Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:1355

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
10-07-2013
Zaaknummer
08/710643-12, 08/710806-11 (gevoegd ttz), 21/000119-11 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht de verdachte schuldig aan mishandeling van zijn levensgezel en poging tot zware mishandeling van een tweede slachtoffer. Niet bewezen acht de rechtbank dat verdachte gepoogd heeft zijn levensgezel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of dat hij het tweede slachtoffer van het leven wilde beroven. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden. Ook gelast de rechtbank de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/710643-12, 08/710806-11 (gevoegd ttz), 21/000119-11 (tul)

Datum vonnis: 28 juni 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in P.I. Overijssel, HvB De Karelskamp te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 juni 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Leusink en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. Th. U. Hiddema, advocaat te Maastricht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er in de zaak met parketnummer 08/710643-12, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd zijn partner [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij haar heeft mishandeld.

De verdenking komt er in de zaak met parketnummer 08/710806-11, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd al dan niet samen met een ander

[slachtoffer 2] te doden, dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel dat hij heeft geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voluit luidt de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 08/710643-12 aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 31 oktober 2012, in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet heeft hij, verdachte, één of meerdere malen (met kracht) de keel van deze [slachtoffer 1] dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of één of meerdere malen (met kracht) (terwijl deze [slachtoffer 1] op dat moment (22/23 weken) zwanger was) in/tegen de buik en/of in/tegen de zij van deze [slachtoffer 1] getrapt en/of geschopt en/of één of meerdere malen (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd van deze [slachtoffer 1] gestompt en/of geslagen en/of (met kracht) in de borst, althans in het bovenlichaam, van deze [slachtoffer 1] gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 31 oktober 2012, in de gemeente Enschede, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1], één of meerdere malen (met kracht) de keel heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en/of èèn of meerdere malen (met kracht) (terwijl die [slachtoffer 1] op dat moment (22/23 weken) zwanger was) in/tegen de

buik en/of in/tegen de zij van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en/of geschopt en/of èèn of meerdere malen (met kracht) die [slachtoffer 1] in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of (met kracht) in de borst, althans in het bovenlichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gebeten, waardoor die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voluit luidt de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 08/710806-11 aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 29 oktober 2011, in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet

-die [slachtoffer 2] (met kracht) met een helm in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of

-met een scherp en/of puntig en/of hard en/of zwaar voorwerp tegen de ruit van de bestuurderszijde van een auto heeft geslagen, terwijl die [slachtoffer 2] op dat moment op de bestuurdersstoel van die auto zat, althans die [slachtoffer 2] met een scherp en/of puntig en/of hard en/of zwaar voorwerp in het gezicht heeft geslagen/getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 29 oktober 2011, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een doorgesneden oogzenuw en/of een litteken in het gezicht en/of zwaar hoofdletsel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

-(met kracht) met een helm in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of

-met een scherp en/of puntig en/of hard en/of zwaar voorwerp tegen de ruit van de bestuurderszijde van een auto te slaan, terwijl die [slachtoffer 2] op dat moment op de bestuurdersstoel van die auto zat, althans die [slachtoffer 2] met een scherp en/of puntig en/of hard en/of zwaar voorwerp in het gezicht te slaan/treffen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 29 oktober 2011, in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

-die [slachtoffer 2] (met kracht) met een helm in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of

-met een scherp en/of puntig en/of hard en/of zwaar voorwerp tegen de ruit van de bestuurderszijde van een auto heeft geslagen, terwijl die [slachtoffer 2] op dat moment op de bestuurdersstoel van die auto zat, althans die [slachtoffer 2] met een scherp en/of puntig en/of hard en/of zwaar voorwerp in het gezicht heeft geslagen/getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte in de zaak met parketnummer 08/710643-12 voor het subsidiair tenlastegelegde en in de zaak met parketnummer 08/710806-11 voor het onder het eerste gedachtenstreepje tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vierentwintig maanden, met gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van een bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 29 augustus 2011 opgelegde voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van vijf maanden gevorderd. Daarnaast is aan de orde gekomen een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden wegens het overtreden van de opgelegde bijzondere voorwaarde. De rechtbank zal hierop bij afzonderlijke beschikking beslissen.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezen verklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

