Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2323

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
08-05-2014
Zaaknummer
C-07-200391 - HZ ZA 12-186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van gemeente tot nakoming van vaststellingsovereenkomst, naar aanleiding van geschil over WMO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

C/07/200391 / HZ ZA 12-18615 mei 2013

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/07/200391 / HZ ZA 12-186

Vonnis van 15 mei 2013

in de zaak van

1 [A],

wonende te [plaats],

2. [B],

wonende te [plaats],

eisers,

advocaat mr. D.S. Muller,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZWARTEWATERLAND,

zetelend te Hasselt,

gedaagde,

advocaat mr. W.E.M. Klostermann.

Partijen zullen hierna [A], [B], [A, B c.s.] (eisers gezamenlijk) en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de akte na dupliek

  • -

    de antwoordakte.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 18 januari 2004 heeft [B], de vader van (de destijds minderjarige) [A], voor [A] een aanvraag gedaan op grond van de Wet Voorziening Gehandicapten (verder: WVG). Op 18 mei 2005 heeft de Gemeente deze aanvraag afgewezen. Op 10 november 2005 is het bezwaar dat [B] tegen dit besluit heeft gemaakt ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft op 12 oktober 2006 het beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar d.d. 10 november 2005 vernietigd. De Gemeente heeft op 7 januari 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen waarin [A] een financiële bijdrage is toegekend voor het realiseren van een uitraaskamer en natte cel voor het bedrag van € 44.741,18 inclusief BTW. [A, B c.s.] heeft tegen dit besluit opnieuw beroep ingesteld.

2.2.

Hangende de beroepsprocedure heeft [A, B c.s.] op 19 februari 2009 bij de Gemeente een aanvraag gedaan op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (verder: WMO) voor woningaanpassing. Omdat de aanvraag op grond van de WVG en WMO zodanig met elkaar verweven zijn, zijn partijen na een mediationtraject gevolgd te hebben, op 5 oktober 2009 een minnelijke regeling met elkaar overeengekomen. Deze regeling is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

2.3.

In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen met elkaar het navolgende overeengekomen:

“1.

De WVG-procedure wordt door intrekking van het beroep beëindigd.

2.

De lopende WMO-aanvraag wordt afgewikkeld. Het programma van eisen m.b.t. een daaruit voortvloeiende woonvoorziening wordt door Argonaut Advies B.V. in overleg met de gemeente en [A, B c.s.] opgesteld waarna de wettelijke procedure zoals t.a.v. begroting, goedkeuring en toekenning wordt gevolgd. Een en ander resulteert in een beschikking over de goedkoopst adequate voorziening en de daaraan verbonden financiële verplichting voor de gemeente. Die financiële verplichting wordt als [A, B c.s.] dat wenst losgekoppeld van de toegekende voorzieningen, en in het navolgende als financiële toekenning aangeduid.

3.

De financiële toekenning in het kader van de WMO-procedure wordt, met een minimum van € 50.000, beschikbaar gesteld voor het realiseren van adequate woonruimte voor Marisa waaronder mede is te verstaan het verwerven van een kavel of andere woonruimte (dan [adres] te [plaats]) mede ten behoeve van [A], ongeacht of dat bedrag wordt besteed in de gemeente of elders. Op de toegekende financiële bijdrage wordt over de periode tussen toekenning (beschikking) en uitbetaling het CBS-prijscijfer voor de nieuwbouw toegepast.

4.

De gemeente voldoet binnen veertien dagen na wederzijdse ondertekening van deze overeenkomst een bedrag van € 2.220,-- (schrijve: twee duizend tweehonderd Euro) aan [A, B c.s.], zulks tegen finale kwijting en décharche voor al hetgeen [A, B c.s.] te vorderen heeft of mocht krijgen uit hoofde van de aanvankelijke afwijzing van de WVG-voorziening, zonder ter zake de door [A, B c.s.] gestelde onrechtmatigheid van deze eerdere besluitvorming en/of aansprakelijkheid daarvoor te erkennen.

5.

