Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:1700

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-08-2013
Datum publicatie
06-08-2013
Zaaknummer
08/760080-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisvonnis; 30 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk voor brandstichting in eigen pizzeria, terwijl van deze brandstichting ook levensgevaar te duchten was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760080-13

Datum vonnis: 6 augustus 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats],

wonende in [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 juli 2013. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.K. Kooij en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. B.J. de Pree, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: in de nacht van 2 op 3 april 2013 in Wierden samen met een ander of anderen, dan wel alleen, opzettelijk brand heeft gesticht waardoor personen en/of goederen in gevaar werden gebracht;

subsidiair: in de nacht van 2 op 3 april 2013 in Wierden geprobeerd heeft om samen met een ander of anderen, dan wel alleen, opzettelijk brand te stichten waardoor personen en/of goederen in gevaar werden gebracht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

Primair

hij in of omstreeks de nacht van 2 op 3 april 2013 in de gemeente Wierden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een bedrijfspand (Pizzeria) aan de [adres], immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk in dat bedrijfspand op een vloer/deurmat en/of op een of meer andere plaats(en) in dat bedrijfspand (telkens) een hoeveelheid (motor)benzine en/althans een vluchtige/brandversnellende, vloeistof(fen) gesprenkeld/gegoten/ingebracht en/of (vervolgens) met een brandend(e) krant/stuk papier die vloer/deurmat aan/in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die vloer/deurmat, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die vloer/deurmat en/of een of meer rolgordijn(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inventaris van) dat bedrijfspand en/of (de inventaris van) de/het belendende perce(e)l(en) van dat bedrijfspand, in elk geva1 gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoner(s) van de/het belendende perce(e)l(en) van dat bedrijfspand, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair ter zake dat

hij in of omstreeks de nacht van 2 op 3 april 2013 in de gemeente Wierden ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten in een bedrijfspand (Pizzeria) aan de [adres], terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inventaris van) dat bedrijfspand en/of (de inventaris van) de/het belendende perce(e)l(en) van dat bedrijfspand, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoner(s) van de/het belendende perce(e)l(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen toen aldaar opzettelijk in dat bedrijfspand op een vloer/deurmat en/of een of meer andere plaats(en) in dat bedrijfspand (telkens) een hoeveelheid (motor)benzine en/althans een vluchtige/brandversnellende vloeistof(fen) heeft gesprenkeld/gegoten/ingebracht en/of (vervolgens) met een brandende krant/stuk papier die vloer/deurmat in brand/aan heeft gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft gebracht met die vloer/deurmat, althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie vordert daarnaast dat de rechtbank bij de einduitspraak de gevangenneming van verdachte zal bevelen.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Feit 1 primair

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit. De officier van justitie acht bewezen dat door de brand, naast gemeen gevaar voor goederen in het pand van de brand en omliggende panden, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de omliggende panden te duchten was.

De officier van justitie heeft zijn standpunt gebaseerd op de getuigenverklaringen van

[getuige 1] en [getuige 2], de zendmastgegevens van verdachtes mobiele telefoon, een tapgesprek tussen verdachte en zijn schoonzus en op het proces-verbaal van sporenonderzoek/brandoorzaakonderzoek.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte brand heeft gesticht met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen, zodat verdachte vrijgesproken zou moeten worden van het tenlastegelegde.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op 3 april 2013 heeft verdachte om 08.45 uur gemeld dat er brand is geweest in zijn [pizzeria] gevestigd aan de [adres] te Wierden. Verdachte is op 2 april ’s avonds om 21.40 uur weggegaan uit zijn pizzeria. Aanvankelijk verklaarde verdachte, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, dat hij naar huis was gegaan en de hele nacht niet meer was weggeweest. Dat is door zijn vrouw en schoonzus tegenover de politie bevestigd.

Uit een afgetapt telefoongesprek, gevoerd op 3 april 2013 te 20:09 uur van verdachte met zijn schoonzus, blijkt dat verdachte haar heeft gevraagd om te zeggen dat verdachte niet meer is weggeweest op 2 april ’s avonds.

