Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2339

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
30-09-2013
Zaaknummer
Awb 13/1847
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last tot verwijdering van een zeecontainer, aanhangwagens en trailers en zes lichtmasten, alsmede aantal paarden terug te brengen tot vier en verhuur van paardenboxen en geven van rijlessen te staken; uit Activiteitenbesluit volgt niet dat bij het houden van 5 of meer paarden altijd sprake is van een meldingsplichtige inrichting; gedeeltelijke toewijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/1847

uitspraak van de voorzieningenrechter in het geschil tussen

[verzoeker],

wonende te Deventer, verzoeker,

gemachtigde: mr. R. Wilschut,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder.

13/1847

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2013 heeft verweerder verzoeker op straffe van een dwangsom gelast uiterlijk voor 1 september 2013 van het perceel aan de [adres] Deventer, kadastraal bekend sectie L, nr. 4364/4365, een zeecontainer, aanhangwagens en trailers en zes lichtmasten te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede het aantal paarden terug te brengen tot vier en de verhuur van paardenboxen en het geven van rijlessen te staken.

Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Op 11 augustus 2013 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 23 augustus 2013 heeft verweerder besloten de begunstigingstermijn te wijzigen en vast te stellen op uiterlijk 13 oktober 2013.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het bezwaar mede betrekking op het besluit van 23 augustus 2013.

Het verzoek is ter zitting van 12 september 2013 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. B. Steenbruggen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2. De voorzieningenrechter neemt de volgende, niet betwiste feiten als vaststaand aan. Verzoeker is met zijn partner woonachtig op het onder Procesverloop omschreven perceel en houdt paarden. Ten tijde van het bestreden besluit ging het om 4 eigen paarden en een veulen en drie pensionpaarden. Tijdens de behandeling ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat er inmiddels 4 pensionpaarden gestald zijn, naast de vier eigen paarden. Het veulen is verkocht. De paarden worden gestald in een schuur, waarvoor verweerder bij besluiten van 11 januari 2001 en 8 november 2001 vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend. Op het perceel bevindt zich een manegebak, waarin de paarden worden bereden.

3. Bij besluit van 2 augustus 2013 heeft verweerder verzoeker op straffe van een dwangsom gelast om uiterlijk voor 1 september 2013 (thans:13 oktober 2013):

  1. de geplaatste schuilgelegenheid in de vorm van een zeecontainer te verwijderen en verwijderd te houden. De hoogte van de dwangsom is vastgesteld op € 2500,- per maand of een gedeelte daarvan met een maximum van € 10.000,-;

  2. de bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot het houden van paarden te staken en gestaakt te houden. Dit betekent dat alleen het stallen en berijden van maximaal vier eigen paarden is toegestaan. Verhuur van paardenboxen aan derden voor de stalling van paarden en ook het geven van rijlessen is niet toegestaan. De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 3750,- per maand of een gedeelte daarvan met een maximum van € 15.000,-;

  3. de bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot de handel, reparatie en verhuur van trailers te staken en gestaakt te houden. Verzoeker moet de aanwezige aanhangwagens en trailers verwijderen en verwijderd houden. De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 3750,- per maand of een gedeelte daarvan met een maximum van € 15000,- ;

  4. De zes lichtmasten rondom de paardenbak te verwijderen en verwijderd te houden. De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 2000,-.

4. Artikel 2.1, eerste lid,van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;

e. 3˚ het in werking hebben van een inrichting.

Ingevolge artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo is het verboden een bouwwerk of een deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

Ingevolge Bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, onderdeel C, categorie 8.1 onder a, zijn aangewezen als inrichting: inrichtingen voor het houden van dieren.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid van de Wet milieubeheer (hierna: Wmb) wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge artikel 1.1, derde lid, van de Wmb worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wmb wordt elders in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder inrichting verstaan een inrichting behorende tot een categorie die krachtens het derde lid aangewezen.

Ingevolge artikel 1.10, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer meldt degene die een inrichting opricht dit ten minste vier weken voor oprichting aan het bevoegd gezag.

Zie verder onderdeel C, en Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 1.18, eerste lid.

