Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2027

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
03-09-2013
Zaaknummer
08/760100-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte wegens het overvallen van een winkel en twee treinpassagiers tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden. Van het overvallen van een tweede winkel en een tankstation spreekt de rechtbank de verdachte vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760100-13

Datum vonnis: 3 september 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] (Spanje),

nu verblijvende in PI Overijssel, HvB De Karelskamp te Almelo,

Bornsestraat 333 te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.J.L. de Valk, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Ruarus, advocaat te Delden, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 25 maart 2013 een overval heeft gepleegd op de [winkel 1] te Enschede,

feit 2: op 24 april 2013 een overval heeft gepleegd op [winkel 2] te Enschede

feit 3: op 28 maart 2013, samen met een ander, twee treinpassagiers heeft afgeperst in een rijdende trein tussen Enschede en Glanerbrug,

feit 4: op 24 april 2013in Glanerbrug heeft gepoogd met bedreiging met geweld een tankstation te beroven en/of heeft geprobeerd een medewerkster van dat tankstation af te persen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 25 maart 2013 te Enschede met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of de

[winkel 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte (met gezichtsbedekkende kleding) voornoemde [winkel 1] is

binnengegaan en/of

een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde

[slachtoffer 1] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of

(daarbij) dreigend/dwingend heeft geroepen/geschreeuwd: "Kassa open, kassa

open";

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 24 april 2013 te Enschede, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of een

afstandsbediening van een sigarettenautomaat, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [winkel 2] en/of [slachtoffer 2], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd

voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met

geweld tegen [slachtoffer 3] (een medewerkster van [winkel 2]), gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte (met gezichtsbedekkende kleding) voornoemde [winkel 2] is

binnengegaan en/of

een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde

medewerkster van [winkel 2] heeft gericht en/of gericht gehouden

en/of

(daarbij) dreigend/dwingend heeft geroepen/geschreeuwd: "Kassa open, kassa

open";

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 maart 2013 in een spoortrein die in beweging is (te

weten in een voor openbaar vervoer openstaande internationale reizigerstrein)

die reed tussen treinstation Enschede en/of treinstation Glanerburg, althans

in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] en/of

[slachtoffer 5] (reizigers in voornoemde trein) heeft gedwongen tot de afgifte

van een of meerdere mobiele telefoon(s) (te weten een Samsung Galaxy Note 2

en/of een Samsung Galaxy S2), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte en/of verdachtes mededader(s) dreigend/dwingend een (groot formaat)

(steek)sleutel voorhanden heeft/hebben gehad en/of dreigend/dwingend

heeft/hebben geroepen/gezegd: "Mobieltjes, mobieltjes" en/of

(daarbij) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in

de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft/hebben

gehouden en/of gericht gehouden en/of met een vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, heen en weer zwaaiende bewegingen heeft/hebben

gemaakt in de richting van voornoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] ;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 24 april 2013 te Glanerburg, althans in Nederland , ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of (een)

goed(eren) van zijn, verdachtes gading, geheel of ten dele toebehorende aan

tankstation [tankstation], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een medewerkster van

voornoemd tankstation, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte, al dan

niet in het bezit zijnde van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp, met

dat oogmerk naar de toegangsdeur van voornoemd tankstation is gelopen en/of

(vervolgens) zijn gezicht deels heeft bedekt met een sjaal/doek, althans met

een kledingstuk en/of (vervolgens) geprobeerd heeft de toegangsdeur te openen

en/of - toen deze toegangsdeur afgesloten bleek te zijn - (met

gezichtsbedekkende kleding) dreigend/dwingend voor de (afgesloten)

toegangsdeur van voornoemd tankstation is gaan/blijven staan en/of

dreigend/dwingend tegen voornoemde medewerkster heeft geschreeuwd/geroepen de

toegangsdeur te openen;

en/of

hij op of omstreeks 24 april 2013 te Glanerburg, althans in Nederland, ter

uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk om zich of

een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld een medewerkster van tankstation [tankstation], te dwingen tot de

afgifte van een hoeveelheid geld en/of (een) goed(eren) van zijn, verdachtes

gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

tankstation [tankstation], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, al dan niet in het bezit zijnde van een (op een) vuurwapen

