Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:1986

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
30-08-2013
Zaaknummer
C/07/200094 / FZ RK 12-1305
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De zogenaamde "informele rechtsingang voor een minderjarige" die volgt uit artikel 1:251a lid 4 BW geeft een mogelijkheid aan een rechter om, mits blijkt dat een minderjarige daar prijs op stelt, een beslissing te nemen dat het gezag over een minderjarige aan één ouder toekomt. Het betreft hier dus een ambtshalve beslissing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2013/155 met annotatie van M.M. Schouten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/07/200094 / FZ RK 12-1305

datum : 28 juni 2013

beschikking van de enkelvoudige familiekamer

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

geboren op [1996], in de gemeente [geboorteplaats],

hierna als [verzoekster] aangeduid,

en

1 [belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats],

hierna als de man aangeduid,

en

2 [belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J.W.E. Groot, advocaat te Grootebroek,

hierna als de vrouw aangeduid,

belanghebbenden.

Het procesverloop

[verzoekster] heeft bij brief, ingekomen op 26 juni 2012 ter griffie van de voormalige rechtbank Zwolle-Lelystad, onder bovenvermeld zaaknummer de rechtbank laten weten dat zij graag wil dat haar vader zeggenschap over haar heeft.

[verzoekster] is gehoord op 30 juli 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- de brieven met bijlagen van de vrouw d.d. 22 augustus 2012, 6 september 2012 en 11 september 2012;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna als de Raad aangeduid, d.d. 14 december 2012.

De volgende zittingen met gesloten deuren hebben plaatsgevonden:

Op 11 september 2012 zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door mr. J.W.E. Groot;

- A. uit den Boogaard, namens de Raad.

Op 20 september 2012 zijn verschenen:

- de man;

- J. Zijlstra, namens de Raad.

Op 2 april 2013 zijn de man en de vrouw, bijgestaan door mr. J.W.E. Groot, afzonderlijk van elkaar gehoord en voor het overige zijn verschenen:

- [verzoekster];

- M. Bosgra, namens de Raad;

- S. Postel, gezinsvoogd.

Vaststaande feiten

De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest.

De minderjarige kinderen van de man en de vrouw zijn:

1. [verzoekster], geboren op [1996] in de gemeente [geboorteplaats];

2. [betrokkene], geboren op [2000] in de gemeente [geboorteplaats], thans gemeente [geboorteplaats].

Bij beschikking van genoemde rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 10 maart 2011 is de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken.

Deze beschikking is op 4 juli 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen.

In voornoemde echtscheidingsbeschikking is door genoemde rechtbank Zwolle-Lelystad onder meer bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben.

[verzoekster] verblijft sinds december 2011 bij de man.

Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 20 september 2012 is [verzoekster] op verzoek van de Raad voorlopig onder toezicht gesteld, met ingang van 20 september 2012 tot 4 oktober 2012, met benoeming van Bureau Jeugdzorg Overijssel tot gezinsvoogdij-instelling.

Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 1 oktober 2012 is de voorlopige ondertoezichtstelling voor [verzoekster] verlengd tot 20 december 2012.

Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 17 december 2012 en verbeterd bij beschikking van 6 februari 2013, is [verzoekster] onder toezicht gesteld met ingang van 20 december 2012 tot 20 december 2013, met handhaving van Bureau Jeugdzorg Overijssel als gezinsvoogdij-instelling.

Beoordeling van de zaak

Gezag

De rechtbank concludeert uit de wens van [verzoekster] dat haar vader zeggenschap over haar heeft, dat zij, op de voet van artikel 1:251a lid 4 BW, prijs stelt op een beslissing die er op neer komt dat het gezag over haar alleen aan de vader toekomt. [verzoekster] heeft daartoe onder meer aangevoerd dat zij thuis bij de vrouw niet goed werd behandeld waardoor zij eind december 2011 bij de man is gaan wonen. De vrouw wilde volgens [verzoekster] geen contact met haar en met de man en belemmert het contact tussen [verzoekster] en haar zusje [betrokkene]. [verzoekster] maakt zich zorgen over haar zusje [betrokkene], die nog wel bij de vrouw verblijft. [verzoekster] wil graag een goede contactregeling met [betrokkene]. Omdat de vrouw zaken, bijvoorbeeld voor school, tegenwerkt, verzoekt [verzoekster] om het eenhoofdig gezag aan de man toe te kennen.