Verdachte is blijkens de gegevens van zijn telefoon, die hij als enige gebruikt, in de nacht van 2 op 3 april 2013in Wierden geweest. Dat wordt door verdachte uiteindelijk - na eerdere ontkenningen - ook bevestigd in zijn laatste verklaring op 17 mei 2013 en ter terechtzitting op 23 juli 2013. Verdachte geeft daarbij toe dat hij in die nacht in de directe nabijheid van zijn bedrijfspand is geweest. Verdachte is in de nacht van 2 op 3 april tussen 00.00 uur en 00.45 uur bij zijn bedrijfspand gezien en aangesproken door de schoonzoon van buurvrouw [getuige 2]. Deze schoonzoon genaamd [getuige 1] en zijn schoonmoeder roken een benzinelucht waarop [getuige 1] naar buiten is gegaan en verdachte zag. Hij hoorde verdachte zeggen: “hé buurman”. [getuige 1] vroeg daarop aan verdachte of hij wist waar de benzinelucht vandaan kwam en of hij de benzinelucht ook rook. [getuige 1] hoorde dat verdachte zei: “ik denk dat het afkomstig is van de scooters”. Hierna is verdachte, zo zegt [getuige 1], de pizzeria binnengegaan. [getuige 1] zag dat verdachte gekleed was in een oranje shirt. Verdachte heeft op 10 april 2013 tegenover de politie verklaard dat hij en zijn medewerker [medewerker] in de pizzeria als bedrijfskleding een oranje shirt dragen met daarop de tekst ‘Thuisbezorgd.nl’.

Een oranje shirt met daarop het logo “Thuisbezorgd.nl” werd na de brand door de politie aangetroffen in de keuken van de pizzeria. Uit het rapport van het NFI blijkt dat op het shirt vluchtige stoffen zijn aangetroffen die afkomstig zijn van deels ingedampte motorbenzine.

In het hele pand was een penetrante benzinelucht aanwezig. Volgens het onderzoek van het team technische recherche van de politie Twente is de brand gedoofd door een gebrek aan zuurstof.

De ruit van de toegangsdeur was vernield. Op de deurmat achter de toegangsdeur waren inbrandingen zichtbaar. Deze inbrandingen passen bij een brand waarbij met een ontbrandbare vloeistof is gesprenkeld. Op de deurmat zijn twee plaatsen te zien waar de brand is ontstaan.

Op de deurmat lag de krant van 3 april 2013. De krant was niet aangetast door de brand. De krantenbezorger heeft op 3 april 2013 omstreeks 06.20 uur de krant via de brievenbus in de voordeur van de pizzeria naar binnen geduwd. De ruiten van de pizzeria waren op dat moment nog heel. Het was de krantenbezorger wel opgevallen dat de ruiten vies en zwart waren. Volgens de forensisch onderzoekers is de brand van binnenuit ontstaan omdat de ruit van de vernielde toegangsdeur aan de buitenzijde niet was beroet. Daaruit kan volgens de forensisch onderzoekers worden afgeleid dat de ruit pas is verbroken nadat de brand al gedoofd was. De ruit van de voordeur is van buiten naar binnen vernield gezien het feit dat buiten op de stoep vóór deze deur nagenoeg geen glas is aangetroffen.

De forensisch onderzoekers hebben voorts geen braakschade gevonden wat er volgens hen op duidt dat de brand door een sleutelhouder moet zijn aangestoken. Verdachte heeft verklaard dat alleen hij beschikt over de sleutels van het pand.

Verdachte heeft steeds ontkend ook maar iets met het tenlastegelegde feit te maken te hebben. Hij ontkent ook 's nachts aangesproken te zijn door [getuige 1]. Tevens weet verdachte niets van het merkwaardige telefoongesprek met zijn schoonzus of geeft daarvoor een nauwelijks aannemelijke verklaring.

Verdachte heeft op 21 maart 2013 contact gehad met zijn tussenpersoon [tussenpersoon] van [verzekeringsmaatschappij]. Verdachte heeft geïnformeerd naar de lopende verzekeringen en of de premies waren betaald.