(gelijkend voorwerp), met voormeld oogmerk naar de toegangsdeur van dat

tankstation is toegelopen en/of vervolgens zijn gezicht (deels) heeft bedekt

met een sjaal/doek, althans met een kledingstuk en/of (vervolgens) heeft

geprobeerd die toegangsdeur te openen en/of (vervolgens) - toen die deur

afgesloten bleek te zijn - (met gezichtsbedekkende kleding) dreigend/dwingend

voor de (afgesloten) toegangsdeur van voornoemd tankstation is gaan/blijven

staan en/of dreigend/dwingend tegen voornoemde medewerkster heeft

geschreeuwd/geroepen de toegangsdeur te openen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het sub 1, sub 2, sub 3 en het sub 4 in de eerste plaats tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren, met aftrek van de preventieve hechtenis.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezen verklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte die tenlastegelegde feiten heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

5.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op basis van ondermeer de aangiftes van [slachtoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], op basis van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [slachtoffer 3], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en de medeverdachte [medeverdachte] alsmede op basis van het beeldmateriaal.

Hij heeft gevorderd dat aan verdachte voor de feiten onder 1, 2, 3 en 4 in de eerste plaats een gevangenisstraf van negen jaren, met aftrek van het voorarrest, zal worden opgelegd.

5.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken, nu die feiten niet wettig en overtuigend te bewijzen zijn.

Wat betreft feit 1 merkt de raadsman op dat het objectief en zuiver bewijs ontbreekt.

Voor feit 2 merkt de raadsman op dat op de videobeelden verdachte niet te herkennen valt, omdat de dader zijn gelaat bedekt had met een shawl en op zijn hoofd een petje droeg.

Met betrekking tot feit 3 merkt de raadsman op dat de fotoconfrontatie die werd gehouden met de taxichauffeur (getuige [getuige 5]) van geen waarde is, omdat er geen sprake is van een betrouwbare herkenning. De getuigenis is daardoor volstrekt onbruikbaar geworden. Verder valt op dat deze getuige verdachte [alias 1] noemt en niet [voornaam verdachte].

Voor feit 4 merkt de raadsman tenslotte op dat het hem onmogelijk lijkt dat een gemaskerde man met een shawl voor zijn gezicht en petje op zijn hoofd later herkend kan worden op een foto op Facebook.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten 2 en 4 niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, zodat zij verdachte van die feiten zal vrijspreken.

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en overweegt daartoe als volgt. Aangeefster [slachtoffer 1] doet aangifte van een overval. Zij is werkzaam als servicemedewerkster in de [winkel 1], bij het [tankstation] tankstation aan de [straat] in Enschede. Op 25 maart 2013 rond sluitingstijd, komt een man de shop binnen. Aangeefster verklaart dat de man een pistool heeft en dat hij schreeuwt dat zij de kassa moet openen. Dit doet zij. De man grijpt briefgeld uit de kassa en vertrekt. In haar aanvullende aangifte verklaart aangeefster dat zij de overvaller aan zijn loopje meende te herkennen als de Turkse man die een tijdje boven de shop heeft gewoond. Deze man kwam zo’n vijf keer per dag in de shop om snoepgoed en lange vloei te kopen. Aangeefster verklaart deze persoon te hebben herkend, nog voordat zij hierover had gesproken met de eigenaresse van de shop. Deze eigenaresse, getuige [getuige 1], heeft als getuige een verklaring afgelegd bij de politie. De overval is door de beveiligingscamera’s in de shop gefilmd. Getuige [getuige 1] heeft deze beelden bekeken. Zij verklaart de overvaller te herkennen aan zijn witte sportschoenen, zijn postuur en zijn manier van lopen. Zij herkent de man als de [voornaam verdachte] die boven de shop heeft ingewoond bij ene [naam 1].

De dochter van de eigenaresse verklaart dat zij ook de camerabeelden heeft bekeken. Zonder dat zij daarover vooraf met haar moeder had gesproken, herkent zij de overvaller aan zijn loopje als de junk die wel vaker in de shop kwam. Hij woonde boven de shop en huurde een kamer van [naam 1]. Getuige merkt nog op dat deze man altijd witte sportschoenen droeg en dat zij verdachte voor 100% van de beelden herkent.