5.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het onder parketnummer 08/710643-12 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden verklaard. Het subsidiair tenlastegelegde kan op basis van de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaring van verdachte en de getuigenverklaring van [getuige 1] bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van het onder parketnummer 08/710806-11 tenlastegelegde heeft zij zich op het standpunt gesteld dat op basis van de aangifte van verdachte, de verklaring van verdachte en de bevindingen van het NFI ten aanzien van het bij het slachtoffer ontstane letsel tot een bewezenverklaring van het eerste gedachtenstreepje onder het primair tenlastegelegde kan worden gekomen. Voor hetgeen is ten laste gelegd onder het tweede gedachtenstreepje, alsmede voor het medeplegen, is geen bewijs, zo stelt de officier van justitie.

5.1.2

het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 08/710643-12 heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, nu op basis van de bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1]. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging geconcludeerd tot een bewezenverklaring.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 08/710608-11 heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging geconcludeerd tot een bewezenverklaring, maar tegelijkertijd tot ontslag van alle rechtsvervolging omdat verdachte volgens de verdediging met succes een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces kan doen.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.2.1

ten aanzien van parketnummer 08/710643-12

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, en dat het subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. [slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van mishandeling en deze aangifte wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1]. Verdachte heeft ter zitting over de mishandeling verklaard dat hij [slachtoffer 1] inderdaad enkele klappen heeft gegeven, dat hij haar van zich heeft afgeduwd en dat de trap in haar buik meer een duw was.

5.2.2

ten aanzien van parketnummer 08/710806-11

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd.

Vaststaat dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer 2] met een helm heeft geslagen. Verdachte heeft hem, op de rotonde in de buurt van de Broekheurnering, een klap met een valhelm gegeven en hij heeft gezien dat [slachtoffer 2] bloed op het gezicht had. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen niet dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [slachtoffer 2] te doden. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is enkel aanwezig indien de aanmerkelijk kans bestaat dat het slachtoffer door de klap met de helm zou komen te overlijden en dat verdachte die kans heeft aanvaard. Deze conclusie kan op basis van de bewijsmiddelen niet worden getrokken. Met name blijkt uit de bewijsmiddelen niet met welke kracht verdacht heeft geslagen. Uit het NFI-onderzoek kan blijken dat een scheurwond op de behaarde hoofdhuid kan worden toegeschreven aan de klap met de helm. Hieruit blijkt al dat niet met zodanige kracht is geslagen dat verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2] heeft aanvaard. Ook kan niet worden gezegd dat deze verwondingen zwaar lichamelijk letsel opleveren. Daarvoor is toch wel een schedelbreuk of hersenletsel nodig. Dat was in dit geval gelukkig niet aan de orde. Wel hadden deze gevolgen kunnen optreden. Een klap met een valhelm op het hoofd van een ander, waardoor scheurverwondingen ontstaan, is toch zodanig krachtig dat het ook anders had kunnen aflopen. Bovendien is het niet goed denkbaar dat in een dynamische situatie waarin dader en slachtoffer bewegen een zodanig harde klap als in het onderhavige geval zo kan worden gereguleerd dat een schedelbreuk of enig ernstig hersenletsel uitgesloten is. In tegendeel. Naar het oordeel van de rechtbank was er zelfs een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] ernstig hoofd- of hersenletsel zou oplopen. Een kwade kans die verdachte door te slaan met de helm, zoals hij heeft gedaan, bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarom de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08/710643-12 subsidiair tenlastegelegde, en het onder parketnummer 08/710806-11 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van parketnummer 08/710643-12

hij op 31 oktober 2012, in de gemeente Enschede, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer 1], de keel heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt en terwijl die [slachtoffer 1] op dat moment zwanger was tegen de buik of tegen de zij van die [slachtoffer 1] heeft getrapt en die [slachtoffer 1] in het gezicht heeft gestompt waardoor die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen enpijn heeft ondervonden.

ten aanzien van parketnummer 08/710806-11

hij op 29 oktober 2011, in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] met een helm tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 08/710643-12 subsidiair en onder parketnummer 08/710806-11 meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45, 300, 302 en 304 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

parketnummer 08/710643-12

het misdrijf: mishandeling begaan tegen zijn levensgezel;

parketnummer 08/710806-11

het misdrijf: poging tot zware mishandeling.