De man heeft aangevoerd dat hij graag wil dat [verzoekster] weer een goede band met haar moeder en zussen krijgt en hij wil daaraan meewerken. Sinds [verzoekster] bij de man woont, gaat het beter met haar. Het grootste probleem is de communicatie tussen de vrouw en de man. De wijziging naar eenhoofdig gezag draagt volgens de man vermoedelijk niet bij aan een beter contact tussen [verzoekster] en de vrouw.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij geprobeerd heeft contact te zoeken met [verzoekster] maar dit is niet gelukt. De vrouw wil graag betrokken blijven bij [verzoekster]. Zij zal niet eisen dat [verzoekster] direct naar huis komt maar zij verzet zich tegen een (eventuele) wijziging van de hoofdverblijfplaats en de wijziging van het gezag. De vrouw maakt zich zorgen over de wijze waarop de man [verzoekster] opvoedt. De vrouw heeft verder aangevoerd dat de zorgen om [betrokkene] onterecht zijn. Volgens de vrouw is bovendien sprake van stalking door de man van de vrouw.

Namens de Raad is aangegeven dat twijfels bestaan over handhaving van het gezamenlijk gezag. Aangeboden is een onderzoek te doen naar aanleiding van de wens van [verzoekster] om het eenhoofdige gezag toe te wijzen aan de man.

Namens Bureau Jeugdzorg Overijssel is aangegeven dat wijziging van het gezag niet wenselijk is en wordt gepleit voor een bemiddelende rol van de gezinsvoogd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:251a lid 4 BW kan de rechtbank ambtshalve, mits blijkt dat de minderjarige hierop prijs stelt, een beslissing nemen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, als bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel. Gebleken is dat tussen de man en de vrouw veel strijd bestaat en er geen communicatie plaatsvindt. Hoewel er een groot risico bestaat dat [verzoekster] klem en/of verloren raakt tussen haar ouders, ziet de rechtbank nog mogelijkheden dat de situatie binnen afzienbare tijd zal verbeteren. Daarvoor geldt dat met behulp van de gezinsvoogd binnenkort een gesprek tussen de vrouw en [verzoekster] zal plaatsvinden om het contact tussen hen weer op gang te brengen. [verzoekster] heeft aangegeven heel graag weer contact met de vrouw te willen hebben. De gezinsvoogd acht een gezagswijziging een mogelijke belemmering bij dit proces. Gelet hierop acht de rechtbank het niet opportuun om op dit moment te bepalen dat het gezag alleen aan de man toekomt.

Weliswaar hebben [verzoekster] en de man aangegeven dat het gezamenlijk gezag voor praktische problemen kan zorgen wanneer de vrouw weigert een handtekening voor bepaalde zaken te zetten, maar in de praktijk hebben zich geen noemenswaardige problemen gemanifesteerd.

Verder heeft de gezinsvoogd verklaard daarvoor in voorkomende gevallen oplossingen te zien, door het geven van een schriftelijke aanwijzing.

Er bestaat daarom geen aanleiding ambtshalve een beslissing te geven als bedoeld in artikel 1:251a eerste lid BW.

Beslissing

De rechtbank:

Handhaaft de gezagsvoorziening zoals is bepaald in de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 maart 2011.

Aldus gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van A. van der Weide als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2013.

Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de rechtbank kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de verschenen belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De termijn is voor andere belanghebbenden drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden. Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een procureur/advocaat verplicht.