Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2300

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
08/770010-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden voor het veroorzaken van een verkeersongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/770010-12

Datum vonnis: 25 september 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 september 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Verheul en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. N. Brands, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met een personenauto een verkeersongeluk heeft veroorzaakt, terwijl hij de maximumsnelheid heeft overschreden, waarbij het slachtoffer, [slachtoffer], gewond is geraakt dan wel dat hij de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht waarbij hij [slachtoffer] heeft aangereden.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 29 juni 2012 te Almelo, in ieder geval in Nederland, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto,

Peugeot [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Bornsestraat, in de

richting van Almelo, zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig

en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht van verdachte niet werd belemmerd, en/of

(terwijl) hij een en/of meerdere fietser(s) heeft waargenomen die de

Bornsestraat op reden,

heeft gereden met een snelheid van ongeveer 79 km/h, in elk geval harder dan

de aldaar toegestane maximumsnelheid, en/of

in strijd met artikel 20 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, op

die binnen de bebouwde kom gelegen weg de aldaar voor motorvoertuigen

toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft overschreden, en/of

(daarbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate en/of te laat heeft

verminderd en/of aangepast aan het overige verkeer, en/of

(vervolgens) naar links heeft gestuurd om deze fietser(s) in te halen en/of te

ontwijken, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze

vrij was, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over

die Bornsestraat rijdende fietser,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]

) zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasis fractuur, en

fractuur eerste borstwervel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht,

dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan;

zulks terwilj het feit is veroorzaak of mede is veroorzaakt doordat hij,

verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige

mate heeft overschreden, immers heeft hij, verdachte de ter plaatse voor dat

motorrijtuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met 33

kilometer per uur, althans 29 kilometer per uur, in elk geval aanzienlijk

overschreden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 29 juni 2012 te Almelo, in elk geval in Nederland, als

bestuurder van een voertuig (personenauto Peugeot [kenteken]), daarmee rijdende

op de weg, Bornsestraat, in de richting van Alemlo,

terwijl het zicht van verdachte niet werd belemmerd, en/of

(terwijl) hij een en/of meerdere fietser(s) heeft waargenomen die de

Bornsestraat op reden,

heeft gereden met een snelheid van ongeveer 79 km/h, in elk geval harder dan

de aldaar toegestane maximumsnelheid, en/of

in strijd met artikel 20 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, op

die binnen de bebouwde kom gelegen weg de aldaar voor motorvoertuigen

toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft overschreden, en/of

(daarbij) zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate en/of te laat heeft

verminderd en/of aangepast aan het overige verkeer, en/of

(vervolgens) naar links heeft gestuurd om deze fietser(s) in te halen en/of te

ontwijken, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze

vrij was, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een over

die Bornsestraat rijdende fietser,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen, een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het ten laste gelegde feit bewezen verklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen die daarbij worden genoemd. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met nummer 2012065096 van 7 augustus 2012. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

5.1

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Het ongeval heeft plaatsgevonden op de Bornsestraat, net na de doorsteek voor fietsers voor het oversteken van de Van Rechteren Limpurgsingel; dit is binnen de bebouwde kom van Almelo. De Bornsestraat is de parallelweg aan de Van Rechteren Limpurgsingel waarop meerdere zijstraten uitkomen. De maximumsnelheid ter plaatse bedraagt 50 kilometer per uur. Vaststaat dat verdachte met een snelheid van minimaal 79 kilometer per uur over de Bornsestraat heeft gereden. Het ongeval heeft plaatsgevonden bij daglicht. Het was op dat moment zonnig, droog en helder. Ook het wegdek was droog en het zicht van de verdachte was onbelemmerd. Vaststaat dat verdachte de bocht uitkwam en drie fietsers op voornoemde doorsteek heeft zien fietsen en vervolgens de Bornsestraat op heeft zien draaien. Verdachte heeft daarop het gaspedaal losgelaten. Voor de fietsers geldt dat zij voorrang dienden te verlenen aan het kruisende verkeer op de Bornsestraat. Het slachtoffer is vanaf de doorsteek rechtsaf de Bornsestraat opgereden, waarbij hij geen voorrang heeft verleend aan de voor hem van links naderende Peugeot waarin verdachte reed. Ook heeft hij de bocht naar rechts dusdanig ruim genomen dat hij op de, gezien vanuit zijn rijrichting, linker weghelft van de Bornsestraat terecht kwam. Verdachte reed op de linkerweghelft om de fietsers in te halen. Op het moment dat het slachtoffer de bocht nam en daarbij op de linkerweghelft terecht kwam, probeerde verdachte een aanrijding te voorkomen door naar links uit te wijken en te remmen, hetgeen hem niet gelukt is.