7 De strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder parketnummer 08/710806-11 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat verdachte het geweld heeft gepleegd uit noodweer. Immers verdachte wilde [slachtoffer 2] toespreken en kalmeren toen deze op de rotonde aan de Broekheurnering was gestopt en uit de auto was gestapt. Verdachte is op [slachtoffer 2] afgelopen. [slachtoffer 2] echter liep met een mes in de hand op verdachte toe. Verdachte heeft zich daarop moeten verweren, en heeft [slachtoffer 2] met de helm geslagen.

Thans ligt ter beantwoording de vraag voor of het bewezen verklaarde handelen van verdachte, te weten: het slaan met de helm, geboden was ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen die ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding.

De rechtbank is van oordeel dat in de door verdachte geschetste situatie, zo die al op de gestelde wijze heeft plaatsgevonden, geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs met gebruikmaking van geweld moest verdedigen. Niet valt immers in te zien waarom verdachte zich niet aan de situatie kon onttrekken door weg te lopen of met zijn scooter weg te rijden. Te meer niet nu [slachtoffer 2], ook volgens de verklaring van verdachte, zodanig onder invloed van alcohol was, dat hij nauwelijks op zijn benen kon staan. Verdachte heeft bovendien de situatie en de confrontatie zelf opgezocht. Hij ging op de scooter op zoek naar [slachtoffer 2] en hij besloot hem tegemoet te treden nadat beiden elkaar waren tegengekomen De rechtbank verwerpt op die gronden het beroep op noodweer.

Er zijn geen verdere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich in de nacht van 28 op 29 oktober 2011 schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van de ex-vriend van zijn zus. Op de avond van 28 oktober 2011 verblijft verdachte in de woning van de nieuwe vriend van zijn zuster. Verdachte krijgt op de vaste telefoon een telefoontje van [slachtoffer 2] die denkt de nieuwe vriend van verdachtes zuster aan de lijn te hebben. [slachtoffer 2] bedreigt hem en maakt nogmaals kenbaar dat hij de ruiten van de woning van zijn ex-vriendin zal ingooien. Voorafgaand aan dit telefoontje heeft [slachtoffer 2] zijn ex-vriendin meerdere keren over de telefoon lastig gevallen. Verdachte gaat daarop op de fiets richting de woning van zijn zuster en belt onderweg met zijn broer die in de woning van hun zuster verblijft. Bij de woning van zijn zuster aangekomen pakt hij de scooter om [slachtoffer 2] te gaan zoeken. Op de rotonde in de nabijheid van de Broekheurnering komt het tot een confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer 2], waarbij verdachte [slachtoffer 2] met een valhelm op het hoofd slaat, wat tot tenminste één bloedende hoofdwond leidt. Hoewel uit het dossier en het besprokene ter zitting volgt dat [slachtoffer 2] zich niet onbetuigd heeft gelaten door eerder op de bewuste avond telefonisch zowel zijn ex-vriendin als ook verdachte te bedreigen met de dood en te dreigen de ruiten in te gooien van de woning van zijn ex-vriendin maakt op zichzelf het handelen van verdachte niet minder kwalijk. Verdachte had immers ook de politie kunnen inschakelen om [slachtoffer 2] ervan te weerhouden de ruiten bij de woning van zijn ex-vriendin in te gooien.