[A, B c.s.] neemt de inspanningsverplichting op zich om ten behoeve van [A] binnen of buiten het grondgebied van de gemeente een adequate woonvoorziening te realiseren. Daartoe wordt hem een termijn van vijf jaar na de toekenning gegund, met de mogelijkheid tot (stilzwijgende) verlenging van die termijn. Is die voorziening binnen drie jaar na heden nog niet gerealiseerd dan zal de stand van zaken tussentijds worden geëvalueerd. De gemeente zegt toe [A, B c.s.] voor te lichten en zoveel mogelijk behulpzaam te zijn bij het realiseren van een adequate woonvoorziening voor [A] in of buiten de gemeente.

De gemeente en Heijboer stellen elkaar over en weer steeds desgevraagd op de hoogte van de voortgang in de uitvoering van de overeenkomst.

6.

De gemeente vergoedt aan [A, B c.s.] de niet door hem verzekerde kosten van rechtsbijstand tot maximaal

€ 4000,-- zijnde het ten tijde van de mediation door mr. Sluyter ingeschatte maximale verschil tussen de door [A, B c.s.] gemaakte kosten van rechtsbijstand en de dekking daarvan door de rechtsbijstandverzekeraar van [A, B c.s.]. Indien dat bedrag onverhoopt zou worden overschreden vindt over eventuele vergoeding van het meerdere tussen de gemeente en [A, B c.s.] nader overleg plaats.

7.

Na effectuering van hetgeen hierboven is overeengekomen verlenen de gemeente en [A, B c.s.] elkaar over en weer finale kwijting en decharge ter zake van de lopende WVG- en WMO-aanvraag en zien zij ervan af gehele of gedeeltelijk vernietiging danwel ontbinding van deze vaststellingsovereenkomst te vorderen.”

2.4.

Partijen zijn mondeling overeengekomen dat de Gemeente binnen zes weken na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst een besluit ten aanzien van de WMO-aanvraag zou nemen.

2.5.

Op 25 maart 2010 heeft de Gemeente een beslissing genomen op de WMO-aanvraag van [A, B c.s.]

De Gemeente heeft daarbij, voor zover thans van belang, het navolgende beslist:

“(…)

Artikel 4 van de Wmo bepaalt dat het college van B&W, ter compensatie van de beperkingen, die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en in zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouding te voeren. Vraag is wat verstaan moet worden onder het voeren van een huishouding. Naar het oordeel van de commissie houdt dit in dat er van moet worden uitgegaan dat het in de Wmo gaat om aanpassingen van bestaande woningen en of de vergoeding van de verhuizing naar een meer geschikte woning. Dat betekent dat u zelf verantwoordelijk bent voor het zoeken naar een woning. Wanneer deze op grond van beperkingen aangepast dient te worden kan een beroep gedaan worden op de Wmo.

U hebt aangegeven dat op grond van de Wmo gevraagd wordt woonruimte te creëren voor uw dochter in de vorm van het plaatsen van een eigen woning op uw perceel, zodat zij daar onder uw begeleiding kan wonen en leven.

De commissie is van mening dat de Wmo hiervoor niet bedoeld is.

Wel kan medewerking verleend worden aan het geschikt maken van de kantoorruimte voor een slaapkamer met natte cel. Door het realiseren van een slaapkamer met natte cel op de beneden verdieping worden de beperkingen die [A] ondervindt bij het traplopen, gecompenseerd.

(…).”

Op 12 oktober 2010 is het tegen dit besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Op 24 maart 2011 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar d.d. 12 oktober 2010 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen conform hetgeen door partijen in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen.

2.6.

Op 19 juli 2011 heeft de Gemeente een nieuw besluit genomen. Dit besluit houdt in dat de Gemeente aan [A, B c.s.] een financiële tegemoetkoming geeft in de vorm van een persoonsgebonden budget (verder: PGB) ad € 60.027,20 (inclusief 6% BTW over de arbeidsuren, zijnde € 4.000,00 en 19% BTW over het overige). Dit bedrag is tot stand gekomen op basis van de offerte van Hodes Bouwsystemen. Daarbij heeft de Gemeente aangegeven dat dit bedrag exclusief de kosten is genoemd in punt 7 a t/m e van het besluit, zijnde:

  1. sonderingen en advieskosten/milieuonderzoek;

  2. schone grond verklaring voor eventueel af te voeren grond;

  3. stortkosten verontreinigde grond;

  4. precariokosten;

  5. leges- en welstandskosten.

