Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2314

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
C-07-206917 - KG ZA 13-43
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot betaling van een geldsom. Dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

C/07/206917 / KG ZA 13-4323 april 2013

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/07/206917 / KG ZA 13-43

Vonnis in kort geding van 23 april 2013

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats 1],

eiseres,

advocaat mr. P. Bosma te Zeewolde,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats 2],

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 6 producties;

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gewezen echtgenoten.

2.2.

Bij beschikking van 8 december 2010 (zaaknummer: 170100 / FA RK 10-1406) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (thans: rechtbank Overijssel), voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Echtelijke woning

De vrouw heeft het verzoek tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning door haar ter zitting ingetrokken. De rechtbank zal dan ook niet meer op het verzoek behoeven te beslissing. Daarbij is tussen partijen afgesproken dat verdeling van de woonlasten ongewijzigd blijft.

Gelet op bovengenoemde overeenstemming zal het verzoek van de vrouw over de lasten van de echtelijke woning worden afgewezen”.

2.3.

Tussen partijen is overeengekomen dat [eiseres] en de uit hun huwelijk geboren twee dochters in de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 1] kunnen verblijven totdat deze is verkocht. Voorts zijn partijen overeengekomen dat zij ieder voor de helft de daarmee verband houdende hypotheeklasten betalen, zijnde een maandelijks bedrag van € 430,60 (€ 861,17 : 2).

2.4.

Vanaf december 2012 heeft [gedaagde] zijn deel van de hypotheeklasten niet meer voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen:

(I) tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 2.155,44 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 april 2013 tot de dag der algehele voldoening;

(II) om met ingang van 1 april 2013 maandelijks stipt en tijdig aan de ING Bank te voldoen de helft van het bedrag dat partijen op grond van de hypothecaire overeenkomst van geldlening aan de ING Bank verschuldigd zijn en wel een bedrag van € 430,60 per maand;

(III) tot betaling van een dwangsom in goede orde door de voorzieningenrechter te bepalen, voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] niet voldoet aan het gevorderde onder (II);

(IV) in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op haar plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2.

[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling het bestaan van de in rechtsoverweging 2.3 bedoelde betalingsverplichting erkend, alsmede (de hoogte van) vordering (I). Niet in geschil is derhalve dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van deze verplichting welke voortvloeit uit de hypothecaire overeenkomst van geldlening die partijen met de ING Bank hebben gesloten. De enkele verklaring van [gedaagde] dat hij financieel niet meer in staat is om aan zijn maandelijkse betalingsverplichting te doen, is onvoldoende om hem daarvan te kunnen ontslaan. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat het door [gedaagde] overgelegde overzicht van zijn beweerdelijke maandelijkse inkomsten en uitgaven niet met enig stuk verifieerbaar is onderbouwd. Verder heeft [eiseres] voldoende gesteld – en is door [gedaagde] niet betwist – dat zij de maandelijkse betalingsverplichting van [gedaagde] moet voorschieten ter voorkoming van executie- of kostenverhogende maatregelen door de ING Bank, zodat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is aangewezen. Na afweging van de belangen van partijen, in welk kader een spoedeisend belang van [eiseres] voldoende aannemelijk is geworden en [gedaagde] niets heeft gesteld ter zake van een restitutierisico, zal het gevorderde onder (I), (II) en (III) op de hierna te melden wijze worden toegewezen. Wat betreft de veroordeling (III) staat het bepaalde in artikel 611a lid 1 tweede zin Rv daaraan niet in de weg, nu het de betaling aan een derde betreft.

4.3.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van

€ 2.155,44, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 5 april 2013 tot de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om met ingang van 1 mei 2013 maandelijks stipt en tijdig aan de ING Bank te voldoen de helft van het bedrag dat partijen op grond van de hypothecaire geldlening aan de ING Bank verschuldigd zijn, zijnde een bedrag van

€ 430,60 per maand;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom aan [eiseres] van

€ 500,00 voor iedere maand of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.2 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2013.