Ingevolge artikel 1.18, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden bij een melding als bedoeld in artikel 1.10, indien in de inrichting ten minste 5 paarden worden gehouden in dierenverblijven tevens de in dat artikellid vermelde gegevens verstrekt.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Het tweede lid bepaalt dat de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Ingevolge 5:32 eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op leggen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:32b, derde lid, van de Awb staan de bedragen van de dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

Ter plekke is het bestemmingsplan “Spijkvoorderenk” en “Spijkvoorderenk, eerste partiële herziening van toepassing.

Ingevolge artikel 11.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de voor “Wonen-2” aangewezen gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken, tuinen en verhardingen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis, conform het gestelde in artikel 16.2.

Ingevolge artikel 1.10 van de planvoorschriften moet onder “beroep of bedrijf aan huis” worden verstaan:

“een beroep of bedrijf dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

Ingevolge artikel 16.2, aanhef en onder e, van de planvoorschriften wordt gebruik van ruimten binnen een woning ten behoeve van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de voorwaarde dat geen detailhandel of groothandel plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn de voor “Groen-Landelijk groen” aangewezen gronden onder meer bestemd voor weilanden met bijbehorende voorzieningen waaronder mede de bestaande paardenbak wordt verstaan.

Ingevolge artikel 7.2.1 mogen op deze gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

Ingevolge artikel 7.2.2a mag voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de bouwhoogte niet meer bedragen dan 2 meter.

5 Zeecontainer

5.1

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 maart 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC6428) is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat de zeecontainer als gebouw dient te worden aangemerkt, en daarmee als vergunningplichtig bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, omdat de container is bedoeld om gedurende langere tijd ter plekke te functioneren als schuilgelegenheid voor de paarden. Vaststaat dat verzoeker niet beschikt over een bouwvergunning voor de container, zodat verweerder bevoegd is ter zake handhavend op te treden, hetgeen verzoeker overigens ook niet bestrijdt.

5.2

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zondanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5.3

Ter plekke van de zeecontainer geldt de bestemming “Groen-Landelijk groen”. Ingevolge artikel 7.2.1 van de planvoorschriften zijn ter plekke geen gebouwen toegestaan. Daarmee is van concreet zicht op legalisatie geen sprake. Verzoeker voert echter aan dat handhaving onevenredig en onbehoorlijk is nu verweerder tot handhaving is overgegaan zonder behoorlijk te reageren op verzoekers schetsplan voor een in het verlengde van de bestaande schuur, ter plekke van de bestemming “Wonen-2” op te richten kapschuur.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het door verzoeker ingediende schetsplan betrekking heeft op een ander gebouw dan de zeecontainer waarop de last onder dwangsom ziet.

Reeds om die reden treft verzoekers grief geen doel.

5.4

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom tot verwijdering van de zeecontainer en dat vooralsnog geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van deze bevoegdheid.

5.5

Ter zitting heeft verzoeker aangegeven aan de last te zullen voldoen en in afwachting van een definitieve oplossing, in de vorm van een kapschuur in het verlengde van de bestaande schuur, de zeecontainer te verplaatsen naar een plek binnen de bestemming “Wonen-2”, waarbij verzoeker er vanuit gaat dat de zeecontainer op die plek vergunningvrij kan worden geplaatst. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat de gang van zaken rond het door verzoeker ingediende schetsplan voor de kapschuur niet zorgvuldig is geweest. De gemachtigde van verweerder heeft toegezegd dat de procedure tot vergunningverlening voor het schetsplan op korte termijn zal worden hervat.

De gemachtigde van verweerder heeft voorts aangegeven dat, mocht van een vergunningplicht voor het plaatsen van de container op de beoogde tijdelijke locatie sprake zijn, hij bij het gemeentebestuur zal bepleiten niet tot handhaving over te gaan, onder de voorwaarde dat concreet zicht is op realisatie van een definitieve oplossing.

De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat verzoeker de zeecontainer zal verplaatsen voor het verstrijken van de begunstigingstermijn op 13 oktober 2013.

6 Lichtmasten

6.1

Vaststaat, en niet in geschil is, dat verzoeker naast de paardenbak, ter plekke van de bestemming “Groen-Landelijk groen” 6 lichtmasten met een hoogte van 5 meter heeft geplaatst zonder de daarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo benodigde vergunning.

Daaruit volgt dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van een dwangsom tot

verwijdering en het verwijderd houden van de lichtmasten

6.2

Niet kan worden gezegd dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet van deze bevoegdheid gebruik kan maken.