2.7.

[A, B c.s.] heeft tegen de uitspraak van de rechtbank d.d. 24 maart 2011 hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

2.8.

De Gemeente heeft het bij beslissing van 19 juli 2011 toegekende bedrag niet voldaan aan [A, B c.s.]

3 Het geschil

3.1.

[A, B c.s.] vordert, uitvoerbaar bij voorraad:

I.

Primair

De Gemeente te veroordelen tot betaling aan [A, B c.s.] van het bedrag ad € 60.027,20 welk bedrag gecorrigeerd dient te worden met het huidige BTW tarief van 19%, vermeerderd met de kosten zoals vermeld in artikelen 7 a t/m e van het besluit d.d. 19 juli 2011 alsmede de totale kosten te vermeerderen met het CBS-prijsindexcijfer over de periode tussen primair 16 november 2009 en de dag der algehele betaling dan wel subsidiair vanaf 25 maart 2010, meer subsidiair vanaf 12 oktober 2010 meer subsidiair vanaf 19 juli 2011 tot de dag der algehele betaling dan wel vanaf een zodanige dag als de rechtbank in goede justitie geraden acht;

Subsidiair

De Gemeente te veroordelen tot betaling aan [A, B c.s.] van het bedrag ad € 50.000,00 zoals vermeld in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie geraden acht, te vermeerderen met het CBS-prijsindexcijfer over de periode tussen primair 16 november 2009 en de dag der algehele betaling dan wel subsidiair vanaf 25 maart 2010, meer subsidiair vanaf 12 oktober 2010 meer subsidiair vanaf 19 juli 2011 tot de dag der algehele betaling dan wel vanaf een zodanige dag als de rechtbank in goede justitie geraden acht;

II.

De Gemeente te veroordelen tot betaling aan [A, B c.s.] van de wettelijke rente over het totaalbedrag zoals vermeld onder I vanaf de dag van verzuim, zijnde 28 december 2009 subsidiair vanaf 6 mei 2010, meer subsidiair vanaf 31 augustus 2011 tot de dag der algehele betaling, dan wel vanaf een zodanige datum als de rechtbank in goed justitie geraden acht;

III.

De Gemeente te veroordelen tot betaling aan [A, B c.s.] van het bedrag ad € 4.000,00 aan kosten rechtsbijstand zoals in artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim zijnde 26 april 2012, dan wel vanaf een zodanige dag als de rechtbank in goede justitie geraden acht;

IV.

Te verklaren voor recht dat de Gemeente is tekortgeschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst alsmede dat de Gemeente aansprakelijk is voor de door [A, B c.s.] geleden en nog te lijden schade;

V.

De zaak te verwijzen naar een schadestaatsprocedure zodat de schade kan worden opgemaakt bij staat en kan worden vereffend volgens de wet;

VI.

De Gemeente te veroordelen aan [A, B c.s.] te betalen de buitengerechtelijke kosten ad

€ 1.788,00 alsmede de Gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding alsmede de nakosten.

3.2.

De Gemeente voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[A, B c.s.] legt aan zijn vorderingen sub I. en II. het navolgende ten grondslag. Partijen zijn overeengekomen dat de Gemeente op basis van de reeds bij hen bekende offerte binnen zes weken na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst een besluit zou nemen zoals in de vaststellingsovereenkomst was overeengekomen. Pas op 25 maart 2010 heeft de Gemeente het besluit genomen. Daarbij heeft zij de WMO-aanvraag deels afgewezen. Bij besluit d.d. 25 oktober 2010 is het bezwaar ongegrond verklaard. Deze beslissing op bezwaar is echter vernietigd en zodoende heeft de Gemeente op 19 juli 2011 een nieuw besluit op bezwaar genomen. In dit besluit heeft de Gemeente bepaald dat [A, B c.s.] het bedrag van € 60.027,20 wordt toegekend te vermeerderen met de in punt 7 a t/m e van het besluit genoemde kosten. Hiermee is het besluit een uitwerking, en dus een onderdeel geworden van de tussen partijen overeengekomen vaststellingsovereenkomst. Omdat de Gemeente het besluit niet is nagekomen is de Gemeente op grond van artikel 6:74 BW toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de (vaststellings)overeenkomst. [A, B c.s.] vordert nakoming van deze overeenkomst.

