Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:2024

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-09-2013
Datum publicatie
03-09-2013
Zaaknummer
AWB 13/1745
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Oneigenlijk handhavingsverzoek ten aanzien van gebruik dienstwoning als burgerwoning te Hengelo; toewijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6247
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/1745

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekers],

wonende te Hengelo, verzoekers,

gemachtigde: mr. M.M. Breukers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo,

verweerder,

en

[belanghebbende],

belanghebbende,

gemachtigde: mr. E.S. Fikkert.



13/1745

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2010 heeft verweerder verzoekers gelast het gebruik van de woning aan de[adres] in Hengelo als burgerwoning binnen vier maanden na verzending van dat besluit te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 21 september 2010 heeft verweerder het hiertegen door verzoekers ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd met dien verstande dat de begunstigingstermijn werd verlengd tot 31 maart 2011.

Tegen dit besluit hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank Almelo.

Bij besluit van 27 september 2011 heeft verweerder het besluit van 21 september 2010 ingetrokken en aan verzoekers een (persoonsgebonden) gedoogbeschikking verleend ter zake van het gebruik van de woning aan de [adres] in Hengelo als burgerwoning.

Tegen dit besluit heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 24 november 2011 heeft de rechtbank Almelo het beroep van verzoekers, voor zover gericht tegen het besluit van 21 september 2010, niet ontvankelijk verklaard en het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 27 september 2011, doorgezonden naar verweerder om dit als bezwaarschrift te behandelen.

Bij separate besluiten van 14 februari 2012 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers

en belanghebbende ongegrond verklaard en het besluit van 27 september 2011 gewijzigd gehandhaafd.

Tegen deze besluiten hebben zowel verzoekers als belanghebbende beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 11 maart 2013 heeft de rechtbank Oost-Nederland beide beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 14 februari 2012 vernietigd.

Bij besluit van 28 mei 2013 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers en belanghebbende gegrond verklaard, de gedoogbeschikking van 27 september 2011 ingetrokken en verzoekers gelast om het gebruik van de woning aan de [adres]in Hengelo als burgerwoning binnen vier maanden na verzending van dat besluit te staken en gestaakt te houden.

Verzoekers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Tevens hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen tot in ieder geval zes weken na de uitspraak in de beroepsprocedure.

Het verzoek is ter zitting van 29 augustus 2013 behandeld. Namens verzoekers is verschenen R.H. Bos, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. van Dijk en M.J. Lenferink. Namens belanghebbende is, onder kennisgeving daarvan aan de rechtbank, niemand verschenen.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.

De woning van verzoekers heeft ingevolge het bestemmingsplan ‘A1 Zone’ de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. Ingevolge artikel 4.1 van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn gronden met deze bestemming onder meer bestemd voor bedrijven

die zijn genoemd in bijlage I (de staat van bedrijfsactiviteiten per bedrijventerrein) onder

de categorieën 1, 2 en 3 én voor zover deze qua categorie overeenkomen met de categorieën die op de plankaart zijn aangegeven. Dienstwoningen zijn binnen deze bestemming uitsluitend toegestaan indien de gronden zijn voorzien van de nadere aanduiding ‘dienstwoning’. Op de plankaart is het perceel Hamerstraat 26 van deze aanduiding voorzien.

Artikel 1, onder 25, van de voorschriften bepaalt dat onder een dienstwoning wordt verstaan een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is.

Voorts bepaalt artikel 4.5.1. van de voorschriften dat het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met

de gegeven bestemming.

3.

In juli 2009 is verweerder, onder meer door belanghebbende, verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning aan de [adres]als burgerwoning. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het thans bestreden besluit. Aan de aan verzoekers opgelegde last om het gebruik van hun woning als burgerwoning te staken en gestaakt te houden heeft verweerder een dwangsom verbonden van € 10.000,- per week dat niet aan de last is voldaan, met een maximum van € 50.000,-.

4.

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter stelt vast, dat de huisvesting van verzoekers op het perceel [adres] geen verband houdt met een op dat perceel aanwezig zijnd bedrijf en dat zij hun woning niet als dienstwoning gebruiken.

Niet in geschil is derhalve dat het gebruik dat verzoekers maken van de woning aan de [adres]in strijd is met de voor dat perceel geldende bestemming.

5.

Verzoekers voeren in beroep aan dat de opgelegde last onder dwangsom in strijd is met

het gelijkheidsbeginsel, omdat op het bedrijventerrein Timmersveld, waar de woning van verzoekers is gelegen, veel dienstwoningen in strijd met de bestemming worden bewoond zonder dat daartegen handhavend wordt opgetreden. Verzoekers vermoeden dat dit ook op andere bedrijventerreinen het geval is. Dat ten aanzien van de onrechtmatige bewoning van andere dienstwoningen geen verzoek om handhavend optreden is ingediend, mag hierbij volgens verzoekers geen rol spelen. Daarnaast achten zij handhavend optreden in dit geval in strijd met het vertrouwens- dan wel het rechtszekerheidsbeginsel, omdat verweerder per brief van 29 juni 2009 aan de vader van verzoekers heeft laten weten dat handhavend optreden tegen het gebruik van de woning aan de [adres] als burgerwoning onevenredig bezwarend zou zijn. Verzoekers hebben de woning kort daarna, in juli 2009, middels vererving in eigendom gekregen. Ook daarna heeft verweerder nog aangegeven het gebruik van de woning als burgerwoning te willen gedogen.

