Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2385

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
197530 / HZ ZA 12-121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of sprake is van onrechtmatig beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2013-0356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 197530 / HZ ZA 12-121

Vonnis van 18 september 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. Y.A. Wehrmeijer te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.E. BEHEER B.V.,

gevestigd te Zwolle,

2. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR M.E. BEHEER,

gevestigd te Zwolle,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EMBO VASTGOED B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

4. [eiseres sub 4],

wonende te Zwolle,

5. [eiseres sub 5],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en M.E. Beheer c.s. (gedaagden gezamenlijk), respectievelijk M.E. Beheer, Stak, Embo, [eiseres sub 4] en [eiseres sub 5] (gedaagden afzonderlijk) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 september 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 november 2012

  • -

    de akte van [eiser] (productie 5)

  • -

    de akten van M.E. Beheer c.s. (productie 14 respectievelijk 15) en hun akte wijziging/aanvulling van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en de op 10 mei 2005 overleden [X] waren zakenpartners in vastgoedprojecten. [X] was enig bestuurder van M.E. Beheer. De aandelen van M.E. Beheer werden gehouden door Stak. Terwijl [X] houder was van alle certificaten van aandelen. M.E. Beheer bezat deelnemingen in verschillende binnen- en buitenlandse vennootschappen waarvan de activiteiten bestonden uit het verhandelen, ontwikkelen en exploiteren van onroerend goed. Zo was zij enig aandeelhouder van de Duitse rechtspersoon Robex Deutschland GmbH (verder: Robex) waarin diverse Duitse projecten waren ondergebracht.

2.2.

M.E. Beheer was enig aandeelhouder van Embo. Verder bezat M.E. Beheer 5% en Embo 95 % van de aandelen in de Belgische rechtspersoon IJsselinvest N.V. (hierna: IJsselinvest). Deze bezat op haar beurt 95% en Embo 5% van de aandelen in de Belgische rechtspersonen Minnewater N.V. (hierna: Minnewater), Zeeparking Het Zoute N.V.

(hierna : Het Zoute) en Hollebeke N.V. (hierna: Hollebeke, terwijl alle Belgische vennootschappen hierna tezamen zullen worden genoemd: de IJsselinvest-groep).

2.3.

Bo-Investex N.V. (hierna Bo-Investex) was bestuurder van IJsselinvest. [eiser] was bestuurder, maar geen aandeelhouder van Bo-Investex. Via Bo-Investex verrichtte [eiser] werkzaamheden voor M.E. Beheer.

2.4.

Na het overlijden van [X] zijn als erfgenamen zijn dochter, [eiseres sub 4], en zijn voormalige partner, [eiseres sub 5], elk via Stak houder van 50% van de certificaten van aandelen in M.E. Beheer geworden.

2.5.

Op 9 augustus 2005 is een tweetal overeenkomsten gesloten waarbij ondermeer [eiser] de aandelen in de IJsselinvest-groep heeft gekocht. Op dat moment maakte ook Robex onderdeel uit van deze groep. M.E. Beheer werd bij de verkoop vertegenwoordigd door [Y], die tot het overlijden van [X] in opdracht werkzaamheden voor M.E. Beheer verrichtte en over een volmacht beschikte.

2.6.

M.E. Beheer c.s. zijn in verband met deze transacties een procedure gestart tegen onder meer [eiser], Bo-Investex en [Y]. M.E. Beheer c.s. hebben onder andere een verklaring voor recht gevorderd dat zij niet gebonden zijn aan de overeenkomsten van 9 augustus 2005 en dat [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld, en gevorderd hem te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.

2.7.

De rechtbank Zutphen heeft bij vonnis van 21 mei 2008 de vorderingen in conventie van M.E. Beheer c.s. afgewezen. In reconventie zijn de door M.E. Beheer c.s. ten laste van [eiser] gelegde beslagen opgeheven en zijn zij veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat.

2.8.

Op 18 juli 2008 hebben [eiser] en Bo-Investex ten laste van M.E. Beheer c.s. conservatoir derdenbeslag doen leggen. Zij zijn tevens een schadestaatprocedure bij de rechtbank Zutphen gestart.