Op 31 oktober 2012 heeft verdachte andermaal, terwijl zijn voorlopige hechtenis in de andere strafzaak was geschorst, geweldshandelingen gepleegd door zijn toenmalige levenspartner te mishandelen door haar de keel dicht te drukken, haar tegen de buik te trappen en in het gezicht te stompen. Zijn vriendin was op dat moment tweeëntwintig à drieëntwintig weken zwanger. Dit soort misdrijven zijn ernstige feiten omdat zij bijdragen aan gevoelens van onveiligheid bij de slachtoffers, vooral als zij worden gepleegd in huiselijke kring. Juist daar hoort men veilig te zijn, zeker als zwangere vrouw.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte geen enkele verantwoording neemt voor zijn daden en zijn gedrag externaliseert. Alles ligt aan een ander. Verdachte is bekend met verslavingsproblematiek, maar over de persoon van verdachte is verder weinig bekend, nu hij geen medewerking heeft willen verlenen aan onderzoek door drs. H.A. Stierum, GZ-psycholoog, en drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater en psychoanalyticus. Hierdoor bestaat geen inzicht in de onderliggende persoonlijke problematiek van verdachte en eventuele behandelmogelijkheden ter beperking van het recidiverisico. Dit terwijl er wel veel aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsstoornissen. Wat hiervan ook zij, nu verdachte heeft geweigerd mee te werken, kan hiermee bij de strafoplegging ook geen rekening worden gehouden. Wat resteert is het “kaal” afstraffen van verdachte voor de bewezen verklaarde feiten.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het landelijk overleg van voorzitters van strafsectoren van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) heeft oriëntatiepunten vastgesteld voor de bewezen verklaarde feiten. De oriëntatiepunten voor deze feiten houden voornamelijk een geldboete en een gevangenisstraf in. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak wel strafverzwarende omstandigheden aan de orde zijn. Ook de justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte speelt daarbij een rol. Gebleken is dat verdachte zich in het verleden meermalen schuldig heeft gemaakt aan geweldsmisdrijven. Verdachte laat zich kennelijk niets gelegen liggen aan eerdere veroordelingen en de hem opgelegde straffen. Hoewel noch de psychiater noch de psycholoog heeft kunnen vaststellen of er een kans op herhaling voor dit soort feiten is, acht de rechtbank op basis van het strafblad van verdachte zo’n kans niet irreëel.

Voor een voorwaardelijke strafdeel ziet de rechtbank nu geen gronden aanwezig. In het verleden zijn aan verdachte al vaker deels voorwaardelijke straffen opgelegd, al dan niet in combinatie met reclasseringstoezicht, Tot een gedragsverbetering heeft dat niet geleid. Dat verdachte ter zitting nog een verzoek heeft gedaan om opname in een kliniek voor de behandeling van zijn (verslavings)problematiek, lijkt enerzijds positief, maar is anderzijds niet alleen rijkelijk laat, maar ook nauwelijks serieus te nemen. Verdachte weet immers dat opname in een kliniek zonder voorafgaande diagnostiek en gedragskundig onderzoek niet mogelijk is. Zijn medewerking daaraan heeft verdachte steeds geweigerd.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden passend is. Aangezien de duur van voorlopige hechtenis de duur van de opgelegde straf overschrijdt, zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden opheffen.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

Op 29 oktober 2011 zijn goederen, zoals een Nokia mobiele telefoon (kleur zwart), een helm (merk jethelm beon design, kleur zwart), een keukenmes (kleur zwart, glad lemmet) en kledingstukken: sok (kleur wit), jack (kleur zwart, glimmend) en schoenen (merk Adidas, kleur zwart/goud), in beslag genomen. De officier van justitie heeft van de in beslag genomen goederen geen beslaglijst als bedoeld in artikel 309 Sv. overgelegd.

De officier van justitie heeft gevorderd de helm verbeurd te verklaren, het mes te onttrekken aan het verkeer en de kledingstukken en de mobiele telefoon te retourneren aan de rechthebbende.

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen het door de officier van justitie gevorderde.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat voornoemde goederen in beslag zijn genomen. Het mes is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De helm is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu met betrekking tot dit voorwerp het strafbare feit is gepleegd. Ten aanzien van de kledingstukken en de mobiele telefoon is de rechtbank van oordeel dat deze goederen aan de rechthebbende dienen te worden teruggegeven.