Verdachte heeft op 19 april 2013 verklaard dat hij het restaurant in Wierden wilde verkopen om zich geheel te wijden aan het restaurant in [plaats].

De rechtbank stelt vast dat verdachte een ander scenario schetst dan uit het dossier naar voren komt. Daar waar getuige [getuige 1] verdachte op de plaats delict heeft gezien, blijft verdachte volhouden dat hij op het door getuige [getuige 1] genoemde tijdstip niet bij zijn pizzeria is geweest. De verklaring die verdachte uiteindelijk op 17 mei 2013 geeft over zijn doen en laten die nacht acht de rechtbank niet geloofwaardig nu de verklaring van verdachte niet te verifiëren is en overigens ook in strijd is met het in het dossier aanwezige bewijsmateriaal. Vast staat dat verdachte die nacht - anders dan hij aanvankelijk heeft verklaard - in de directe nabijheid van zijn restaurant in Wierden was. De rechtbank acht de verklaring van verdachte omtrent de reden van zijn komst naar Wierden echter volstrekt ongeloofwaardig, alleen al vanwege meerdere discrepanties tussen verdachtes verklaring omtrent de gang van zaken naar aanleiding van vermeende bedreigingen en de inhoud van de door de verdediging ingebrachte brief van de ondernemer [ondernemer], een en ander zoals ter terechtzitting is gebleken.

Op basis van de verklaring van de getuige [getuige 1], die de verdachte bij de pizzeria ziet lopen op het moment dat een sterke benzinegeur werd waargenomen, en de bevindingen van de technische recherche waaruit blijkt dat de brand binnen in het restaurant moet zijn aangestoken door een persoon die beschikte over de sleutels van het pand, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte de brand gesticht heeft. Dat de brand binnen is aangestoken en de ruit van de voordeur van de pizzeria pas na het uitdoven van de brand is vernield, volgt ook uit de waarneming van de krantenbezorger. Voorts zijn er geen braaksporen aangetroffen. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [getuige 1] te twijfelen. De getuige [getuige 1] en de verdachte hebben beiden verklaard dat zij elkaar kennen. De rechtbank concludeert bovendien uit het gesprek dat getuige [getuige 1] met verdachte had, dat een dergelijk gesprek alleen gevoerd wordt met iemand als verdachte die bekend is met het gegeven dat [getuige 1] de buurman is en met het gegeven dat er scooters staan op de plaats delict.

Voorts hecht de rechtbank betekenis aan het feit dat verdachte een telefoongesprek met zijn schoonzus heeft gevoerd waaruit blijkt dat hij haar gevraagd heeft tegenover de politie te verklaren dat hij op 2 april ’s avonds na thuiskomst niet meer weggeweest is. Geconfronteerd met dat gesprek kan verdachte daarvoor geen aannemelijke verklaring geven.

Tenslotte vindt de rechtbank het op zijn minst genomen opmerkelijk dat verdachte op

21 maart 2013 contact heeft gehad met de tussenpersoon van de verzekeraar over de verzekeringspolissen van het restaurant in Wierden. De overtuiging van de rechtbank op basis van wettige bewijsmiddelen is daardoor nog eens versterkt.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat, gezien voornoemde bewijsmiddelen in onderling verband en in samenhang bezien, het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

5.2

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de nacht van 2 op 3 april 2013 in de gemeente Wierden, opzettelijk brand heeft gesticht in een bedrijfspand (Pizzeria) aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in dat bedrijfspand op een deurmat in dat bedrijfspand een vluchtige/brandversnellende, vloeistof gesprenkeld/gegoten/ingebracht en heeft vervolgens vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die deurmat gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat bedrijfspand en (de inventaris van) de belendende percelen van dat bedrijfspand, en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners van het belendende perceel van dat bedrijfspand te duchten was.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 157 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf en de hoogte hiervan allereerst rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voor het onderhavige feit zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geen oriëntatiepunten vastgesteld, zodat de rechtbank de strafoplegging in vergelijkbare zaken in haar overwegingen zal betrekken. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft in zijn eigen pizzeria brand gesticht door gebruik te maken van benzine of een soortgelijke vluchtige, brandversnellende vloeistof. Het is algemeen bekend dat een brand, zeker één die wordt uitgevoerd met benzine of een soortgelijke stof, zich razendsnel, onvoorspelbaar en vaak oncontroleerbaar uitbreidt, waardoor het gevaar op het in brand raken dan wel verbranden van goederen en/of personen zeer nadrukkelijk aanwezig is.