4.2.

Bij conclusie van antwoord heeft de Gemeente het navolgende (ten verwere) gesteld.

Nu [A, B c.s.] het niet eens zijn met het besluit van de Gemeente d.d. 19 juli 2011 maar wel uitvoering vorderen, varen zij een ongerijmde koers. Immers, enerzijds zijn zij het oneens met het bestreden besluit en vechten zij het aan bij de bestuursrechter, anderzijds eisen zij bij de civiele rechter wel uitvoering van genoemd besluit. Op zichzelf is het besluit d.d. 19 juli 2011 wel in werking getreden, zodat het ook uitgevoerd kan worden. De Gemeente heeft tot voor kort van die uitvoering afgezien, omdat het standpunt van [A, B c.s.] is dat het bouwplan waarvoor de middelen toegekend zijn, niet voor dit bedrag uitgevoerd kan worden. Uiteraard voelt de Gemeente er niets voor dat geld wordt uitbetaald aan [A, B c.s.] dat vervolgens niet feitelijke gebruikt wordt conform het toekenningsbesluit. Evenwel heeft de Gemeente, na ampel beraad, besloten om alsnog over te gaan tot uitbetaling van het toegekend bedrag. Dit bedrag zal een dezer dagen worden overgemaakt naar de rekening van [A, B c.s.] De betaling zal de verplichting voor [A, B c.s.] meebrengen om ook daadwerkelijk over te gaan tot uitvoering van het bouwplan waarvoor het bedrag is aangevraagd en toegekend, aldus de Gemeente.

Bij antwoordakte stelt de Gemeente dat het College [A, B c.s.] nog niet heeft uitbetaald omdat [A, B c.s.] het toegekende bedrag heeft aangevochten, daarmee dus niet tevreden is en niet gewaarborgd is dat [A, B c.s.] dit bedrag ook daadwerkelijk gaat aanwenden met inachtneming van de bepalingen van de Wmo. De Gemeente heeft [A, B c.s.] geschreven dat het bedrag betaalbaar wordt gesteld indien [A, B c.s.] schriftelijk verklaart akkoord te gaan met de aan het persoonsgebonden budget verbonden voorschriften.

4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt over de vordering sub I.

Partijen zijn het er over eens dat het aanhangige hoger beroep er niet aan in de weg staat dat het besluit wordt uitgevoerd. Immers ingevolge het bepaalde in artikel 6:16 Awb schort het beroep de werking van het besluit waartegen het is gericht niet. Voorts staat als door [A, B c.s.] gesteld en door de Gemeente niet betwist vast dat het toegekende bedrag in hoger beroep niet naar beneden kan worden bijgesteld. De rechtbank is van oordeel dat, conform hetgeen partijen (ook) zijn overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst (de wijze waarop) de omvang van de financiële bijdrage (boven de € 50.000,00, het minimumbedrag waarop de Gemeente zich heeft vastgelegd) wordt vastgesteld, dient te geschieden conform de WMO, een publiekrechtelijke regeling, waarover bij uitsluiting de bestuursrechter kan oordelen. Bij de beoordeling daarvan is (derhalve) geen taak weggelegd voor de burgerlijke rechter. Dit ligt, gelet op hetgeen partijen zijn overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst, anders als het gaat om de uitvoering van het in het kader van de WMO-procedure door de Gemeente genomen besluit. Partijen hebben daarover immers afspraken gemaakt die wel door de burgerlijke rechter kunnen worden getoetst. Blijkens de inhoud van de vaststellingsovereenkomst wordt, als [A, B c.s.] dit wenst, de financiële verplichting losgekoppeld van de toegekende voorziening (zie 2.3 onder 2) en neemt [A, B c.s.] de inspanningsverplichting op zich om ten behoeve van zijn dochter binnen of buiten het grondgebied van de gemeente een adequate woonvoorziening te realiseren. Daartoe wordt hem een termijn van vijf jaar na de toekenning gegund, met de mogelijkheid tot (stilzwijgende) verlenging van die termijn (zie 2.3 onder 5). Naar het oordeel van de rechtbank kan de Gemeente dan ook niet (meer) van [A, B c.s.] verlangen dat hij schriftelijk verklaart akkoord te gaan met de aan het persoongebonden budget verbonden voorschriften. De Gemeente is derhalve gehouden over te gaan tot uitbetaling van bij besluit d.d. 19 juli 2011 toegekend bedrag. In zoverre is de primaire vordering sub I. toewijsbaar.