Uit de inhoud van de verklaringen van aangeefster en de getuigen, leidt de rechtbank af dat zij verdachte onafhankelijk van elkaar hebben herkend als de persoon die de shop heeft overvallen, nog voordat zij daarover met elkaar hebben gesproken. Dat deze getuigen elkaar onderling hebben beïnvloed is op geen enkele wijze gebleken. De rechtbank acht de verklaringen van deze getuigen dan ook bruikbaar en betrouwbaar. Op grond daarvan acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat ook feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en overweegt daartoe als volgt. Op 28 maart 2013 rond 23.30 uur worden aangevers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door een man gedwongen om onder bedreiging met een vuurwapen hun mobiele telefoons af te geven. Aangevers spreken over twee mannen. De overval is gefilmd door de camera’s in de trein. Verbalisanten herkennen medeverdachte [medeverdachte] als één van deze mannen. [medeverdachte] wordt naar aanleiding van deze herkenning gehoord als verdachte. Hij verklaart dat deze overval een eenmansactie van “[alias 2]” was. Hij herkent verdachte van een foto als deze “[alias 2]”. Hij verklaart dat “[alias 2]” twee mobiele telefoons heeft buitgemaakt en dat hij deze later ook aan hem heeft laten zien.

De imei-nummers van beide telefoons worden achterhaald en één van de telefoons blijkt in het bezit te zijn van getuige [getuige 5]. Getuige is taxichauffeur. Hij verklaart de telefoon te hebben gekocht van ene “[alias 1]”. “[alias 1]” was klant en bood hem de telefoon te koop aan. Hij had deze “[alias 1]” al meerdere keren opgehaald bij de woning aan de [adres 1] te [plaats]. “[alias 1]” zou daar wonen met zijn moeder. Uit het politieonderzoek blijkt dat de moeder van verdachte op dit adres woonachtig is. Tot slot herkent getuige [getuige 5] verdachte van getoonde politiefoto’s als de persoon “[alias 1]”. Ondanks de ontkennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank dit feit bewezen op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat [getuige 5] en [medeverdachte] verklaringen op elkaar hebben afgestemd om verdachte te belasten.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte feit 3 tezamen en in vereniging heeft gepleegd met medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank kan uit de bewijsmiddelen, waaronder de ter terechtzitting getoonde videobeelden opgenomen in de treincoupé, niet afleiden dat er een zodanig nauwe en bewuste samenwerking is geweest tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte], dat gesproken kan worden van medeplegen.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het sub 1 en het sub 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 en onder 4 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het sub 1 en sub 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 25 maart 2013 te Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan de [winkel 1],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen

[slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte met gezichtsbedekkende kleding voornoemde [winkel 1] is binnengegaan en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 1] heeft gericht en gericht gehouden en (daarbij) dwingend heeft geschreeuwd: "Kassa open, kassa open";

3.

hij op 28 maart 2013 in een spoortrein die in beweging is (te weten in een voor openbaar vervoer openstaande internationale reizigerstrein) die reed tussen treinstation Enschede en treinstation Glanerbrug, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (reizigers in voornoemde trein) heeft gedwongen tot de afgifte van mobiele telefoons (te weten een Samsung Galaxy Note 2

en een Samsung Galaxy S2), toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], welke

bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte dreigend/dwingend heeft gezegd: "Mobieltjes, mobieltjes" en (daarbij) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in

de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft gehouden.

De rechtbank heeft de eventueel in de bewezenverklaring voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 en sub 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 310, 312 en 317 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 3:

het misdrijf: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd in een spoortrein die in beweging is.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van een week schuldig gemaakt aan een tweetal gewapende overvallen.

Deze feiten vormen naar de ervaring leert een ingrijpende aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en zij ondervinden daarvan nog dagelijks de negatieve gevolgen in de vorm van gevoelens van angst en onzekerheid. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft na de overval haar baan opgezegd en heeft thans een andere werkkring. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en de hoogte hiervan allereerst rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, die tot uitdrukking komt in de wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn voor gewapende overvallen oriëntatiepunten vastgesteld.

Die oriëntatiepunten zullen door de rechtbank als leidraad worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf.

Het uitgangspunt voor een overval met “licht geweld” is twee jaar gevangenisstraf en met “ander geweld” drie jaar gevangenisstraf. De rechtbank dient te beoordelen van welke mate van geweld in dit geval sprake is. Nu verdachte bij beide overvallen gebruik heeft gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp , is sprake is van “ander geweld”, zodat als uitgangspunt een gevangenisstraf van drie jaren wordt gehanteerd.