Het is een feit van algemene bekendheid dat door te hard rijden een langere remweg ontstaat en de bestuurder minder goed kan anticiperen op een onverwachte verkeerssituatie. In casu reed verdachte op een parallelweg, waarop een aantal zijwegen uitkomen alsook een doorsteek voor overstekende fietsers. Verdachte was daarvan op de hoogte. Door zijn rijgedrag niet aan te passen aan de daarvoor geldende maximumsnelheid en de omstandigheid dat daar gevaarzettende componenten, te weten zijstraten en een doorsteek voor fietsers, aanwezig waren, terwijl verdachte daar ook daadwerkelijk fietsers de weg op heeft zien draaien, heeft verdachte het risico genomen dat hij gelet op het slingergehalte van fietsers en zijn eigen aanzienlijke snelheid niet op tijd kon remmen en een aanrijding voorkomen. Dat verdachte op een voorrangsweg reed en derhalve voorrang had op de fietsers op de doorsteek, wil niet zeggen dat hij er op mag vertrouwen dat die fietsers voor hem het wegvak vrijlaten of tijdig vrijmaken. Verdachte had dan ook zijn snelheid dienen aan te passen aan de situatie ter plekke, te meer nu de fietsers er op zouden moeten kunnen vertrouwen dat verdachte hen met een aanzienlijk lagere snelheid zou benaderen dan in werkelijkheid het geval was.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden waardoor een verkeersongeval is ontstaan.

De rechtbank is dan ook, evenals de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

Als bewijsmiddelen daarvoor gelden:

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2013, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (verder: Sv);

2. Het proces-verbaal van aanrijding van 7 augustus 2013 van verbalisant [verbalisant 1], pagina’s 4, 5 en 6;

3. Het aanvraagformulier medische informatie van 30 juli 2013 betreffende [slachtoffer], ingevuld door de arts M.E.Th Bosscha pagina 44;

4. Het proces-verbaal verkeersongeval analyse van 20 juli 2012 van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], pagina 31.

5.2

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 juni 2012 te Almelo als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Peugeot [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Bornsestraat, in de richting van Almelo, zeer onvoorzichtig heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het zicht van verdachte niet werd belemmerd, en

terwijl hij fietsers heeft waargenomen die de Bornsestraat op reden,

heeft gereden met een snelheid van ongeveer 79 km/h, en

in strijd met artikel 20 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, op die binnen de bebouwde kom gelegen weg de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft overschreden, en

daarbij zijn snelheid in onvoldoende mate en laat heeft verminderd, en

naar links heeft gestuurd om deze fietsers in te halen of te ontwijken, en

(daarbij) in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze

vrij was, en

in aanrijding is gekomen met een over die Bornsestraat rijdende fietser,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]

) zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasis fractuur, en

fractuur eerste borstwervel, werd toegebracht,

zulks terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, immers heeft hij, verdachte de ter plaatse voor dat motorrijtuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met 29 kilometer per uur overschreden.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 175 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: overtreding van artikel 6 WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

De gronden voor een straf of maatregel

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en de hoogte hiervan allereerst rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, die tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn voor overtreding van artikel 6 WVW 1994 oriëntatiepunten vastgesteld, waarbij onderscheid wordt gemaakt in een aantal gradaties van schuld aan de zijde van de verdachte alsook in een aantal gradaties van de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank neemt het oriëntatiepunt behorend bij het geval dat sprake is van een grove verkeersfout, waarvan zwaar lichamelijk letsel het gevolg is en waarbij geen alcoholgebruik in het spel is als uitgangspunt (twee maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar). Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft door zijn rijgedrag een ernstig ongeval veroorzaakt. Verdachte heeft tijdens zijn werkzaamheden als bezorger van een restaurant op de Bornsestraat in Almelo gereden. Aangezien hij de toegestane maximumsnelheid van 50 km/h ter plaatse te langzaam vond, is hij 79 kilometer per uur gaan rijden. Verdachte wilde de door hem geziene fietsers inhalen, maar één van de naar rechts afslaande fietsers heeft de bocht te ruim genomen waarop verdachte niet meer tijdig kan remmen en een aanrijding onvermijdelijk is. De 15-jarige fietser loopt hierdoor zwaar lichamelijk letsel op. De rechtbank is van oordeel dat in het voordeel van verdachte spreekt dat hij niet eerder ter zake van soortgelijke feiten met politie en justitie in contact is geweest en dat hij sinds het ongeval niet opnieuw ter zake van verkeersmisdrijven en overtredingen met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid een gepaste bestraffing is en zal het aantal uren onbetaalde arbeid op 160 uren stellen. Het feit is weliswaar ruim een jaar geleden gepleegd en verdachte is in de tussentijd niet ter zake van soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking gekomen, maar de gedragingen van verdachte rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van zes maanden, te meer nu door de verdediging geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waarom de rechtbank af zou moeten zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke rijontzegging. Dat verdachte in de volstrekte onmogelijkheid verkeert om op zijn werk te komen is niet gebleken.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d en 91 Sr en op de artikelen 178 en 179 WVW1994.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    het misdrijf: overtreding van artikel 6 WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van honderdzestig (160) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van tachtig (80) dagen;

  • -

    ontzegt verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes (6) maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingehouden is geweest.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.J. Lemain, voorzitter, mr. J. Wentink en

mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2013.