Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2192

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
08/721045-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt de verdachte en zijn/haar medeverdachte vrij van het plegen van ontucht met een minderjarige. Volgens de rechtbank kan er ten tijde van de ten laste gelegde feiten niet gesproken worden van een afhankelijkheids- of zorgrelatie maar lijkt sprake van een gelijkwaardige vriendschapsband tussen verdachten en de toen 17-jarige aangeefster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/721045-12

Datum vonnis: 13 september 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats, adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 augustus 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Verheul en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. H.O. den Otter, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en feitelijk weergegeven op neer dat verdachte in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 oktober 2001 samen met zijn echtgenote ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer]

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

verdachte in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot en met 1 oktober

2001, te Nijverdal, gemeente Hellendoorn, in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding

en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] (geboren op 18 november

1983), immers hebben/heeft verdachte en/of verdachtes mededader(s), meermalen,

althans eenmaal,

- die [slachtoffer] zijn, verdachtes, geslachtsdeel in haar mond laten nemen en/of

zich (vervolgens) door voornoemde [slachtoffer] oraal laten bevredigen en/of

- de vagina van die [slachtoffer] met zijn, verdachtes, geslachtsdeel en/of een

hun/zijn/haar vinger(s) en/of hun/zijn/haar tong gepenetreerd en/of

- zijn, verdachtes, geslachtsdeel door die [slachtoffer] laten vastpakken en/of zich

door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

- die [slachtoffer] (op de mond) gezoend en/of getongzoend en/of

- de schouders en/of de borsten en/of de vagina en/of de schaamlippen en/of de

schaamstreek en/of de buik, althans het onderlichaam van die [slachtoffer] betast en/of aangeraakt en/of gelukt en/of gekust

- zich door die [slachtoffer] laten zoenen en/of likken en/of betasten op/bij het onderlichaam en/of

- zich door die [slachtoffer] vaginaal laten penetreren met de vinger(s)/tong.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest. Voor zover de civiele vordering naar het oordeel van de rechtbank voor toewijzing in aanmerking komt, dient daarbij de zogenaamde Terwee-maatregel te worden opgelegd.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie concludeert dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich, samen met zijn echtgenote (tevens medeverdachte in deze zaak), schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met de aan hun zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] (aangeefster).

Aangeefster was vanaf het moment dat zij 9 à 10 jaar oud was, kind aan huis bij verdachte en zijn echtgenote. Ze bleef slapen, ging mee op vakantie en hielp met de zorg voor de in [geboortejaar] geboren drie kinderen van het echtpaar. Aangeefster was aldus toevertrouwd aan de zorg en waakzaamheid van verdachte en zijn echtgenote. Er was ook sprake van een afhankelijkheidsrelatie. Op het moment van de verweten handelingen waren verdachte en zijn echtgenote veel ouder dan de toen 17-jarige aangeefster en hadden zij haar tegen zichzelf moeten beschermen. De omstandigheid dat aangeefster de seksuele handelingen zelf zou hebben gewild doet daar niet aan af. De officier kwalificeert de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden als ontuchtig.

De verdediging heeft overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota gemotiveerd betoogd dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de seksuele contacten tussen verdachte, zijn echtgenote en de toen 17-jarige aangeefster geheel vrijwillig waren. Er was sprake van een vriendschappelijke relatie tussen met name aangeefster en verdachtes echtgenote en beslist niet van een afhankelijkheidsrelatie. Van enig overwicht van de zijde van verdachte en/of zijn echtgenote was geen sprake. Aangeefster was zeer wel in staat om haar ‘seksuele zelfbeschikkingsrecht’ uit te oefenen, waarmee het ontuchtige karakter van de verweten gedraging niet kan worden aangetoond. Ook kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat aangeefster aan de zorg, laat staan aan de waakzaamheid of opleiding van verdachte was toevertrouwd.

5.1

De bewijsoverweging van de rechtbank

Niet ter discussie staat dat seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en zijn medeverdachte en aangeefster, die toen 17 jaar oud was. De vraag die beantwoord dient te worden is of deze handelingen strafbaar zijn op grond van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), omdat aangeefster aan de zorg, opleiding of waakzaamheid van verdachte en zijn medeverdachte was toevertrouwd.

De officier van justitie meent dat dit alleen al het geval is op grond van het leeftijdsverschil tussen aangeefster en verdachten. De verdediging heeft dit gemotiveerd bestreden.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De in artikel 249 eerste lid Sr opgenomen opsomming van door hun hoedanigheid ten opzichte van de dader aangeduide minderjarigen, met wie het plegen van ontucht in deze bepaling strafbaar wordt gesteld, wordt hierdoor gekenmerkt dat die hoedanigheid telkens een min of meer sterke mate van afhankelijkheid van de dader meebrengt, en dat de dader daaraan een zeker overwicht tegenover die minderjarigen ontleent. De strekking van de bepaling is dan ook bescherming te verlenen aan minderjarigen, die als gevolg van die afhankelijkheid en dat overwicht minder weerstand aan de dader kunnen bieden dan anderen. Uit de jurisprudentie kan voorts worden afgeleid dat van de 'een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige' sprake is, wanneer een kind met goedvinden van de ouders bij anderen logeert. Niet alleen juridisch, maar ook feitelijk toevertrouwen kan onder dit begrip vallen evenals de tijdelijke of gedeeltelijke overdracht van de zorgplicht. Het antwoord op de vraag of die situatie zich voordoet, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, zoals de plaats waar de tenlastegelegde gedragingen plaatsvonden en de leeftijd van de verdachte en van de minderjarige alsmede de duur van de betrekking tussen beiden. De feitelijke situatie is aldus in belangrijke mate bepalend voor het antwoord op de vraag of de minderjarige aan iemands zorg is toevertrouwd.


Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat aangeefster als jong meisje kind aan huis was bij verdachte en zijn echtgenote. Ze bleef wel eens logeren bij verdachte en zijn echtgenote, ging eenmaal mee op vakantie en kwam regelmatig langs om de in [geboortejaar] geboren drieling te bezoeken.

In de tweede helft van 2000, aangeefster was toen 17 jaar oud, gingen zij en medeverdachte samen uit en bezochten dancefeesten. Daarbij werd ook wel eens XTC gebruikt. In deze periode hebben ook voor het eerst de seksuele handelingen plaatsvonden. Verdachte is in een later stadium ook bij deze handelingen betrokken geweest. De rechtbank merkt op dat aangeefster en verdachten onder meer een andere lezing hebben over het aantal seksuele contacten en het aantal personen dat daarbij betrokken was.

Verdachten en aangeefster verschillen van mening over de vraag hoe hun relatie getypeerd kan worden. Aangeefster verklaart dat zij zich in haar eigen thuissituatie niet prettig voelde en daarom bij verdachte en diens echtgenote de warmte van een gezinsleven zocht. Zij beschouwde medeverdachte als moeder. De rechtbank overweegt dat een dergelijke relatie gekwalificeerd zou kunnen worden als een zorgrelatie zoals hiervoor uiteengezet. Verdachte en zijn medeverdachte weerspreken dat de relatie met aangeefster het karakter had van een ouder-kind relatie. Volgens hen was puur sprake van een vriendschapsrelatie en niet van een afhankelijkheidsrelatie en was aangeefster niet aan hun zorg toevertrouwd. Dat aangeefster hen als ouders zag, was voor verdachten niet kenbaar zo stellen zij.

De rechtbank stelt vast dat de seksuele betrekkingen tussen verdachten en aangeefster hebben plaatsgevonden toen aangeefster 17 jaar oud was. Op dat moment werden feesten bezocht en werd ook XTC gebruikt. Daarvoor, toen aangeefster regelmatig bij verdachten over de vloer kwam voor de kinderen en ook mee ging op vakantie, waar zij ook voor de kinderen zorgde, heeft geen seksueel contact plaatsgevonden. Hoewel de beleving van de aard van de relatie subjectief is, zijn er een aantal getuigen in het dossier die daarover verklaringen hebben afgelegd. Deze verklaringen gaan dan over de periode waarin de seksuele contacten hebben plaatsgevonden. Deze getuigen spreken van een hechte en gelijkwaardige vriendschapsrelatie tussen aangeefster en de echtgenote van verdachte. Zo verklaart getuige [getuige 1] dat zij vermoedde dat aangeefster en de echtgenote gevoelens voor elkaar hadden. Getuige [getuige 2] verklaart dat aangeefster en verdachte zijn echtgenote altijd heel aanrakerig waren en dat dit niet anders werd door het gebruik van XTC. Getuige [getuige 3] verklaart dat de echtgenote heel speciaal was voor aangeefster. De rechtbank sluit niet uit dat de relatie tussen aangeefster en verdachten gedurende de beginjaren, wel degelijk het karakter had van een afhankelijkheids- / zorgrelatie in de zin van de wet. Zeker op het moment dat aangeefster mee ging op familievakantie. Een relatie die in oorsprong een dergelijk afhankelijk- en zorgkarakter heeft, kan dit karakter blijven behouden, ook tot het moment dat zoals in casu de 17-jarige leeftijd is bereikt. In de relatie van aangeefster en verdachten heeft naar het oordeel van de rechtbank echter een duidelijke kentering plaatsgevonden, in ieder geval vanaf het moment dat aangeefster en de echtgenote van verdachte samen uit begonnen te gaan, lijkt veeleer sprake te zijn van een gelijkwaardige vriendschapsrelatie tussen de echtgenote van verdachte en aangeefster en kan van een afhankelijkheids-/ zorgrelatie moeilijk nog gesproken worden. De rechtbank vindt in het dossier geen bewijs voor het tegendeel.

Dat aangeefster in de periode waarin de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden aan de zorg, opleiding of waakzaamheid van verdachten was toevertrouwd is ook anderszins niet gebleken, zodat verdachte van het tenlastegelegde feit wordt vrijgesproken.

6 De vordering van de benadeelde partij

Mevrouw [slachtoffer], [adres], [woonplaats], voor wie mr. I.I. Assink zich als gemachtigde heeft gesteld, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 27.133,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit verlies van verdienvermogen, ziektekosten, reiskosten en smartengeld.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk nu verdachte wordt vrijgesproken.

7 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

schadevergoeding

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. H. Bloebaum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2013.

Mr. Bloebaum is niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.