Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2182

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
Awb 13/1934
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering verstrekking traplift in kader Wmo; uitsluitingsgrond leidt tot een niet door de wetgever beoogde generieke uitsluiting van personen als verzoekster van de compensatieplicht van artikel 4, tweede lid, van de Wmo; toewijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/1934

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster],

wonende te Hengelo, verzoekster,

gemachtigde: mr.drs. R.T.M. Lagerweij,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo,

verweerder.

13/1934

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2013 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een woonvoorziening in de vorm van een traplift in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), afgewezen.

Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Op 22 augustus 2013 heeft verzoekster verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij op zo kort mogelijke termijn een traplift in haar woning geplaatst krijgt.

Het verzoek is ter zitting van 9 september 2013 behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Brandhof.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1

Verzoekster heeft een combinatie van klachten en beperkingen. Het betreft de belastbaarheid van het bewegingsapparaat, een slechte visus en een energetische beperking.
Verzoekster heeft op 12 maart 2013 een aanvraag ingediend voor een woonvoorziening in de vorm van een traplift. Op 6 juni 2013 heeft medisch adviseur P.P.S. Tiehatten, werkzaam bij Argonaut, medisch advies uitgebracht. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven in de vorige rubriek van deze uitspraak.

2.2

Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster voor een woonvoorziening in de vorm van een traplift afgewezen op grond van artikel 4.7, aanhef en onder d, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Hengelo.
Op grond van dit artikel wordt een woonvoorziening geweigerd indien de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak.

2.3

Namens verzoekster is naar voren gebracht dat de bezwaarprocedure lang duurt. Verzoekster wil zelfstandig de eerste verdieping van haar woning, waar zich de slaap- en badkamer bevinden kunnen bereiken maar dat is als gevolg van haar beperkingen niet mogelijk. Verzoekster wordt derhalve ernstig in haar maatschappelijk functioneren gehinderd. Voorts is naar voren gebracht dat artikel 4.7, aanhef en onder d van de Verordening strijdig is met de Wmo. Verwezen is naar de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX 2810.

3.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt .

3.1

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal nu beoordelen of het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft.

3.2

Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt (kort gezegd en voor zover hier van belang) dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning welke die persoon in staat stellen om zich te verplaatsen in en om de woning.

3.3

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

3.4

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

3.5

Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Hengelo uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Hengelo (hierna: de Verordening).

3.6

De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat in het primaire besluit is aangegeven dat de aanvraag van verzoekster voor een traplift op grond van artikel 4.7, aanhef en onder d van de Verordening is afgewezen. Opgemerkt is dat een traplift gezien haar medische omstandigheden minder adequaat is dan verhuizen naar een gelijkvloerse woning.
Ter zitting heeft verweerder expliciet aangegeven dat artikel 4.7, aanhef en onder d van de Verordening de basis is van het primaire besluit. Verweerder heeft met betrekking tot het verhuisprimaat geen nader onderbouwd standpunt ingenomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het verhuisprimaat niet aan verzoekster tegengeworpen, zodat dit verder onbesproken zal blijven.


3.7 Artikel 4, tweede lid, van de Wmo is per 1 januari 2010 gewijzigd in die zin dat na ‘de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen’ de zinsnede ‘waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie’ is toegevoegd. Blijkens de wetsgeschiedenis (TK 2008-2009, 31 795, nr. 12) is deze wijziging bedoeld als een verduidelijking van het artikel, ingegeven door de omstandigheid dat gemeenten in het verleden niet altijd op een juiste manier toepassing hebben gegeven aan de compensatieplicht. Uit de toelichting blijkt dat een vergoeding wenselijk kan zijn vanwege een veranderde gezinssituatie of leefsituatie, waarbij gedacht moet worden aan situaties dat mensen moeten verhuizen omdat het huis vanwege gezinsuitbreiding te klein wordt, of juist te groot, bijvoorbeeld bij oudere mensen. Rekening moet worden gehouden met het verloop van een normale wooncarrière.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerders standpunt dat verzoekster al meerdere jaren lichamelijke klachten heeft en daarom er rekening mee had moeten houden dat een verhuizing naar een gelijkvloerse woning dan wel de aanschaf van een traplift op den duur noodzakelijk zou zijn en een verhuizing naar een gelijkvloerse woning dan wel een andere oplossing voor haar traploopprobleem haar eigen verantwoordelijkheid is, op een niet in de Wmo genoemde uitsluitinggrond berust. Deze uitsluitinggrond leidt tot een niet door de wetgever beoogde generieke uitsluiting van personen als verzoekster van de compensatieplicht van artikel 4, tweede lid van de Wmo.

Het bepaalde in artikel 4.7, aanhef en onder d, van de verordening, is in zoverre dit artikel dwingend voorschrijft dat een op zich noodzakelijke woonvoorziening door verweerder wordt geweigerd indien deze voorziening op basis van leeftijd voorzienbaar was, daarom in strijd met de in artikel 4, tweede lid van de Wmo aan het gemeentebestuur gegeven opdracht. Daarom dient dit artikel in zoverre buiten toepassing te blijven.


4. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek van verzoekster, gericht op verstrekking van een woonvoorziening in de vorm van een traplift, dan ook toe. De voorzieningenrechter zal verweerder gelasten binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak in verzoeksters woning aan de [adres] te Hengelo een traplift te laten plaatsen.

5.

De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de te vergoeden kosten moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter met inachtneming van de wegingsfactor gemiddeld voor het gewicht van de onderhavige zaak worden bepaald op € 944,-- (1 punt voor het verzoekschrift + 1 punt voor het verschijnen ter zitting x € 472,-- x wegingsfactor 1).


6. De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding om te bepalen dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht ten bedrage van € 44,- vergoedt.  



Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe, gericht op het verstrekken door verweerder van een woonvoorziening in de vorm van een traplift;
- gelast verweerder om binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak een traplift in de woning van verzoekster op het adres [adres] te Hengelo te laten plaatsen;
- veroordeelt verweerder in de kosten van dit geding ten bedrage van € 944, --;
- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van
€ 44,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. G. Edelenbos, voorzieningenrechter, en door haar en

mr. H.J. Knol als griffier ondertekend.
Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.