9 De vordering van de benadeelde partij

In de zaak met parketnummer 08/710806-11 heeft [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], zich via mr. I.I. Assink, advocaat te Almelo, voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 36.478,83. Ter terechtzitting is op de vordering een bedrag van € 1.680,63 ter zake verlies verdiencapaciteit in mindering gebracht. De gevorderde schade bestaat uit diverse posten aan materiële schade, alsmede uit een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade. Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade, behoudens de post die ziet op de vergoeding van de schade van de auto, dient te worden toegewezen. Het deel van de vordering dat ziet op de vergoeding van de immateriële schade dient volgens de officier van justitie te worden afgewezen, nu die schade ziet op het tenlastegelegde waarvoor vrijspraak dient te volgen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen nu de gestelde schade niet het gevolg is van het handelen van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk nu door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting niet is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks de schade waarvoor vergoeding wordt verzocht heeft toegebracht aan het slachtoffer. Niet is komen vast te staan dat de schade, mede gelet op de andere verwondingen die het slachtoffer later die nacht zijn toegebracht, in relevante mate mede het gevolg is van de klap met de helm. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft in de zaak met parketnummer 21/000119-11 de tenuitvoerlegging gevorderd van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, die het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 29 augustus 2011 aan verdachte voorwaardelijk heeft opgelegd.

De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen en, gelet op het feit dat verdachte reeds lange tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, de proeftijd te verlengen.

De rechtbank is van oordeel dat deze vordering moet worden toegewezen. Het is immers gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Voorwaardelijke straffen zullen aan betekenis inboeten indien, bij overtreding van de daaraan verbonden (algemene) voorwaarde, niet de tenuitvoerlegging zou worden gelast. Slechts bij hoge uitzondering en in geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken.

11 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14g, 27, 33, 33a, 36c, 36d en 57 Sr.

12 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder parketnummer 08/710643-12 primair en het onder parketnummer 08/710806-11 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 08/710643-12 subsidiair en het onder parketnummer 08/710806-11 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 08/710643-12 subsidiair en onder parketnummer 08/710806-11 meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 08/710643-12
het misdrijf: mishandeling begaan tegen zijn levensgezel;

parketnummer 08/710806-11

het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder parketnummer 08/710643-12 subsidiair en het onder parketnummer 08/710806-11 meer subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], domicilie kiezende ten kantore van mr. I.I. Assink, advocaat te Almelo, in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

  • -

    verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    keukenmes (kleur zwart, glad lemmet);

verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen:

- helm (merk jethelm beon design, kleur zwart);

gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte van:

  • -

    Nokia mobiele telefoon (kleur zwart),

  • -

    sok (kleur wit);

  • -

    jack (kleur zwart, glimmend)

  • -

    schoenen (merk Adidas, kleur zwart/goud);

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van heden;

tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer 21/000119-11

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 29 augustus 2011, te weten een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. E. Venekatte en

mr. A.A.J. Lemain, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2013.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

In de zaak met parketnummer 08/710643-12

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer Pl05CE 2012110172. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 juni 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende de verklaring van verdachte.

Op 31 oktober 2012 was ik met [slachtoffer 1] in de woning van[getuige 1].

Ik heb haar één klap gegeven en toen nog eentje.

Ik heb haar van me afgeduwd. De trap in haar buik was ook meer een duw.

2.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 31 oktober 2012, blz. 18, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op woensdag 31 oktober 2012 was ik in de woning aan de [adres] te [woonplaats].

Ik ben 23 weken zwanger van [verdachte].

Ik zag dat [verdachte] opstond vanaf de bank en richting mij kwam lopen, ik zag dat [verdachte] met zijn gebalde hand(vuist) naar mij uithaalde. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij opzettelijk en met harde kracht een vuistslag toebracht. De vuistslag raakte mij vol in mijn gezicht op mijn neus en mijn linkeroog. Ik voelde hierdoor een hele erge pijn en ik zag en ik voelde dat mijn neus begon te bloeden.

