Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:1279

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
05-07-2013
Zaaknummer
C/08/139404 / KG ZA 13-175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing van de vordering tot stillegging van bouwwerkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/139404 / KG ZA 13-175

datum vonnis: 27 juni 2013

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat: mr. B. Bentem te Enschede,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],
hierna te noemen [gedaagde],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BERO BEHEER BV,

gevestigd te Haaksbergen,

hierna te noemen Bero,

verder ook gezamenlijk te noemen gedaagden,

advocaat: mr. R. Blom te Enschede.

1 Het procesverloop

1.1.

Eiser heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding en de bijbehorende producties. Op 13 juni 2013 heeft de griffie van de rechtbank een brief van gedaagden van 13 juni 2013 ontvangen. Bij brief van 16 juni 2013 hebben gedaagden een aantal producties in het geding gebracht.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 17 juni 2013. Ter zitting zijn verschenen:
- eiser, vergezeld door mr. B. Bentem en R.M.M. Krabbe, jurist;
- [gedaagde], vergezeld door mr. R. Blom en A. J. Pot, adviseur;

- Bero, vertegenwoordigd door [gedaagde], vergezeld door mr. R. Blom en A.J Pot, adviseur.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht.

1.3.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Eiser is eigenaar van het pand aan de [adres] te Haaksbergen. [gedaagde] is eigenaar van de percelen [adressen] te Haaksbergen.

2.2.

Eiser, optredend als verkoper, en [gedaagde], optredend als koper, hebben op
13 oktober 2008 een schriftelijke koopovereenkomst gesloten inzake een onroerende zaak die in de koopakte als volgt is omschreven: “een, door het kadaster, ingemeten stuk grond plaatselijk bekend zijnde een strook grond, gelegen aan de linkerzijde van het pand aan de [adres] te Haaksbergen, uitmakende een gedeelte van de gang met [adressen] tot de erfscheiding hiermee, tot en met de voorgevel van de gezamenlijke schuur zoals bij partijen bekend, zijnde - gedeelte gang met ondergrond en erf zoals weergegeven en gearceerd op de kadastrale kaart, gelegen aan de [adres] te Haaksbergen. Hierdoor wordt de bestaande linkerzijmuur van het pand aan de [adres] de nieuwe erfscheiding.

kadastraal bekend gemeente

Haaksbergen, sectie [XXXX] groot 30 centiare

tegen een koopprijs van € 7.500,=

zegge: zevenduizend vijfhonderd EURO

(…)”

2.3.

Artikel 15.1 van de koopakte luidt als volgt:

“15.1. In verband met toekomstige bouwplannen van koper en verbouwplannen van huurder van verkoper, zal de gezamenlijke schuur gesloopt dienen te worden. De nieuw te bouwen brandmuur zal op kosten van koper worden gerealiseerd en gesitueerd op het perceel van verkoper en gaat dienen als nieuwe erfafscheiding. Vanzelfsprekend zal er intensief overleg plaatsvinden tussen de huidige huurder van [eiser] te weten [S] in samenspraak met de eigenaar en de heer [gedaagde].”

2.4.

Bij notariële akte van 11 november 2008 is de hiervoor omschreven onroerende zaak (hierna: de strook grond) aan [gedaagde] geleverd.

2.5.

Bij besluit van 5 maart 2010 is aan eiser een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden/verbouwen van de winkel op het perceel [adres] te Haaksbergen.

2.6.

Bij besluit van 26 februari 2013 is aan Bero een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van een winkel met magazijn en kantoor en appartementen met garageboxen op het perceel [adressen] te Haaksbergen en ten behoeve van het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Na de verlening van de omgevingsvergunning is gestart met de bouwwerkzaamheden.

2.7.

Eiser heeft tegen het besluit van 26 februari 2013 bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudende dat het besluit van 26 februari 2013 wordt geschorst totdat op het bezwaar is beslist, ingediend. Bij uitspraak van 6 juni 2013 (registratienummer Awb 13/921) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, dit verzoek afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, samengevat en voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de bouw aan het winkelpand met magazijn en twee bovenwoningen aan de
[adressen] te Haaksbergen wordt stilgelegd totdat duidelijk is of de koopovereenkomst tussen eiser en [gedaagde] wel of niet kan worden ontbonden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.

