Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2262

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
Awb 13/1998
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Lats onder dwangsom naar aanleiding van verhuur van appartementen op paardensportcentrum; niet staat vast dat geformuleerde lastgevingen als overtredingen moeten worden aangemerkt; schorsing primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/1998

uitspraak van de voorzieningenrechter in het geding tussen

Paardensportcentrum Eehzerwold,

gevestigd te De Bult, verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

verweerder.

13/1998

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2013 (verder: bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker een last onder dwangsom opgelegd. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 6 september 2013 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting van 13 september 2013 behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn zoon [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Kleine.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker een last onder dwangsom opgelegd met het doel om vóór 13 september 2013 een aantal overtredingen ongedaan te maken. Daarbij heeft verweerder bepaald dat verzoeker bij nalatigheid daarin vervolgens een aantal dwangsommen zal verbeuren. Gelet hierop kan verzoeker een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening niet worden ontzegd.

3.

Verzoeker exploiteert op het [adres]te De Bult het Paardensportcentrum Eehzerwold waarbij hij beschikt over een verblijfsaccommodatie van meerdere appartementen, waarvan twee voor het verblijf van stagiaires en zes voor logies.

Bij controles op 4 en 19 januari 2012 heeft verweerder vastgesteld dat de appartementen voor 6 maanden, met een verlengingsmogelijkheid van 6 maanden, worden verhuurd. Verweerder heeft verzoeker naar aanleiding daarvan bij brief van 14 februari 2012 te kennen gegeven dat een dergelijk vorm van verhuur, zonder een directe relatie met activiteiten van het Paardensportcentrum zoals ponykampen, in strijd is met het vigerende bestemmingsplan en de bouwvergunning. Bij die brief heeft verweerder die activiteiten daarom gewraakt teneinde in de toekomst mogelijk handhavend op te treden.

Op 20 maart 2013 hebben toezichthouders van verweerders gemeente andermaal een controle uitgevoerd en geconstateerd, dat de twee stagiaireverblijven en vier van de logiesverblijven in de manege worden verhuurd als permanente woonruimte. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder verzoeker op 25 mei 2013 de vooraankondiging gezonden van zijn voornemen om verzoeker terzake van die overtredingen een last onder dwangsom op te leggen. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat de verhuur van drie logiesverblijven aan het AOC Terra College is toegestaan tijdens de opleidingsperiode van de betrokken studenten. Verweerder heeft verzoeker een begunstigingstermijn verleend tot 4 juli 2013. Verzoeker en een aantal huurders hebben naar aanleiding hiervan hun zienswijze gegeven op verweerders voornemen. Naar aanleiding hiervan is de begunstigingstermijn verlengd tot 4 augustus 2013.

Op 10 juli 2013 hebben de toezichthouders van verweerders gemeente het volgende geconstateerd. Verblijf:

1.

is in gebruik bij een studente die gezamenlijk met de bewoner van verblijf 6 een afstudeeropdracht gaat maken over het werken met minder validen bij de manege;

2.

wordt gebruikt door een dame uit Italië, die koersen in Nederland rijdt en voor augustus weg moet zijn in verband met het gebruik daarvan door studenten van het AOC Terra College;

3.

staat leeg;

4.

staat leeg;

5.

werd bewoond door iemand die is aangedragen door de reclassering, welke persoon net weer is opgenomen in een inrichting wegens drie pogingen tot zelfdoding;

6.

wordt bewoond door een student sociaal agogisch werk aan het Drenthe College, die stelt waarschijnlijk een onderzoek te gaan doen naar het inzetten van minder validen op de manege;

7.

wordt bewoond door een student die een Masteropleiding volgt aan de Technische Universiteit Delft en zich in de afrondende fase van zijn afstudeerproject bevindt bij een ingenieursbureau in de provincie Overijssel;

8.

wordt bewoond door twee personen, waarvan de man de vrouw verzorgt omdat zij net is geopereerd en nog een operatie voor boeg heeft. De vrouw heeft geen baan en leeft van een uitkering en zal na herstel weer vrijwilligerswerk gaan doen op de manege.

Verweerder heeft de voornoemde activiteiten aangemerkt als overtreding van de voorschriften en verzoeker bij het bestreden besluit gelast deze vóór 13 september 2013 ongedaan te maken. Verweerder heeft verzoeker daarbij – indien hij aan die lastgeving niet voldoet – voor elk van de overtreding een dwangsom opgelegd van € 1.500,00 per week of een gedeelte daarvan na afloop van de voornoemde begunstigingstermijn met een maximum tot € 12.000,00.