Voorts blijkt uit de vaststellingsovereenkomst dat is overeengekomen dat op de toegekende financiële bijdrage over de periode tussen toekenning (beschikking) en uitbetaling het CBS-prijsindexcijfer voor de nieuwbouw wordt toegepast. Dit ziet blijkens de duidelijke bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst derhalve niet op de inhoud van de beslissing in het kader van de (publiekrechtelijke) WMO-procedure, doch dit dient door de Gemeente te worden betaald boven de financiële toekenning (bij het besluit van 19 juli 2011) in het kader van die procedure. Dit onderdeel van de primaire vordering sub I. is dus eveneens toewijsbaar. De rechtbank zal voor de ingangsdatum van het CBS-prijsindexcijfer uitgaan van 19 juli 2011, conform de tekst van de vaststellingsovereenkomst.

Dit ligt anders voor de gevorderde correctie met het huidige BTW tarief. Het BTW-tarief maakt wel onderdeel uit van de in het kader van de WMO-procedure vast te stellen financiële bijdrage, derhalve van de inhoud van het besluit, waarover bij uitsluiting de bestuursrechter kan oordelen, zodat hier aan de burgerlijke rechter geen bevoegdheid toekomt. Dit onderdeel van de vordering sub I. moet worden afgewezen.

4.4.

De rechtbank oordeelt als volgt over de vordering sub II.

Tegen de gevorderde wettelijke rente is door de Gemeente geen verweer gevoerd. Nu

vaststaat dat partijen zijn overeengekomen dat de Gemeente binnen zes weken na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst een besluit ten aanzien van de WMO-aanvraag zou nemen en uit de vaststaande feiten blijkt dat de Gemeente zich hieraan niet heeft gehouden, zal de rechtbank als primair gevorderd de wettelijke rente toewijzen vanaf 28 december 2009.

4.5.

De vordering sub III moet als onvoldoende door [A, B c.s.] onderbouwd worden afgewezen. Blijkens de duidelijke bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst is de Gemeente slechts gehouden tot betaling van maximaal € 4.000,00 in het geval de door [A, B c.s.] gemaakte kosten van rechtsbijstand hoger zijn dan de dekking door de rechtsbijstandverzekeraar van [A, B c.s.] heeft evenwel op geen enkele wijze onderbouwd en/of aannemelijk gemaakt welke kosten voor rechtsbijstand hij heeft gemaakt en welk bedrag daarvan door zijn rechtsbijstandverzekeraar is vergoed of gedekt.

4.6.

Nu [A, B c.s.] op geen enkele wijze heeft onderbouwd welke schade hij heeft geleden door de handelwijze van de Gemeente dient de vordering sub V. te worden afgewezen. De vordering sub IV. dient wegens gebrek aan belang te worden afgewezen.

4.7.

De rechtbank wijst de vordering sub VI. af nu [A, B c.s.] - mede gezien het bestuurlijke traject waarin aan [A, B c.s.] ook kosten zijn vergoed - niet voldoende heeft onderbouwd dat er werkzaamheden zijn verricht en kosten zijn gemaakt als bedoeld in het rapport Voorwerk.

4.8.

De Gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A, B c.s.] worden begroot op:

- dagvaarding € 101,12

- griffierecht 821,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 3.157,12

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de Gemeente om aan [A, B c.s.] te betalen een bedrag van € 60.027,20 (zestigduizend zevenentwintig euro en twintig eurocent), vermeerderd met de kosten zoals vermeld in artikelen 7 a t/m e van het besluit d.d. 19 juli 2011, alsmede de totale kosten te vermeerderen met het CBS-prijsindexcijfer voor de nieuwbouw over de periode tussen 19 juli 2011 en de dag der algehele betaling, verhoogd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het totaalbedrag met ingang van 28 december 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [A, B c.s.] tot op heden begroot op € 3.157,12,

5.3.

veroordeelt de Gemeente in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Gemeente niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2013.