Verzoeker doet in dat verband een beroep op een in 2001 gesloten overeenkomst tussen de gemeente Deventer en verzoeker tot koop en levering van het in geding zijnde perceel, op grond waarvan verzoeker er op mocht vertrouwen dat de lichtmasten op het perceel zonder vergunning opgericht mochten worden, in ieder geval dat verweerder tegen het ontbreken van een vergunning niet handhavend zou optreden.

6.3

De voorzieningenrechter stelt vast dat in de betreffende overeenkomst, in artikel 12, derde lid, staat dat op het in eigendom over te dragen perceel een open manegebak met verlichting mag worden aangelegd. Hierbij is geen hoogte voor de lichtmasten bepaald. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker aan deze bepaling uit de overeenkomst met de gemeente Deventer het gerechtvaardigde vertrouwen mogen ontlenen dat hij verlichting mocht aanbrengen rond de manegebak. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat weliswaar niet verweerder, maar de burgemeester namens de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Deventer, de overeenkomst met verzoeker heeft gesloten, doch acht verweerder wel gebonden aan deze toezegging.

6.4

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de overeenkomst evenwel niet de rechtens te honoreren verwachting worden afgeleid dat iedere vorm van verlichting, ongeacht de afmetingen, is toegestaan en dat indien hoogte van de verlichting meer zou bedragen dan de in het bestemmingsplan voorgeschreven maximale bouwhoogte van 2 meter, verweerder niet handhavend zal optreden.

6.5

In het bestreden besluit heeft verweerder reeds aangegeven bereid te zijn vergunning te verlenen voor de bestaande lichtmasten indien verzoeker door middel van lichtonderzoek kan aantonen dat de lichtmasten geen overlast geven op de omliggende woningen.

De voorzieningenrechter gaat er op grond van het verhandelde ter zitting vanuit dat voor het verstrijken van de begunstigingstermijn op 13 oktober 2013 nader overleg tussen partijen zal plaatsvinden over de noodzaak van dat lichtonderzoek door verzoeker en dat verzoeker een vergunningaanvraag bij verweerder zal indienen ter legalisering van de lichtmasten.

7 Bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot aanhangwagens en trailers.

7.1

Uit de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker ten tijde van het bestreden besluit via internet, via de website van zijn eenmanszaak [naam], op het in geding zijnde perceel, ter plekke van de bestemming “Wonen-2” paardentrailers en aanhangers te koop en te huur aanbood aan particulieren met de mogelijkheid deze ter plaatse te bekijken. Ook stonden de uit Tsjechië geïmporteerde trailers maximaal 1 dag gestald op het in geding zijnde perceel.

7.2

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker gelet op deze bedrijfsactiviteiten zich ten tijde van het bestreden besluit bezig hield met detailhandel als bedoeld in het bestemmingsplan, zodat het perceel door hem in strijd daarmee werd gebruikt.

Dat ter plekke geen sprake was van een handelsvoorraad en dat de gewenste aanhanger of trailer niet ter plekke werd afgehaald, maar door verzoeker werd afgeleverd bij de koper, doet hieraan niet af.

7.3

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom tot beëindiging van de verkoop en verhuur van aanhangwagens en trailers vanaf in het geding zijnde perceel. Dat tevens sprake was van reparatie van aanhangwagens en trailers is de voorzieningenrechter overigens vooralsnog niet gebleken.

Niet gebleken is dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van deze bevoegdheid.

7.4

Ter zitting heeft verzoeker aangeven dat hij zijn provider opdracht heeft gegeven de vermelding van het adres [adres] Deventer als bezoekadres van [naam] van de website te verwijderen, dat het stallen van de voor de verkoop bestemde trailers op het in geding zijnde perceel is beëindigd en niet meer zal plaatsvinden en dat de handelsactiviteiten zijn verplaatst naar Neede. Ter plekke staan alleen nog de trailers van verzoeker en van derden die paarden bij verzoeker stallen. Het betreft maximaal zes trailers, aldus verzoeker ter zitting.

7.5

De gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat, indien het door verzoeker gestelde juist is, verzoeker aan de last heeft voldaan. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat verzoeker een afspraak kan maken met verweerder voor een controle van de kentekens van de gestalde trailers om vast te stellen dat de last is nageleefd.