Op 29 augustus 2013 hebben de toezichthouders van verweerders gemeente geconstateerd, dat de gestelde overtredingen deels zijn beëindigd.

4.

Vooraleerst dient te worden getoetst of verzoekers activiteiten al dan niet in strijd zijn met de voorschriften van de beheersverordening.

Op 18 juni 2013 is de Beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland” (verder: beheersverordening) vastgesteld voor het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. Op grond van de beheersverordening rust op het onderhavige perceel de bestemming “Bedrijf” en de subbestemming “gebruiksgerichte paardenhouderij”. De beheersverordening is op 26 juni 2013 in werking getreden.

Ten tijde van het bestreden besluit gelden op grond daarvan de volgende voorschriften.

In artikel 7, lid 7.1.1, van de beheersverordening is bepaald, dat de voor “Bedrijf” aangewezen gronden – onder meer – bestemd zijn voor:

g. uitsluitend een gebruiksgerichte paardenhouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte paardenhouderij';

y. wonen in een bedrijfswoning, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten',

Onder een “gebruiksgerichte paardenhouderij” dient ingevolge artikel 1, lid 1.64 van de beheersverordening te worden verstaan: een paardenhouderij, waarbij het gebruik van paarden voorop staat, ten behoeve van recreatie en sport, te onderscheiden in:

a. paardenhouderijen gericht op training van paarden waaronder worden begrepen africhtbedrijven, handels- en springstallen en draf- en renentrainementen;

b. dienstverlenende paardenhouderijen, waaronder worden begrepen manegebedrijven, paardenverhuurbedrijven en pensions;

c. paardenhouderijen ten behoeve van het houden van paarden en pony's voor eigen gebruik, als vrijetijdsbesteding, waaronder tevens begrepen oefenaccommodaties van rijverenigingen.

Artikel 7, lid 7.4.1 van de Beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland” bepaalt verder:

Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met de beheersverordening wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

(…);

c. wonen, anders dan in de bedrijfswoning;

(…).

De rechtbank stelt vast, dat het verblijf van personen in verzoekers verblijfsaccommodatie in strijd is met de hiervoor aangehaalde voorschriften van de beheersverordening. Op grond daarvan is wonen immers uitsluitend toegestaan in een bedrijfswoning en daarvan is in het onderhavige geval geen sprake nu verzoekers verblijfsaccommodatie zich niet in de bedrijfswoning bevindt.

5.

Vervolgens dient te worden getoetst of verzoekers activiteiten al dan niet in strijd zijn met de voorschriften van het voorheen vigerende bestemmingsplan. Voor die beoordeling zijn de volgende voorschriften bepalend.

Ingevolge artikel 40, lid 40.2, onder a van de beheersverordening mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening – in casu dus op 26 juni 2013 – en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Die bepaling is ingevolge artikel 40, lid 40.2, onder d van de beheersverordening niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ter plaatse van het perceel [adres] te De Bult vigeerde voorheen sedert 22 oktober 1996 het bestemmingsplan “Buitengebied” (verder: bestemmingsplan) van de voormalige gemeente Steenwijk, op grond waarvan aldaar de bestemming “gronden bestemd voor agrarisch gebied met bouwperceel” gold. De vestiging van een paardensportcentrum met de mogelijkheid tot verblijf was destijds op grond van de daarbij behorende planvoorschriften niet toegestaan.

Teneinde de vestiging daarvan toch mogelijk te maken heeft verweerder op 14 oktober 2003 het “Bestemmingsplan buitengebied (voormalige gemeente Steenwijk), wijzigingsplan Onderduikersweg 2a, De Bult” (verder: wijzigingsplan) vastgesteld, waarin genoemd perceel is bestemd tot “gronden bestemd voor doeleinden van handel en bedrijf, categorie C” waarop blijkens de toelichting bij het plan – onder meer – bedrijven als drafcentra voor paarden en maneges zijn toegestaan. Bij dit wijzigingsplan is nader bepaald, dat de oppervlakte voor de op de plankaart aangeduide aan het reguliere publiek van de manege gekoppelde

- kantine ten hoogste 156 m2 bedraagt;

- verblijfsaccommodatie ten hoogste 260 m2 bedraagt.