2.9.

M.E. Beheer c.s. hebben tegen voormeld vonnis van 21 mei 2008 hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Arnhem heeft bij arrest van 10 november 2009 - samengevat - het vonnis van de rechtbank Zutphen vernietigd, de M.E. Beheer c.s. niet-ontvankelijk verklaard in een deel van hun vorderingen en de overige vorderingen van M.E. Beheer c.s. in conventie alsnog grotendeels toegewezen. Het hof heeft voor recht verklaard dat M.E. Beheer en Embo eigenaren van de aandelen in de bedoelde vennootschappen zijn gebleven alsmede dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld.

Het gerechtshof heeft - kort gezegd - bij [Y] een tegenstrijdig belang aanwezig geacht, waardoor hij slechts bevoegd was de overeenkomsten van augustus 2005 aan te gaan indien hij de aandeelhoudersvergadering daarover tijdig had ingelicht. Omdat dat niet was gebeurd waren M.E. Beheer c.s. niet gebonden aan de overeenkomsten.

De reconventionele vorderingen van [eisers] heeft het hof afgewezen.

2.10.

M.E. Beheer en Embo hebben het arrest van het hof ten uitvoer gelegd. Op 17 december 2009 hebben zij in de aandeelhoudersvergadering van IJsselinvest besloten tot het ontslag van de bestuurders Weva, Bo-Investex en van gedelegeerd bestuurder [eiser]. Op dezelfde dag hebben de nieuwe bestuurders van IJsselinvest besloten tot beëindiging van het mandaat van gedelegeerd bestuurder [eiser]. Op 11 januari hebben de afzonderlijke aandeelhoudersvergaderingen van Het Zoute, Hollebeke en Minnewater besloten tot het onmiddellijk ontslag van de bestuurders Weva en Bo-investex.

2.11.

[eisers] is van het arrest van het hof in cassatie gegaan. De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 oktober 2011 het arrest van het hof vernietigd. De Hoge Raad heeft overwogen dat het oordeel van het hof dat sprake was van een tegenstrijdig belang blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij niet begrijpelijk is gemotiveerd. Bovendien betekent de aanwezigheid van een tegenstrijdig belang nog niet dat [Y] niet bevoegd was om M.E. Beheer c.s. te vertegenwoordigen. De Hoge Raad heeft het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

2.12.

Na verkregen verlof heeft [eiser] op 16 maart 2012 diverse conservatoire beslagen laten leggen ten laste van M.E. Beheer c.s., iedere keer voor een bedrag van EUR 16.939.286,10, waarna hij binnen de daartoe gestelde termijn M.E. Beheer c.s. heeft gedagvaard.

2.13.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft bij vonnis van 14 augustus 2012 [eiser] veroordeeld de beslagen tegen Stak, [eiseres sub 4] en [eiseres sub 5] op te (doen) heffen.

2.14.

De verwijzingsprocedure bij het hof ’s-Hertogenbosch (hierna: het verwijzingshof) bevond zich ten tijde van de comparitie nog in een beginstadium.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert - samengevat -:

1. een verklaring voor recht dat M.E. Beheer c.s. (zo veel mogelijk) hoofdelijk, althans afzonderlijk jegens [eiser] aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] reeds heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van hun handelen op basis van het vernietigde hofarrest;

2. hoofdelijke veroordeling van M.E. Beheer c.s. tot betaling van een voorschot van € 1.000.000,00;

3. verwijzing naar de schadestaatprocedure ter vaststelling van de totale schade van [eiser];

4. veroordeling van M.E. Beheer c.s. in de proceskosten, waaronder die van het gelegde beslag.

3.2.

M.E. Beheer c.s. voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4.

M.E. Beheer c.s. vorderen, voor zover de vorderingen in conventie worden afgewezen, - samengevat - [eiser] te gebieden om binnen 48 uur na betekening van het vonnis de opheffingshandelingen te verrichten als vermeld in § 6.4 van de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke eis in reconventie ten aanzien van alle ten laste van M.E. Beheer c.s. gelegde beslagen, een en ander op straffe van een dwangsom.