Bij het hanteren van deze richtlijn dient bedacht te worden dat deze richtlijn uitgaat van een enkel strafbaar feit. In dit geval gaat het om twee strafbare feiten.

De rechtbank acht voorts strafverhogend dat verdachte in het verleden al eerder wegens het plegen van vermogensdelicten is veroordeeld en ondanks de in die veroordelingen gelegen waarschuwingen delictgedrag blijft vertonen.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden passend en geboden.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het sub 2 en het sub 4 in de eerste plaats en in de tweede plaats tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het sub 1 en sub 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 en sub 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 3:

het misdrijf: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd in een spoortrein die in beweging is;

- verklaart verdachte strafbaar voor het sub 1 en sub 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier (4) jaren en zes (6) maanden

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. A.A.J. Lemain en mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van R.E. Groot, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2013.

mr. Lemain is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit, tenzij anders wordt vermeld, bladzijden uit het dossier van

de Regiopolitie Twente, divisie informatie en recherche, districts recherche Twente,

met dossienummer BVH 2013029548.

.

Feit 1:

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 augustus 2013, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Ik word [voornaam verdachte] genoemd. Ik ben verslaafd geweest aan drugs. Ik heb in het appartement gewoond dat ligt boven de [winkel 1] te Enschede. Dat appartement huurde ik van een zekere [naam 1].

De mensen van de [winkel 1] ken ik en zij kennen mij ook. Ik huurde dat appartement in de periode dat die shop is overvallen.

2.

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 maart 2013 (blz. 116 t/m 119), van aangeefster [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende als verklaring van aangeefster:

Ik ben werkzaam als servicemedewerkster bij de [winkel 1] bij het [tankstation] tankstation aan de [adres 2] Enschede,die eigendom is van [naam 2].

Vandaag, 25 maart 2013, was ik aan het werk in de shop. Omstreeks 20.30 uur kwam er een man binnen als klant. Deze man herken ik als iemand die vaker in de shop komt als klant. Volgens mij betaalde deze klant contant voor zijn aankoop. Ongeveer tien minuten nadat deze klant vertrokken was, stond ik achter de toonbank. Ik heb niet gehoord dat de deur van de shop open ging. Ik hoorde op een bepaald moment dat iemand begon te roepen. Ik hoorde dat een man schreeuwde:"kassa open, kassa open". Ik kon de man goed verstaan omdat hij luid schreeuwde. Op het moment dat hij mij toeschreeuwde, kwam hij ook op mij aflopen. Ik zag dat hij vrij snel naast mij stond. Ik keek de man op dat moment aan maar ik zag dat hij naar beneden keek en mij niet aankeek. Ik heb hem gezegd dat ik de kassa voor hem zou openen. Ik zag dat hij op het moment van binnenkomen en op mij toe kwam lopen met een pistool wapperde. Ik zag dat hij dwingend met het wapen wees terwij1 hij tegen mij zei:" doe die la open". Ik heb wel eens een vuurwerk pistool gezien en daar leek het wapen qua grootte wel op. Het wapen was helemaal zwart van kleur. Voor mijn gevoel leek het mij een echt wapen. De kassa heb ik voor hem geopend omdat hij mij met het wapen dreigde.

Toen de man naast mij stond hield hij het wapen met zijn rechterhand vast en duwde, voor het gevoel, met de voorkant van het wapen tegen mijn zij. Hij deed dit een keer en hield het wapen verder ook niet op mij gericht. Hij hield het wapen zelfs wat van zichzelf af gericht. Ik heb de kassalade voor de man geopend en ben toen achteruit gestapt. Ik zag dat de man met zijn linkerhand in de kassalade graaide. Ik zag dat de man echt aan het graaien was naar het briefgeld. Ik merkte en zag dat hij direct hierna de zaak verliet.

Ik kan de man als volgt omschrijven:

- lengte ca 1.68. Ik schat dat hij ongeveer net zo groot was als ik zelf

ben.

- postuur klein, ik schat ca 60 tot 65 kilo.

- leeftijd, tussen 18 en 23 jaar. Zijn manier van lopen gaven mij deze indruk.

- taal Nederlands met een accent

- gelaatskleur, wat grauw/grijs. Van het gezicht heb ik maar een klein stukje jukbeen kunnen zien.