In de door verweerder overgelegde processtukken zijn geen nadere voorschriften gegeven.

Uit de toelichting bij het wijzigingsplan volgt weliswaar nog enige nadere specificering in die zin dat de verblijfsaccommodatie zal worden ingericht ten behoeve van ponykampen en dat daarbij sprake zal zijn van aan de functie ondergeschikte activiteiten, echter een toelichting maakt naar vaste rechtspraak geen onderdeel uit van de planvoorschriften en kan in deze daarom geen zelfstandig toetsingscriterium vormen.

Gelet hierop moet naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter worden geconcludeerd dat in de planvoorschriften zoals die vóór 26 juni 2013 golden geen bepalingen zijn opgenomen, waarmee de wijze waarop verzoeker in zijn verblijfsaccommodatie destijds kamers verhuurde reeds in strijd kan worden geacht.

Het bestreden besluit ontbeert daartoe ook iedere motivering.

6.

Verweerder heeft in het bestreden besluit aan de lastgeving ten grondslag gelegd, dat verzoeker, de door hem met een aantal omwonenden en de (loco-) burgemeester van Steenwijkerland met het oog op de realisering van het wijzigingsplan op 26 september 2003 gesloten vaststellingsovereenkomst, niet heeft nageleefd.

Hiervan oordeelt de voorzieningenrechter, dat die nalatigheid geen grond kan zijn voor het ontstaan van verweerders bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. Die bevoegdheid kan immers uitsluitend ontstaan ingeval sprake is van een overtreding, waaronder ingevolge artikel 5.1, eerste lid van de Awb wordt verstaan: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Nu verweerder de vaststellingsovereenkomst – in weerwil met de daarin gemaakte afspraken over het overnachten in de verblijfsaccommodatie – niet heeft opgenomen in het wijzigingsplan, is een verzuim in de naleving van die afspraken geen overtreding in de zin van de wet.

7.

Voorts stoelt ook de door verweerder in het bestreden besluit geformuleerde eis, dat degene aan wie de verblijfsaccommodatie wordt verhuurd een binding dient te hebben met de manege, niet op enige van de hiervoor gegeven wettelijke voorschriften. Die eis kan in het onderhavige geval derhalve eveneens niet als grondslag dienen voor het opleggen van een last onder dwangsom.

In dit verband vermag de voorzieningenrechter niet na te laten om aan te geven dat de criteria die zouden moeten gelden om te bepalen in welk geval of op welke wijze iemand wel of niet een binding heeft met verzoekers paardensportcentrum en in welke mate dat kan leiden tot het mogen huren van een appartement, niet duidelijk en eenduidig door verweerder zijn geformuleerd. Die onduidelijkheid mag naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in het nadeel van verzoeker worden uitgelegd.

8.

Dit geldt evenzeer voor het door verweerder na het afgeven van het bestreden besluit geformuleerde standpunt dat de wijze waarop verzoeker zijn verblijfsaccommodatie verhuurt in strijd is met de bepaling dat permanente bewoning van recreatieverblijven – waarvan verweerder sprake acht als de bewoner zijn hoofdverblijf blijkens zijn inschrijving in het GBA niet elders heeft – niet is toegestaan.

Verzoekers verblijfsaccommodatie is immers in het bestemmingsplan en de beheersverordening niet bestemd tot recreatieve doeleinden c.q. als recreatieverblijf, maar tot een gebruiksgerichte paardenhouderij, waarvoor andere voorschriften gelden.

9.

Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd, dat het bestreden besluit niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Niet vast staat immers dat de door verweerder in het bestreden besluit geformuleerde lastgevingen als overtredingen moeten worden aangemerkt die ongedaan zouden moeten worden gemaakt of gehouden.

Het moet er dan ook vooralsnog voor worden gehouden, dat verweerder ten onrechte heeft gemeend dat hem de bevoegdheid toekomt om verzoeker een dwangsom op te leggen, zodat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar geen stand zal houden.

De voorzieningenrechter acht dan ook termen aanwezig om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit mitsdien tot zes weken na verweerders beslissing op verzoekers bezwaarschrift.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter

  • -

    wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 2 augustus 2013 tot zes weken nadat verweerder op het bezwaarschrift van verzoeker heeft beslist;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 318,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzieningenrechter, en door hem R.K. Witteveen als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.