Het bedrijfspand van verdachte maakt deel uit van een aaneengesloten bebouwing en in de woning boven het aangrenzende pand waren op het moment van de brand bewoners aanwezig.

Uit onderzoek is gebleken dat de brand vermoedelijk door een tekort aan zuurstof uit zichzelf is gedoofd. Hierdoor is de schade beperkt gebleven tot het gedeeltelijk verbranden van de deurmat. Een omstandigheid die geenszins een verdienste van verdachte is.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat het bewezenverklaarde feit een zeer ernstig feit is, waarop de wetgever terecht een forse vrijheidsstraf heeft gesteld.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden met het gegeven dat verdachte, blijkens het op zijn naam gesteld uitreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 26 juni 2013 niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, met name gelet op de aard van het feit en de mogelijke gevolgen daarvan voor derden, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden op zijn plaats is.

Om te bevorderen dat verdachte niet zal recidiveren, zal de rechtbank van de op te leggen vrijheidsstraf een gedeelte voorwaardelijk opleggen.

Ondanks dat de rechtbank verdachte schuldig acht aan het primair tenlastegelegde vindt de rechtbank onvoldoende termen aanwezig om de gevangenneming van verdachte te gelasten.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 27 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

    primair: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

  • -

    beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

wijst af de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. B.W.M. Hendriks en

mr. B.J.T. Bouma, rechters, in tegenwoordigheid van M.M. Diepenmaat, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2013.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met nummer 2013032368. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van sporenonderzoek/brandoorzaakonderzoek van 4 april 2013, pagina’s 25 t/m 29, inhoudende zakelijk weergegeven:

Op woensdag 3 april 2013, werd door ons verbalisanten als forensische onderzoekers op verzoek van Regiopolitie Oost-Nederland, district Twente, een forensisch onderzoek naar sporen en brandoorzaak verricht in verband met een brandstichting, gepleegd na dinsdag 2 april 2013 te 21:30 uur en voor woensdag 3 april 2013 te 08:43 uur.

Uit informatie van de collega's van de uniformdienst, was duidelijk geworden dat de brand op woensdag 3 april omstreeks 08:43 uur was gemeld door de gebruiker van dit nader genoemde pand.

Wij zagen dat de ruit van de voordeur was vernield en buiten op de stoep voor deze deur nagenoeg geen glas lag. Wij zagen geen aantasting door vuur aan de ruiten en of gevel van de voorzijde van dit pand. Echter was wel zichtbaar dat er aan de binnenzijde aantastingen door vuur waren. Verder was er geen braakschade aan ramen en of deuren.

Na het openen van de voordeur zagen wij binnen diverse glasdelen liggen. Deze glasdelen hadden breuklijnen welke passen bij botsend geweld. Deze breuklijnen waren niet ontstaan door hitte inwerking. Op de buitenzijde van de nog in de deur aanwezige glasdelen was geen roetafzetting waarneembaar. Dit wijst er op dat deze ruit ten tijde van de brand geheel gesloten was.

Op de vloermat achter deze toegangsdeur waren inbrandingen zichtbaar. Gezien het beeld van inbranding past dit bij een brand waarbij met een (vluchtige) ontbrandbare vloeistof was gesprenkeld. Op de vloermat waren twee primaire brandhaarden waarneembaar welke op de binnenzijde van de toegangsdeur ook zichtbaar waren. Op de vloermat lag op de brandresten (papier door vuur aangetast) een krant van 3 april 2013. Deze krant was niet door vuur aangetast.