- zwarte jas met capuchon en bontkraag in een soort camel kleur en een donker blauwe spijkerbroek

- de man droeg witte sneakers (merk onbekend)

- de man droeg de capuchon op zijn hoofd en daar onder droeg hij een zwarte gebreide muts. De muts droeg hij tot vlak boven zijn ogen.

- voor zijn mond en neus droeg hij een wat viezige "Arafat" sjaal tot kort onder zijn ogen.

- de man droeg zwarte gebreide (fijne) handschoenen zonder labels aan de

buitenzijde.

Ik heb vervolgens de eigenaar gebeld en de alarmknop ingedrukt. Kort hierna verscheen de politie.

Nadat de eigenaar ter plaatse was gekomen, hebben we de kassa geteld. Uit opmaak van de kassa bleek dat er een bedrag van Euro 272,05 door de man uit de kassa is weggenomen. Ik en de eigenaar van de zaak hebben geen toestemming gegeven aan de man om het genoemde geldbedrag, dat [naam 2] geheel in eigendom toebehoort, uit de kassalade weg te nemen. Ik heb door de dreiging van het vuurwapen voor de man de kassalade geopend zodat hij het geld hieruit weg kon nemen.

Ik voelde mij bang toen ik opkeek en de man met het pistool zag.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 27 maart 2013 (blz. 121 t/m 122), zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

"In aanvulling op mijn eerder gedane aangifte kan ik u mededelen dat ik de andere dag bij mijn bazin, [getuige 1], s'morgens koffie ben gaan drinken in de shop, [adres 2] te Enschede. Ik zei tegen haar dat ik het gevoel had dat ik de overvaller kende en dat ik het idee had dat de overvaller mij ook kende. Ik kan het niet met 100 % zekerheid zeggen, maar ik meende zijn loopje te herkennen als dat van een Turkse jongeman die boven de shop gewoond heeft. Ik weet niet hoe hij heet. Ik omschrijf het loopje als een beetje stoer en nonchelant. Ik heb de opgenomen beelden van de overval gedeeltelijk gezien. Het stuk dat hij binnen kwam vanaf het voorterrein en het stuk dat hij de zaak weer verliet. De overval op zich niet. Daar had ik geen behoefte aan. Het idee dat hij de overvaller kon zijn had ik al voordat ik [getuige 1] sprak. Het kwam bij mij op in de nacht na de overval. Ik lag 's nachts te malen in bed.

De Turkse jongeman kwam ongeveer vijf keer per dag in de shop. Hij kocht dan snoepgoed en lange vloei. Ik heb hem ook wel eens weggestuurd omdat hij achter de shop stond te dealen in

4.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], d.d. 26 maart 2013, (blz. 123 en 124) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik ben eigenaresse van de [winkel 1] aan de [adres 2] te Enschede. Op

25 maart 2013 is er een gewapende overval gepleegd in de [winkel 1].

Mijn shop is beveiligd met een camerasysteem en bij het uitkijken van de beelden van de overval viel het mij op dat ik de dader van de overval meteen herkende. Ik herkende hem meteen aan zijn witte sportschoenen, in combinatie met zijn lengte zijn postuur en zijn manier van lopen.

Ik weet dat de man die ik bedoel [voornaam verdachte] heet. Hij heeft boven de shop gewoond bij een man genaamd [naam 1]. In de tijd dat hij bij [naam 1] woonde, kwam hij dagelijks meerdere malen bij mij in de shop om iets te kopen, vandaar dat ik hem ook herken aan zijn witte sportschoenen, zijn postuur en zijn manier van lopen.

Ik heb hier later over gesproken met mijn dochter [getuige 2] en het overvallen personeelslid [slachtoffer 1]. Toen ik hen vertelde wat ik op de camerabeelden had gezien, waren zij ook van mening dat de dader de door mij bedoelde bovenbuurman zou kunnen zijn.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], d.d. 27 maart 2013, (blz. 125 en 126) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