Ik zag en voelde ik dat [verdachte] mij opzettelijk met zijn beide handen bij mijn keel greep en mijn keel opzettelijk dichtdrukte.

Ik kreeg op dat moment bijna geen lucht meer.

Toen trapte [verdachte] mij opzettelijk in mijn buik. Door deze trap in de buik kreeg ik ook pijn in mijn buik.

3.

Het proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Nederland van

10 januari 2013, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1].

[verdachte] en zijn vriendin hebben twee weken bij mij in de woning gelogeerd.

In die periode is er een incident geweest. Ik zag dat [verdachte] en zijn vriendin ruzie hadden. Ik zag dat [slachtoffer 1] bloed bij de neus had.

Ik zag dat [verdachte] haar een trap gaf. Hij trapte haar aan de zijkant van haar buik. Ik zag ook dat [verdachte] op zeker moment haar keel vastpakte.

Toen hij haar bij de keel pakte duwde hij haar tegen de muur aan.

Hij trapte niet vol in haar buik maar in haar zij. Toen [verdachte] haar bij de keel pakte stond hij voor haar en hij had zijn armen een beetje gestrekt, niet helemaal. Ik hoorde wel verandering in de stem van [slachtoffer 1] toen [verdachte] haar bij de keel had. Ze klonk een beetje schorrig.

In de zaak met parketnummer 08/710806-11

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL05KL 2011102556. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 juni 2013, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende de verklaring van verdachte.

Op 29 oktober 2011 heb ik in de gemeente Enschede [slachtoffer 2] geslagen met een helm. Ik denk dat ik hem wel heb geraakt. Ik heb toen wel bloed bij hem gezien, nadat ik hem met de helm had geslagen.

5.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 10 november 2011, blz. 551, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Ik doe aangifte ter zake poging tot doodslag/moord.

Op zaterdag 29 oktober 2011 te 03.26 uur werd te Enschede, het in de aanhef vermelde feit gepleegd.

Wel weet ik dat ik die nacht op de Broekheurnering een klap met een voorwerp op mijn hoofd heb gehad waardoor ik boven op mijn hoofd erg ben gaan bloedden.

6.

Het deskundigenrapport van H.N.J.M. van Venrooij, forensisch arts KNMG, van 14 augustus 2012, blz. 474.

“Gezien het convexe oppervlak en de relatief afgeronde vormen van de jethelm

(SIN AADF6428NL) heeft deze sporendrager geen harde, smalle en rechte uitsteeksels waarmee een mechanische geweldsinwerking kan worden opgeleverd die vereist zou zijn om een diep gelaatsletsel te veroorzaken zoals werd aangetroffen bij [slachtoffer 2]. Het doorzichtige scherm van kunststof moet daarvoor eveneens worden aangemerkt als te fragiel.

Wel is het goed mogelijk dat hard slaan op of tegen het hoofd met het harde oppervlak van een dergelijke helm een verscheuring van de huid en de daaronder gelegen weke delen kan opleveren met plaatselijk bloedverlies en een daarbij passende zwelling door een onderhuidse bloeduitstorting.

In dit verband wordt gewezen op de door de radioloog beschreven weke delen zwelling rechts achter- en zijwaarts op het behaarde hoofd die op een dergelijke geweldsinwerking zou kunnen berusten.

Dit kan tevens overeenstemmen met de vermelding door de plastisch chirurg dat er bij de operatie van [slachtoffer 2] een laceratie in het behaarde hoofd werd gehecht.”

7.

Het deskundigenrapport van H.N.J.M. van Venrooij, forensisch arts KNMG, van 14 augustus 2012, blz. 476.

“Deze zwelling rechtsachter op het behaarde hoofd kan worden verklaard door de plaatselijke inwerking van uitwendig botsend geweld, zoals door een slag met een hard voorwerp of (zich) stoten met een hard voorwerp, uitsteeksel of oppervlak. In het licht van de vier scenario's komt van de stukken van overtuiging de jethelm (SIN AADF6428NL) hier het meest waarschijnlijk mee overeen.”