Wij hebben met een PID meter diverse metingen verricht en diverse waarden waargenomen van vluchtige ontbrandbare stoffen (koolwaterstoffen). Bij het naar binnen gaan van het pand werden continu waarden gemeten. Aan de hand van deze metingen hebben wij diverse brandresten (deel van de vloermat) veiliggesteld in een daarvoor bestemde glazen pot (SIN AAFL8522NL).

In de kast van de keuken zagen wij kleding. Aan de hand van metingen hebben wij diverse brandresten (oranje trui) veiliggesteld. Op de aangetroffen oranje kleding stond de tekst "thuisbezorgd.nl". Wij hebben diverse brandresten (oranje trui) veiliggesteld in een daarvoor bestemde glazen pot (SIN AAFL8521NL).

Achter het pand dat bereikbaar was middels de achterdeur zagen wij enkele containers, stoelen en twee scooters die waren voorzien van bezorgkoffers.

Wij zagen aan de achterdeur geen braakschade. Verder was er geen braakschade aan ramen en of deuren.

Uit het hierboven beschreven aangetroffen brandbeeld en de aangetroffen situatie leiden wij af dat er bewust een vluchtige ontbrandbare vloeistof was ingebracht, mogelijk op meerdere locaties in dit pand. Door het opzettelijk achterlaten van vuur in enigerlei vorm op en of nabij de vloermat van de voordeur was een brand ontstaan.

Vervolgens moet deze brand zijn gedoofd door gebrek aan zuurstof. Gezien de hoeveelheid aanwezig brandbaar materiaal en de ingebrachte vluchtige ontbrandbare vloeistof had deze brand zich kunnen ontwikkelen.

Gezien het ontbreken van een oorzaak, waardoor deze brand kon zijn ontstaan moet hier, opzettelijk vuur zijn ingebracht om deze brand te ontsteken.

Wij hebben geen braakschade aangetroffen wat er op duidt dat door een sleutelhouder deze brand moet zijn ontstoken.

Gezien de situatie was het mogelijk dat de brand had kunnen overslaan naar de naast gelegen woning en of meerdere buurpanden. De brand vond in de nacht plaats. Door de brand, aanwezige dampen en of rookontwikkeling was het mogelijk dat er gevaar voor goederen en of personen zou kunnen ontstaan in de omgeving van dit door vuur aangetaste pand. Dit pand was binnen de bebouwde kom van Wierden gelegen.

Zoals uit de beschrijving blijkt was dit pand gelegen nabij woningen en winkels binnen de bebouwde kom van Wierden. Zowel links als rechts van dit pand bevonden zich

andere bewoonde woningen. Er was bij deze brand dan ook gemeen gevaar voor goederen te duchten.

Zowel de bewoners van links als de bewoners rechts en van de rondom gelegen woningen hebben door deze brand ook aanzienlijk gevaar gelopen om bij deze brand zwaar gewond of zelfs het leven te laten. Er was bij deze brand derhalve levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten.

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 5 april 2013,

pagina 52, inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 3 april 2013 te Wierden heeft [getuige 3] omstreeks 06:20 uur de krant via de brievenbus in de voordeur van de pizzeria naar binnen geduwd. Het is [getuige 3] opgevallen dat de ruiten vies en zwart waren. De ruiten waren niet stuk. [getuige 3] heeft daar niemand gezien en hem is verder ook niets afwijkends opgevallen.

3.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 april 2013, pagina’s 127 t/m 130, inhoudende zakelijk weergegeven:

De pizzeria heeft sinds een maand of zes bedrijfskleding. Dit zijn oranje shirts met daarop de tekst “Thuisbezorgd.nl”. Ik en [medewerker] dragen deze shirts.

4.

Het geschrift, te weten een rapport over onderzoek naar ontbrandbare vloeistoffen, naar aanleiding van een incident in Wierden van de deskundige, dr. M.M.P. Grutters, werkzaam voor het Nederlands Forensisch Instituut van 18 april 2013, pagina’s 38 t/m 43 inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 9 april 2013 heb ik van Forensische Opsporing (FO) Twente het volgende te onderzoeken materiaal ontvangen SIN AAFL8522NL en SIN AAFL8521NL, met de vraag of deze monsters vluchtige stoffen bevatten die afkomstig zijn van een ontbrandbare vloeistof.