"Ik ben als caíssière werkzaam in de shop van het [tankstation]-tankstation gevestigd [adres 2] te Enschede. Afgelopen maandag, 25 maart 2013 is de shop overvallen. Ik was toen niet aanwezig. De overval is middels een camera in de shop op videoband vastgelegd. Mijn moeder, [getuige 1], is eigenaresse van de shop. Zij had de beelden gezien. Zij heeft mij de beelden ook laten zien en zei dat ik goed op moest letten. Ik heb gisterenochtend, 26 maart de beelden bekeken. Mijn moeder zei van te voren niets tegen mij over de persoon die op de beelden te zien zou zijn. Toen ik de beelden bekeek herkende ik aan het loopje een mij bekende junk die wel vaker in de shop kwam. Tot een half jaar heeft hij zelfs boven de shop gewoond. De kamer werd verhuurd door ene [naam 1]. Ik kan het loopje niet nadoen of uitleggen, maar het is wel herkenbaar voor mij. Deze junk droeg altijd witte sportschoenen. De man op de beelden droeg dezelfde sportschoenen. Ik ken deze man best goed, want ik heb hem zelfs al weggestuurd toen hij hier voor de shop stond te dealen. Toen ik de beelden had gezien zei ik tegen mijn moeder dat ik de junk die boven had gewoond herkende. Mijn moeder zei toen:"Dan denken wij hetzelfde. Ik dacht dat ook".

Ik ben mij er van bewust dat mijn getuigenverklaring er toe kan leiden dat deze man door de politie aangehouden gaat worden. Ik herken hem voor 100 % van de beelden."

Feit 3:

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 augustus 2013, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Mijn moeder woont in [plaats] (Duitsland) aan de [adres 1]. Ik was regelmatig bij mijn moeder. Ik ging weleens met de taxi vanuit [plaats] naar Enschede.

2.

Het Duitse proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4], d.d. 29 maart 2013 (blz. 260 t/m 264), waarvan een Nederlandse vertaling is opgenomen in het proces-verbaal ten behoeve van raadkamer met het dossiernummer BVH PL26SO 2013015808, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Wij, mijn vriend [slachtoffer 5] ([slachtoffer 5]) en ik, zijn naar het station in Enschede gegaan en wilden de laatste trein naar Munster nemen. Dat was om ongeveer 23.05 uur.

Al daarvoor viel ons op dat twee mannen het perron opkwamen. Een van de twee leek behoorlijk onder invloed van drugs of alcohol. De andere man stond rechts van mij en sprak mij aan, waarbij mij is opgevallen dat hij Duits sprak. Voor zover ik kon beoordelen zonder accent.

In Enschede zijn wij ingestapt en een beetje verwijderd van de andere reizigers gaan zitten. De dronken man is achter ons gaan zitten. Toen verscheen de tweede man. De trein begon toen langzamer te rijden. Toen de trein vervolgens bijna tot stilstand kwam ( halte Glanerbrug) heb ik opeens het pistool bij de rechterarm/schouder/borst van [slachtoffer 5] gezien.

De man die als tweede aankwam en niet dronken was zei toen “mobieltjes, mobieltjes”. Daarbij zwaaide hij met het wapen heen en weer. Wij hebben toen die man onze mobieltjes gegeven. De schijnbaar dronken man was al richting deur gelopen en die met het pistool heeft zich van ons weggedraaid, waarna beiden nogal gehaast en snel zijn uitgestapt, met één of twee fiets(en). Mijn mobieltje was een Samsung Galaxy S2.

3.

Het Duitse proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5], d.d. 29 maart 2013 (blz. 265 t/m 268) waarvan een Nederlandse vertaling is opgenomen in het proces-verbaal ten behoeve van raadkamer met het dossiernummer BVH PL26SO 2013015808, onder meer inhoudende zakelijk weergegeven:

Ik was gisteren, 28 maart 2013, in Nederland. Wij, ik en mijn vriend [slachtoffer 4], wilden toen met de trein van Enschede naar Münster reizen.

We waren tegen ca. 23.05 uur op het perron in Enschede. Toen heeft mijn vriend de man gezien die ons later heeft overvallen.

We zijn in de trein gestapt en in het derde treindeel gaan zitten.

Een dronken man zat ongeveer 5 meter schuin tegenover ons en mompelde onverstaanbaar in zichzelf. Tot dat tijdstip was de tweede man nergens te bekennen.

Kort voor Glanerbrug kwam de tweede man van achteren en sprak zijn maat aan.

Die stond toen op en liep in onze richting.Toen hij op onze hoogte was kwam de andere man van achter de stoel vandaan en hield een pistool tegen mijn rechterschouder.

Voor mij zag het pistool er echt uit en voelde aan als van metaal.

Tegelijkertijd eiste hij dat ik hem mijn mobieltje gaf. Omdat ik bang was heb ik hem toen mijn mobieltje, Samsung Galaxy Note 2, gegeven.