8 Bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot het houden van paarden.

8.1

Volgens verweerder is sprake van het bedrijfsmatig houden van dieren nu er in de stal meer dan vier paarden worden gestald, waaronder drie pensionpaarden. Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer ontstaat bij het houden van ten minste vijf paarden een inrichting die meldingsplichtig is. Vanaf het houden van vijf paarden wordt de omvang gezien als ware het bedrijfsmatig. Naast het verhuren van stalboxen aan derden en het fokken van een veulen wordt in de paardenbak paardrijles gegeven. Door deze activiteiten is volgens verweerder sprake van een inrichting met een meldingsplicht. Verzoeker heeft een dergelijke melding niet gedaan, waardoor sprake is van een overtreding. Legalisatie is niet mogelijk omdat niet wordt voldaan aan de vaste afstanden van de omliggende woningen

Bovendien is het bedrijfsmatig houden van dieren in strijd met de vigerende bestemming. Wijziging van de bestemming in ”Agrarisch” of “Recreatie-manege” is niet mogelijk omdat het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen teveel zou worden aangetast.

8.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het Activiteitenbesluit niet volgt dat bij het houden van 5 paarden of meer altijd sprake is van een meldingplichtige inrichting. Van een inrichting is eerst sprake indien voldaan wordt aan de in artikel 1.1, eerste lid, van de Wmb neergelegde definitie van inrichting. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat verzoeker met het stallen van meer dan vier paarden aan deze definitie voldoet.

8.3

Voor wat betreft de door verweerder gestelde bedrijvigheid in de vorm van het geven van rijlessen heeft verweerder niet gemotiveerd in welke vorm en op welke schaal de lessen worden gegeven Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat hij geen diploma’s heeft om les te geven en dat hij geen paardrijlessen geeft of laat geven, maar dat hij ruiters die de paarden van verzoeker berijden en de berijders van de pensionpaarden op verzoek aanwijzingen geeft.

8.4

Indien het lesgeven inderdaad niet meer behelst dan hetgeen verzoeker hierover ter zitting heeft verklaard is van een bedrijfsmatige of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was ondernomen bedrijvigheid naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

8.5.

Hieruit volgt dat onvoldoende vast staat dat sprake is van een inrichting in de zin van de Wmb en van een overtreding van het Activiteitenbesluit.

8.6

Voorts staat onvoldoende vast dat met het houden van meer dan vier paarden sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Verweerder heeft bij besluit van 11 januari 2001 en 8 november 2001 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een schuur met daarin 8 tot 10 paardenboxen. Niet duidelijk is wat verweerder met het verlenen van de vrijstelling en bouwvergunningen heeft beoogd toe te staan voor wat betreft het te houden aantal paarden. Verweerder heeft daarover ter zitting geen uitsluitsel kunnen geven.

8.7

Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in het besluit, noch ter zitting genoegzaam heeft gemotiveerd waarom verweerder van mening is dat de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Verweerder zal hier bij de beslissing op bezwaar aandacht aan dienen te besteden

8.8

De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en de last onder dwangsom tot het terugbrengen van het aantal te stallen en te berijden paarden tot maximaal vier eigen paarden, het beëindigen van de verhuur van paardenboxen aan derden en het geven van rijlessen, te schorsen.

9. Verweerder wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) veroordeeld in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb vast op € 944, - (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472, - en een wegingsfactor 1). De door verzoeker gemaakte reiskosten om de zitting te kunnen bijwonen worden vastgesteld op € 11,40 (op basis van tweede klas openbaar vervoer Deventer-Zwolle).

Verzoeker heeft de hoogte van de gestelde verletkosten van € 318,54, niet gemotiveerd.

De verletkosten van verzoeker worden door de voorzieningenrechter om die reden vastgesteld op € 127,50 (3 uur, € 42,50, - per uur, waarbij € 42,50 het gemiddelde is van het minimum en het maximumtarief neergelegd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb). De proceskosten worden in totaal derhalve begroot op € 1082,90.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, voor zover dat ziet op het bedrijfsmatig houden van paarden en schorst de last tot het terugbrengen van het aantal te stallen en te berijden paarden tot maximaal vier eigen paarden, tot het beëindigen van de verhuur van paardenboxen aan derden en tot het geven van rijlessen tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1082,90 te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, voorzieningenrechter, en door haar en mr. A. Landstra als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.