stelsel van de wet.

4.6.

[eisers] heeft onweersproken gesteld dat hij, nadat hij [gedaagden] in gebreke heeft gesteld, [gedaagden] om nakoming heeft verzocht voordat hij de overeenkomst heeft ontbonden. Aanvankelijk koos [eisers] voor nakoming, echter toen bleek dat nakoming uitbleef en de geplande leveringsdatum inmiddels was verstreken, heeft [eisers] alsnog gebruik gemaakt van zijn recht de overeenkomst te ontbinden en heeft hij naar het oordeel van de rechtbank terecht de boete op grond van artikel 10.3 gevorderd. De hoogte daarvan is € 56.115,-.

Matiging

4.7.

[gedaagden] heeft matiging van de boete verzocht. Ter onderbouwing van dat verzoek heeft [gedaagden] gewezen op zijn benarde financiële situatie, de oplichting door [betrokkene] en de omstandigheid dat het [eisers] al geruime tijd voor 29 juni 2012 bekend was dat [gedaagden] was opgelicht en zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet zou nakomen, zodat [eisers] veel eerder had kunnen ontbinden. Bovendien heeft [eisers] de gestelde schade niet onderbouwd, aldus [gedaagden]

4.8.

De rechtbank dient bij de beoordeling van een verzoek tot matiging van een contractuele boete terughoudend te zijn. De in artikel 6:94 lid 1 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken indien de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij moet niet alleen gelet worden op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

4.9.

De omstandigheid dat [gedaagden] in een benarde financiële situatie verkeert is - daargelaten dat de gestelde financiële situatie onvoldoende is onderbouwd - op zichzelf onvoldoende om tot matiging over te gaan. Dit geldt eveneens voor de omstandigheid dat [gedaagden] is opgelicht door [betrokkene]. Anderzijds ziet de rechtbank in de omstandigheid dat [eisers] pas op 29 juni 2012 de ontbinding van de overeenkomst heeft ingeroepen, terwijl in ieder geval op de geplande leveringsdatum (1 juni 2012) al bekend was geworden dat [gedaagden] niet zou kunnen nakomen aanleiding om tot matiging over te gaan. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat [eisers] [gedaagden] op 30 maart 2012 voor het laatst heeft aangeschreven en om nakoming heeft verzocht. De hoogte van de boete dient op grond van artikel 10.3 van de overeenkomst een reële prikkel te vormen om de overeenkomst na te komen. Op 1 juni 2012 werd hoe dan ook duidelijk dat [gedaagden] niet zou nakomen. Het ingeroepen boetebeding heeft derhalve haar functie om de wederpartij te prikkelen alsnog na te komen vanaf toen in elk geval verloren. Daar komt bij dat het gaat om een overeenkomst tussen particulieren betreffende de koop van een woning voor een bedrag van € 215.000,-. De boete is zo hoog geworden onder meer omdat het boetebeding dat de contractuele boete bepaalt op 10% van de koopsom (zie artikel 10.2 van de overeenkomst) in dit geval niet van toepassing is. De vraag is of het boetebedrag wel in verhouding staat tot de werkelijk geleden schade. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat de rechter, indien er redenen zijn om te matigen, op grond van artikel 6:94 lid 1 BW nooit minder mag toekennen dan de schadevergoeding waarop [eisers] op grond van de wet aanspraak kan maken. Ten aanzien van deze schade is het volgende van belang.

4.10.

Vast staat dat de woning zo’n zes maanden later alsnog aan een derde is verkocht voor een bedrag van € 210.000,-, dus € 5.000,- minder dan de prijs waarvoor [gedaagden] de woning had gekocht. [eiseres] heeft na het verstrijken van de ontbindingstermijn een andere woning gekocht. De koopovereenkomst voor die nieuwe woning heeft zij echter moeten ontbinden vanwege de niet nakoming van [gedaagden] Nadat de woning van [eisers] op 29 november 2012 alsnog aan een derde is geleverd, heeft [eiseres] de andere woning met een hogere hypotheekrente (4,8% in plaats van 4,5%) alsnog kunnen kopen. De nieuwe woning van [eiseres] moest opnieuw worden getaxeerd, kosten € 418,-. Tevens heeft [eisers] een factuur van de makelaar gekregen van € 3.882,38. [eisers] begroot de totale schade tot de datum van de comparitie op € 14.000,-.

4.11.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat de werkelijke schade niet in de buurt komt van het boetebedrag van € 56.115,-. Er bestaat dan ook een wanverhouding tussen de boete en de werkelijke schade, zodat er, mede gelet op de overige hiervoor geschetste omstandigheden, aanleiding bestaat de boete te matigen.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat onverkorte toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leidt. Alles overziend acht de rechtbank het redelijk om de overeengekomen boete te matigen tot € 30.000,-.

Slotsom

4.13.

De conclusie moet luiden dat de vordering tot een bedrag van in hoofdsom € 30.000,- toewijsbaar is.

4.14.

Tegen de stelling van [eisers] dat vanaf 29 juni 2012 wettelijke rente is verschuldigd heeft [gedaagden] geen gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen, in voege als in het dictum vermeld.

4.15.

Noch de wet, noch de aard van de zaak verzet zich tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. [eisers] heeft voorts belang bij de onderhavige vordering. De enkele omstandigheid dat tenuitvoerlegging van het vonnis voor [gedaagden] ernstige financiële problemen met zich brengt, is onvoldoende voor het oordeel dat geen uitvoerbaar bij voorraad verklaarde voorziening kan worden getroffen. Het ontbreken van financiële middelen dient voor rekening en risico van [gedaagden] te blijven. De rechtbank zal de vordering dienaangaande toewijzen.

4.16.

[gedaagden] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eisers] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding €  98,03

- griffierecht 821,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal €  2.077,03

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 30.000,00 (dertig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 29 juni 2012 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.077,03,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter-Kok en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2013.