6.

De voorzieningenrechter acht het op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting aangewezen dat partijen alsnog weer tijd krijgen om met elkaar in overleg te treden om te bezien of zij in het onderhavige geschil tot een oplossing kunnen komen. Hieraan liggen de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag.

7.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat uit een door hem hieromtrent uitgevoerd onderzoek is gebleken dat er op bedrijventerrein Timmersveld alsmede op andere bedrijventerreinen in ieder geval twaalf dienstwoningen zijn waarvan de bewoning geen verband houdt met een bij die woning gelegen bedrijf. Er zijn derhalve twaalf soortgelijke situaties aangetroffen als de situatie waarin verzoekers zich bevinden. Verweerder heeft tevens verklaard, en dit is ook vastgelegd in het Plan Uitvoeringsbeleid Bouwregelgeving “Zicht op kwaliteit”, dat tegen deze soortgelijke situaties op basis van het ‘piepsysteem’ handhavend wordt opgetreden. Dat wil zeggen dat verweerder doorgaans pas overgaat tot handhavend optreden tegen deze illegale bewoning van dienstwoningen als daar door een derde om wordt verzocht. Achtergrond van dit beleid is partijen ruimte te gunnen zaken

in onderling overleg te regelen.

8.

Verweerder heeft ter zitting eveneens erkend dat de aanleiding voor het door belanghebbende ingediende verzoek om handhaving is gelegen in een eerdere handhavingsprocedure die verweerder heeft opgestart tegen belanghebbende. Uit het

proces-verbaal van de op 31 oktober 2012 gehouden zitting bij de rechtbank Almelo blijkt ook dat de toenmalige gemachtigde van belanghebbende heeft verklaard dat het niet het doel van belanghebbende is om verzoekers uit hun woning te krijgen. De toenmalige gemachtigde heeft verklaard dat belanghebbende is geraakt door de tegen hem opgestarte handhavings-kwestie, omdat hij daardoor een overkapping heeft moeten slopen en het materiaal heeft laten afvoeren. Belanghebbende wenst dat de gemeente Hengelo de kosten hiervan aan hem vergoedt. Daarbij heeft belanghebbende aangegeven dat, indien de gemeente deze kosten vergoedt, er goede afspraken kunnen worden gemaakt met verzoekers over bewoning van

de bedrijfswoning. Hierbij heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende tevens vermeld dat er volgens hem ook geen ander bedrijf is dat tegen de bewoning van de bedrijfswoning van verzoekers op zal komen. Zoals verweerder ter zitting ook heeft erkend, betreft het handhavingsverzoek van belanghebbende dan ook in die zin een oneigenlijk verzoek, dat belanghebbende hiermee een ander resultaat probeert te bereiken dan het beëindigen van het gebruik van de dienstwoning als burgerwoning door verzoekers.

9.

Het wat betreft de handhaving door verweerder gehanteerde piepsysteem is in wezen willekeurig nu handhaving afhankelijk is gesteld van verzoeken om handhaving die - om welke reden dan ook - worden gedaan. De vraag die in de bodemzaak zal dienen te worden beantwoord, is of deze willekeurigheid gelet op het oneigenlijke karakter van het verzoek van belanghebbende de handhaving in dit geval in de weg staat.

10.

Wat betreft het beroep van verzoekers op het vertrouwensbeginsel/ rechtszekerheids-beginsel, stelt de voorzieningenrechter vast dat er geen sprake is van een in rechte te honoreren ondubbelzinnige toezegging die gelet op het derdenbelang aan handhaving in

de weg staat. Het beroep van verzoekers op het vertrouwensbeginsel treft in zoverre wel

doel dat de voorzieningenrechter naar voorlopig oordeel een begunstigingstermijn van vier maanden, gelet op de voorgeschiedenis en de geruime duur van het onderhavige geschil, te kort acht.

11.

De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het bestreden besluit te schorsen tot zes weken nadat op het beroep van verzoekers uitspraak is gedaan.

12.

Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekers voor het voeren van de onderhavige procedure redelijkerwijs hebben moeten maken, Deze kosten bestaan uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en worden op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 944,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 472,-).

Tevens dient verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht aan hen te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe;

  • -

    schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat uitspraak op het beroep van verzoekers is gedaan;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ter hoogte van € 944,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht ter hoogte van

€ 160,- aan hen dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, en door hem en

mr. P.J.H. Bijleveld als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.