3.5.

[eiser] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[eiser] stelt dat M.E. Beheer c.s. onrechtmatig hebben gehandeld, al dan niet ex artikel 6:166 BW, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. Het was onrechtmatig om het arrest van het hof, dat later door de Hoge Raad is vernietigd, uit te voeren. M.E. Beheer c.s. hebben daarmee de aandeelhoudersrechten van [eiser] gefrustreerd, de Belgische vennootschappen laten failleren zonder dat dit nodig was en grote schade veroorzaakt. De schade bestaat uit de waarde van de vennootschappen zonder tussenkomst van M.E. Beheer c.s., uit misgelopen managementvergoedingen alsmede het aandeel in de winst uit IJsselinvest.

Ter comparitie heeft [eiser] zijn vordering voorts expliciet gegrond op een toerekenbare tekortkoming van M.E. Beheer c.s. [eiser] had altijd contractueel recht op 50% van de winst aan het einde van de goede aflevering van de projecten, welk recht hem door M.E. Beheer c.s. is ontnomen. De helft van de winst komt in ieder geval nu al voor vergoeding in aanmerking, aldus [eiser].

4.2.

M.E. Beheer c.s. stellen dat de zaak nog steeds onder de rechter is, zodat geenszins kan worden vastgesteld dat M.E. Beheer c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door het arrest van het hof ten uitvoer te leggen. Daarnaast hebben slechts M.E. Beheer en Embo, en niet ook [eiseres sub 4], [eiseres sub 5] en Stak het arrest ten uitvoer gelegd.

De vermeende handelingen van M.E. Beheer c.s. in het kader van de Belgische activiteiten zijn niet gericht geweest tegen [eiser] persoonlijk. Er is geen norm geschonden die strekt ter bescherming van [eiser] als aandeelhouder.

De door [eiser] gestelde schade betreft afgeleide schade die niet voor vergoeding in aanmerking komt; ook wordt de hoogte van de schade betwist.

4.3.

Met M.E. Beheer c.s. is de rechtbank van oordeel dat, voor zover [eiser] zijn vordering jegens [X], [eiseres sub 5] en Stak grondt op hun onrechtmatig handelen door tenuitvoerlegging van het hofarrest, deze moet stranden nu slechts M.E. Beheer en Embo het arrest ten uitvoer hebben gelegd, immers [X], [eiseres sub 5] en Stak zijn door het hof (evenals eerder door de rechtbank) in hun vorderingen ten aanzien van de verkoop van de aandelen in de IJsselinvest-groep niet ontvankelijk verklaard.

Dat [X], [eiseres sub 5] en Stak (als bestuurders en certificaathouders van M.E. Beheer respectievelijk Stak) persoonlijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het handelen van M.E. Beheer en/of Embo heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. Weliswaar somt [eiser] in de nummers 3.1 tot en met 3.10 in de dagvaarding een aantal situaties op waarin M.E. Beheer c.s. hebben gehandeld c.q. stilgezeten, doch [eiser] maakt daarbij geen onderscheid tussen de verschillende (rechts)personen zodat niet duidelijk is welke specifieke verwijten - wat er verder ook zij van dat handelen of stilzitten - [eiser] [X], [eiseres sub 5] en/of Embo maakt.

4.4.

Met betrekking tot het door [eiser] gedane beroep op wanprestatie overweegt de rechtbank als volgt. Niet duidelijk is op grond waarvan [eiser] persoonlijk aanspraak kon maken op de helft van de winst van de Belgische vennootschappen. Bij de in verband met de projecten gesloten nadere overeenkomsten van 16 februari 2004 en 14 april 2005 is [eiser] immers geen partij. Hij handelt daarbij uitsluitend als bestuurder van Bo-Investex respectievelijk IJsselinvest, en niet, zoals [eiser] stelt, als privépersoon.