Toen eiste hij dat ook mijn vriend [slachtoffer 4] hem zijn mobieltje zou geven.

Ook [slachtoffer 4] heeft hem zijn mobieltje gegeven. Die met het pistool sprak foutloos Duits. Dat speelde zich allemaal af tijdens het remmen en stoppen van de trein in Glanerbrug. Zodoende konden die twee direct uitstappen.

Ik zag toen nog hoe die twee buiten met een fiets wegreden.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], van 17 mei 2013, pagina 237 t/m 245, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Deze verklaring wordt opgenomen in de zogenoemde vraag en antwoordstijl:

V= Vraag van verbalisanten aan getuige.

A= Antwoord van de getuige op gestelde vragen

M= Mededeling van verbalisanten.

0= Ongevraagde opmerkingen van getuige.

V: Zou je ons kunnen vertellen waarover de Duitse politie jou gehoord heeft?

A: De Duitse politie heeft mij gehoord omdat ik in het bezit zou zijn van een telefoon die afstamt van een gewapende overval.

V: Hoe kwam je in het bezit van de telefoon?

A: Ik rijd taxi in Duitsland.

Ik vervoerde een klant van Duitsland naar Nederland toe en die klant zag dat ik een "verouderd" telefoontoestel had. Hij bood mij deze telefoon te koop aan?

0: Ik heb deze klant opgehaald aan het adres [adres 1] in [plaats], Duitsland.

V: Kun je ons vertellen wanneer je die man in de auto hebt gehad en wanneer je de telefoon hebt gekocht?

A: Ik weet dat niet precies,…ik denk de tweede week van april.

V: Wanneer was dat op een avond of ochtend?

A: Ik heb de telefoon op een avond rond een uur of 9 gekocht.

V: Oké, wanneer heb je dan die telefoon gekocht?

A: Dat moet zijn tussen 5 en 10 april 2013.

V: Wat voor telefoon heb je toen gekocht tussen 5 en 10 april 2013?

A: Samsung Galaxy Note 2, kleur titanium grijs.

V: Wat is de prijs die je er voor betaald hebt?

A: Er werd 400 euro voor gevraagd. Maar ik heb er 350 euro voor betaald. Dit is een reële prijs want op internet worden tweedehandse telefoons van dit type aangeboden voor tussen de 250 euro en 400 euro. Nieuw kosten ze 780 euro ongeveer.

V: Hoe is dat in zijn werk gegaan?

A: Ik was aan het taxi rijden en ik kreeg telefoon op mijn "arme" eenvoudig toestel. De man waar ik de telefoon van kocht zag dat ik een oud model telefoon had en hij vroeg of ik een nieuwer model wilde hebben.

V: Kwamen jullie snel overeen over het bedrag?

A: Ja, dat kwamen we snel overeen.

Ik heb niet het hele bedrag betaald ik gaf hem eerst 150 euro omdat ik niet gelijk het geld bij elkaar kon krijgen. Ik moest daarvoor eerst naar huis. Ik heb hem van [plaats] naar Enschede gebracht. Hij zou daar een bekende treffen. Een paar minuten later heb ik hem weer terug gebracht naar de [adres 1] in [plaats].

V: Heb je hem vaker dan die twee keer in de auto gehad.

A: Ja, nog 1 keer. Ik heb totaal 3 keer met hem gereden. De eerste keer dus van [adres 1] naar Enschede Zuid,…..naar mijn mening.

De tweede keer was van de [adres 1] naar het treinstation in Enschede. En de derde keer was dus toen hij vroeg naar het geld en toen hij naar de coffeeshop in Glanerbrug, Gronaustraat in Glanerbrug naast de zonnestudio, wilde

V: Als wij een foto laten zien zou je hem dan terug kennen?

A: Ja. Ik denk dat hij wel eens een jointje rookt. Ik zag dat aan zijn ogen.

NOOT VERBALISANTEN:

Wij verbalisanten tonen getuige een afbeelding voorzien van fotonummer: PL0500:13:00353. Deze afbeelding wordt als bijlage toegevoegd bij dit proces verbaal.

M: We tonen jou nu een foto.

V: Wat zie je?

M: Je schudt met je hoofd.

V: Waarom?

A: Dat is hem.

NOOT VERBALISANTEN:

Wij verbalisanten zien dat de getuige voor gezien tekent.