AAFL8522NL (vloermat): er zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.

AAFL8521NL (T-shirt): er zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van een deels ingedampte motorbenzine of een aromaatrijk oplosmiddel.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], van 4 april 2013, pagina 48 en 49, inhoudende zakelijk weergegeven:

Op dinsdagavond 2 april 2013 was ik bij mijn schoonmoeder aan de [adres] te Wierden. Tussen 00.00 uur en 00.45 uur (de rechtbank begrijpt op 3 april 2013) hoorde ik dat mijn schoonmoeder tegen mij zei: “ik ruik een benzinelucht in de gang”. Ik ben toen naar buiten gelopen. Ik zag toen dat de buurman van de pizzeria buiten stond. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: "hé buurman". Ik vroeg aan hem of hij wist waar de benzinelucht vandaan kwam en of hij dat ook rook. Ik hoorde dat hij zei: "ik denk dat het afkomstig is van de scooters". Ik zag inderdaad twee scooters staan achter het hek. Ik denk dat ik een paar minuten met hem heb gesproken en hij is toen de pizzeria binnen gegaan.

De buurman ken ik als zijnde de eigenaar van de pizzeria. Hij was op het moment dat ik hem sprak gekleed in een spijkerbroek, en hij had een shirt aan in de kleur oranje.

6.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], van 4 april 2013, pagina 50 en 51, inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 2 april 2013 was ik in mijn woning, samen met mijn schoonzoon, aan de [adres] te Wierden. Tussen 00.00 uur en 00.45 uur (de rechtbank begrijpt op 3 april 2013) rook ik een sterke benzinelucht. Ik heb toen aan mijn schoonzoon gevraagd of hij ook een benzinelucht rook. Mijn schoonzoon rook ook een benzinelucht en is hierop naar beneden gelopen. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: "ik heb de buurman gesproken van de pizzeria en heb aan hem gevraagd of hij wist waar de benzinelucht vandaan zou komen"? Hij wist het ook niet en gaf aan dat het mogelijk van de scooters afkomstig zou kunnen zijn.

7.

Het proces-verbaal van relaas van verbalisant [verbalisant 1] van 17 mei 2013, pagina’s 3, 5 en 6, inhoudende zakelijk weergegeven:

Op woensdag 3 april 2013 omstreeks 11:45 uur heb ik verbalisant [verbalisant 1] telefonisch contact opgenomen en gesproken met de officier van justitie parket Oost Nederland,

mr. A.K.J. Kooij en hem ter zake ingelicht.

De officier van justitie mr. Kooij gaf mij mondeling toestemming om de historische verkeersgegevens (printgegevens) van het telefoonnummer van aangever [verdachte] zijnde

[telefoonnummer 1] met spoed op te vragen bij de provider voor de periode van 02-04-2013 te 09:00 uur tot 03-04-2013 te 15:00 uur. Deze mondelinge toestemming werd naderhand bevestigd door een schriftelijk bevel 126n Sv afgegeven namens de officier van justitie arrondissementsparket Oost Nederland, mr. A.K.J. Kooij.

Historische printgegevens van het nummer: [telefoonnummer 1] ontvangen en geanalyseerd.

Op woensdag 3 april 2013 om 15:43 uur werden de historische printgegevens ontvangen van het nummer van [verdachte] van 02-04-2013 te 09:00 uur tot 03-04-2013 te 15:00 uur.