Dat op M.E. Beheer c.s. een contractuele verplichting rustte op grond waarvan [eiser] bestuurder van de Belgische vennootschappen zou zijn en blijven, zoals [eiser] ter comparitie nog heeft gesteld, heeft hij eveneens onvoldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat in de overeenkomsten betreffende de oprichting van de Belgische vennootschappen van 2002 en 2003 staat vermeld dat de directie zal worden gevormd door [eiser] en – namens [X] – [Y] is daartoe onvoldoende. Daarenboven valt daargelaten de overige vereisten voor wanprestatie – zonder nadere onderbouwing niet in te zien dat de daaruit voortvloeiende schade 50% van de misgelopen winst zou zijn.

De slotsom is dan ook dat het beroep van [eiser] op wanprestatie aan de zijde van M.E. Beheer c.s. faalt.

4.5.

Voorts stelt [eiser] dat M.E. Beheer c.s. - in groepsverband

(artikel 6:166 BW) - op basis van het hofarrest [eiser] feitelijk en vakkundig hebben kunnen uitsluiten van zijn (aandeelhouders)rechten door hem (en [Y]) uit de IJsselinvest-groep te stoten.

Of al dan niet sprake is geweest van onrechtmatig handelen in groepsverband is (mede) afhankelijk van het antwoord op de vraag of M.E. Beheer en Embo het arrest al dan niet onrechtmatig ten uitvoer hebben gelegd.

4.6.

De rechtbank ziet aanleiding de procedure bij het verwijzingshof af te wachten, alvorens verdere beslissingen te nemen. Daarvoor is het volgende redengevend.

Thans bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen duidelijkheid over de vraag of M.E. Beheer en Embo ten onrechte het arrest van het gerechtshof Arnhem hebben ten uitvoer gelegd. Gelet op het arrest van de Hoge Raad zal het verwijzingshof de geldigheid van de overeenkomsten van 9 augustus 2005 hebben te beoordelen. Anders dan [eiser] stelt is de discussie over de geldigheid van de overeenkomsten van augustus 2005 dan ook nog niet ten einde.

4.7.

Mocht komen vast te staan dat de overeenkomsten van 9 augustus 2005 rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, dan volgt daaruit naar het oordeel van de rechtbank dat (in elk geval) M.E. Beheer en/of Embo onrechtmatig hebben gehandeld door voormelde uitvoeringshandelingen te verrichten. In dat geval zal nader moeten worden beoordeeld of en in hoeverre daarmee ook onrechtmatig is gehandeld jegens [eiser] in zijn verschillende hoedanigheden.

4.8.

Echter, niet valt uit te sluiten dat het verwijzingshof zal oordelen dat M.E. Beheer c.s. niet gebonden zijn aan de gewraakte overeenkomsten, zodat het terugdraaien ervan niet als onrechtmatig kan worden beschouwd. In dat geval dienen de vorderingen die [eiser] in onderhavige procedure heeft ingesteld te worden afgewezen.

4.9.

M.E. Beheer c.s. hebben nog bepleit dat de vorderingen van [eiser] direct afgewezen dienen te worden omdat op dit moment niet gezegd kan worden dat zij onrechtmatig hebben gehandeld, doch de rechtbank acht dit gelet op de verwijzingsprocedure die nog gaande is niet aangewezen. Daarbij speelt een rol dat gelet op de beslagen die [eiser] heeft doen leggen hij tevens verplicht was binnen 28 dagen een eis in te stellen.

4.10.

Niet te verwachten is dat de procedure bij het verwijzingshof op korte termijn zal zijn afgerond, zodat de rechtbank de zaak voor langere termijn zal aanhouden. Op verzoek van partijen kan de zaak desgewenst op de parkeerrol worden geplaatst in afwachting van het arrest van het verwijzingshof. Nadat arrest is gewezen dienen partijen het arrest in deze procedure te overleggen waarna partijen gelijktijdig een akte mogen nemen.

in voorwaardelijke reconventie

4.11.

Omdat de reconventionele vordering afhankelijk is van het antwoord op de vraag of de conventionele vorderingen worden afgewezen, dient de beoordeling van de reconventionele vordering eveneens te worden aangehouden.

in conventie en voorwaardelijke reconventie

4.12.

De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet mede kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 januari 2014 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder 4.10.,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan,

in voorwaardelijke reconventie

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst, mr. I.F. Clement en mr. M. Willemse en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2013.