NOOT VERBALISANTEN:

Wij verbalisanten tonen getuige een afbeelding voorzien van

fotonummer: PL0500:13:1100. Deze afbeelding wordt als bijlage toegevoegd bij dit proces verbaal.

M: We tonen je nog een foto.

V: Wat zie je?

A: Hij lijkt op de eerste foto die ik zag... ik twijfel.

De gezichtsuitdrukking is wel gelijk, maar het haar is korter.

NOOT VERBALISANTEN:

Wij verbalisanten zien dat de getuige voor gezien tekent.

M: Bij de eerste foto die wij lieten zien herken je deze persoon als [alias 1] en bij de tweede foto twijfel je maar geef je aan dat de gelaatsuitdrukkingen wel overeen komen met [alias 1].

V: Wat voor woning is de [adres 1] in [plaats].

A: Het ziet er uit als een woonhuis. Ik bedoel hiermee een beneden- en een boven woning. Het stelt voor de rest niet veel voor. De voortuin is met zand. Het is eigenlijk een vrijstaande woning.

V: Ben je aan de deur geweest.

A: Ja.

0: [naam 3]..

V: Wat bedoel je daar mee.

A: Dat stond op een naamplaatje bij de bel. Bij de voordeur. Ik herkende [alias 1] en hij kwam naar buiten.

V: Met wie woonde hij daar?

A: Met, zover ik weet, zijn moeder. Wij hebben die moeder wel vaker weggebracht met een taxiritje.

V: Hoe wist je het adres van [alias 1] zo exact?

A: Ik ben er ook met de Duitse politie geweest. Ik heb het huist toen aangewezen. Ik woon in de buurt.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 17 mei 2013, pagina 99 t/m105, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:

De verdachte verklaarde:

"Deze verklaring is opgenomen in de zogenoemde vraag en antwoord stijl. V= Vraag van de verbalisanten.

A= Antwoord van de verdachte.

M= Mededeling van de verbalisanten.

0= Ongevraagde opmerking van de verdachte.

0: Daar kan ik wel wat over vertellen dat was een eenmans actie van [alias 2]. Hij zat naast mij in de trein. Ik was onderweg naar huis. Ik wist van niks. Hij loopt op die jongens af. En eeuhh.. ik stond ook op. Ik hoorde toen

!

Deine freund auch. Ik ben toen de trein uitgestapt. Ik had mischien moeten helpen.

V: Wie had je dan moeten helpen?

A: Kijk ik wist niet wat er aan de hand was. Ik heb geen wapen gezien. Die jongens werden van twee telefoons afhandig gemaakt.

M: Maar jij zei net dat je mischien moest helpen.

V: Maar wie moest je dan helpen?

A: Die twee jongens

V: Waarom dan?

A: Ik had zo'n vermoeden dat [alias 2] ze wilde gaan rippen ofzo.

V: Welke [alias 2]?

A: Ik ken hem als [alias 2]. het is een snelle gladde jongen. Hij woont bij zijn moeder in Duitsland.

0: Hij heeft eeen vriendin.

V: Hoe heet zijn vriendin?

A: Weet ik niet. Bij de [tankstation] in Holland laat hij mij niet verder dan de keuken.

V: Wat bedoel je met [tankstation] in Holland?

A: Aan de singel bij een tankstation de zo heet. Het is achter de boulevard.

M: Wij laten jouw een politie foto's zien met de nummers P10500:13:00353 en P10500:13:1100.

V: Wie is dat?

A: Ja dat is [alias 2]. beide foto's zijn van [alias 2].

V: Hoe wist je dat [alias 2] twee telefoons had gepakty van die jongen? A: Ja later hij liet het mij zien.

V6.

De waarneming van de rechtbank met betrekking tot 2x 2 foto’s van verdachte, fotonummer PLO500:13:00353 en PLO500:13:1100.

7

Het proces-verbaal, nummer PL26S0 2013015808-18, van verhoor van verdachte d.d. 6 juni 2013, (blz. 57 t/m 62) onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Onderstaand verhoor vindt plaats volgens de vraag en antwoordmethode. V staat voor vraag verbalisanten. A staat voor antwoord verdachte. O staat voor opmerkingen verbalisanten.

V: Woont jouw moeder nu samen?

A. Samen met mijn stiefvader. Mijn stiefvader heet [naam 1].