Hieruit bleek dat de paallocaties van de gsm in gebruik bij [verdachte] tijdens de belcontacten op de navolgende data en tijdstippen betroffen:

Richting

Startdatum

Starttijd

Telefoonnummer

Straat

Plaats

Uitgaand

02-04-2013

23:31:35

[telefoonnummer 1]

[adres]

[Almelo]

Uitgaand

03-04-2013

0:51:18

[telefoonnummer 1]

[adres]

[Wierden]

Uitgaand

03-04-2013

1:06:50

[telefoonnummer 1]

[adres]

[Wierden]

Uitgaand

03-04-2013

1:22:35

[telefoonnummer 1]

[adres]

[Wierden]

Tapgesprek d.d. 03-04-2013 te 20:09:27 uur:

Bij onderzoek van telecommunicatie ten aanzien van het nummer in gebruik bij de verdachte [verdachte] werd een gesprek geïntercepteerd van 03-04-2013 te 20:09:27 uur waarbij [verdachte] uit belt naar het nummer:[telefoonnummer 2]. Een vrouw neemt op en noemt zich [getuige 4].

Gespreksgegevens: 950344-13 T001 282527779

Tijdstip: 03-04-1320:09:27 In/uit : U

Met nummer: [telefoonnummer 2]

Beller: [verdachte]

Gebelde: [getuige 4]

Onderwerp: Zeg maar dat ik tien voor tien uur al thuis was

CellIdfirst: 204-16-713-36888

MastlokatieFirst: CellIdlast

Imei: [imei-nummer]

Imsi: [imsi-nummer]

Luisteraar: 05002496 [verbalisant 2]

Tolk: 01

Taal: Armeens

Diskgegevens: 8

Opmerking tolk: De stem die ik nu in dit gesprek hoor is dezelfde stem die ik eerder in andere gespreken heb gehoord. Hij noemt zich [verdachte] en ook werd hij door anderen [verdachte] genoemd

[verdachte] belt uit met NN- [getuige 4] (fon).

Het gesprek wordt zoveel mogelijk woordelijk weergegeven.

L: Ha.

A: [getuige 4]?

L: Ja.

A: Luister eens, misschien komen de "KADDAS"(fon) of zo iets. Begrijp je.

L: Ja, ja.

A: Misschien gaan ze vragen waar was jouw man gisteren of zoiets. Zeg maar dat ik om tien voor tien uur al thuis was. Is dat goed?

L: Ja.

A: Ik heb gedoucht en ben thuis gebleven.

L: Oke.

A: Zo moet je aan ………. zeggen, je moet niet zeggen dat ik naar Hengelo ben gegaan.

L: Is goed.

A: Ja, zo moet je hen vertellen.

L: Ja

A: Is goed, daag.

Einde gesprek.

=============

Op 11 april krijg ik de opdracht van de teamleider om het gesprek weer uit te luisteren en zo mogelijk woordelijk weer te geven.

[verdachte] (sh) belt uit met NN- [getuige 4] (fon).

Het gesprek wordt zoveel mogelijk woordelijk weergegeven.

L: Ha.

A: [getuige 4]?

L: Ja.

A: Luister eens, misschien komen de "KADANER"(fon) of zo iets. Begrijp je.

L: Ja, ja.

A: Misschien vragen ze aan [getuige 5] waar was jouw man gisteren of zoiets. Zeg maar dat ik tien voor tien uur al thuis was. Is dat goed?

L: Ja

A: Ik heb gedoucht en ben thuis gebleven.

L: Oke.

A: Zo moet je tegen [getuige 5] zeggen, moet niet zeggen dat ik naar Hengelo ben gegaan.

L: Is goed.

A: Ja, zo moet je hen vertellen.

L: Ja

A: Is goed, daag.

Einde gesprek.

8.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting, zakelijk weergegeven:

In de nacht van 2 op 3 april 2013 ben ik in Wierden geweest in de nabijheid van de pizzeria.

Ik heb een telefoon met nummer [telefoonnummer 1]. Ik heb maar één telefoon en die gebruik ik alleen. Ook heb alleen ik een sleutel van de pizzeria. Ik heb een stuk of tien sleutels, deze heb ik allemaal in mijn bezit.

Ik heb tegen mijn vrouw en schoonzus gezegd dat ze moesten zeggen dat ik om 21.50 uur thuis was.

[getuige 1] ken ik. Hij komt wel eens wat eten in de pizzeria.

Ik wilde de zaak in Wierden verkopen.