3.2. Eiser heeft daartoe - samengevat weergegeven - dat sprake is van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In het woon/winkelpand van eiser bevinden zich in de betreffende zijgevel een deur en een tweetal ramen. Indien de bouw wordt doorgezet, krijgt eiser geen licht of lucht meer in de zijgevel van zijn pand. Dit is onrechtmatig, omdat eiser geen toestemming heeft gegeven om tegen zijn pand aan te bouwen. Voorts heeft eiser geen toestemming gegeven om binnen twee meter van de grenslijn van zijn erf te bouwen. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 5:50, vierde lid, van het BW stelt eiser dat de bestaande situatie met de deur en de ramen al meer dan twintig jaar bestaat. Indien gedaagden hun bouwplannen doorzetten, kan eiser de deur nooit meer gebruiken en is hij aangewezen op de achteringang. De ingang via de winkel is geen optie om het woongedeelte op de eerste verdieping te bereiken. Eerst via een vele meters lange schuur en twee deuren kan dan de hal met trap naar de bovenverdieping worden bereikt. Ook kan eiser de zijmuur en de onderkant van de goot van zijn pand nooit meer bereiken en onderhouden. Dit is in strijd met het steiger- en/of ladderrecht als bedoeld in artikel 5:56 BW.



3.3. Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot het - door gedaagden betwiste - spoedeisend belang van eiser bij de vorderingen, oordeelt de voorzieningenrechter dat reeds uit de aard van het gevorderde het spoedeisend belang voortvloeit.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bepalingen van Titel 4 van Boek 5 BW van regelend recht zijn.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser geen beroep (meer) toekomt op de door hem aangehaalde burenrechtelijke bepalingen. Gelet op de zich in het dossier bevindende gegevens moet het er voorshands voor worden gehouden dat eiser afstand heeft gedaan van zijn - in het geding zijnde - rechten, althans deze heeft prijsgegeven. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat partijen bij de verkoop van de strook grond geen recht van overpad hebben gevestigd ten behoeve van eiser. Voorts blijkt uit de op
13 oktober 2008 gesloten koopovereenkomst dat zowel [gedaagde] als de huurder van eiser (ver)bouwplannen hadden en dat (mede) als gevolg daarvan de erfscheiding is gewijzigd. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat aan eiser in maart 2010 een bouwvergunning is verleend voor uitbreiding dan wel verbouwing van zijn (winkel)pand. In dit bouwplan is reeds rekening gehouden met de bouwplannen van [gedaagde]. Uit de zich in het dossier bevindende tekeningen, behorend bij de bouwaanvraag van eiser, blijkt dat als uitgangspunt is gehanteerd dat er tegen het pand van eiser zou worden gebouwd en dat er rekening is gehouden met de nieuwe erfscheiding. Een onderdeel van de (ver)bouwplannen van eiser vormde ook het realiseren van een nieuwe toegang naar de bovenverdieping, welke toegang, blijkens ter zitting getoonde foto’s, inmiddels ook door eiser is gerealiseerd. Ook de omstandigheid dat eiser niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Centrum, partiële herziening [adressen]’ duidt er vooralsnog op dat eiser (in eerste instantie) instemde met de bouwplannen van gedaagden. Uit het verhandelde ter zitting blijkt ook dat eiser geen rechtsmiddelen tegen voornoemd bestemmingsplan heeft aangewend, omdat hij meende dat hij geen rechten meer had. Voorts komt naar voren dat eisers handelwijze is ingegeven doordat hij zijn huurder, die een koopoptie op zijn pand had, ter wille wilde zijn. Dat deze huurder uiteindelijk de koopoptie niet heeft gelicht, doet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet af aan het voorgaande.

4.4.

Gelet op het vorenoverwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vorderingen van eiser niet toewijsbaar zijn. Het beroep van eiser op artikel 5:50, vierde lid, BW slaagt bovendien niet, omdat in het onderhavig geval geen situatie als bedoeld in dit artikellid aan de orde is. Met betrekking tot de door eiser gestelde inbreuk op artikel 5:56 BW is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat eiser, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van gedaagden, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem de mogelijkheid wordt ontnomen om gebruik te maken van het steiger- of ladderrecht. Tijdens de behandeling ter zitting is door gedaagden aangegeven dat met eiser is afgesproken om onder de goot een plank in het nieuw te bouwen pand van [gedaagde] te verankeren, waardoor het mogelijk wordt om in de goot te lopen en onderhoud aan de goot en het dak te verrichten. Bovendien hebben gedaagden ter zitting aangeboden om de kosten voor het onderhoud van de goot voor hun rekening te nemen, doch dit aanbod is door eiser niet aanvaard. Ten slotte laat de voorzieningenrechter hetgeen door eiser is gesteld omtrent de erfdienstbaarheid buiten beschouwing, omdat dit, gelet op het petitum van de dagvaarding, niet aan de vorderingen ten grondslag is gelegd.

4.5.

Gezien het voorgaande zullen de vorderingen van eiser worden afgewezen.


4.6. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op € 589,-- (griffierecht) +
€ 527,-- (salaris advocaat) = € 1.116,--.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen af.

II. Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagden begroot op € 1.116,--.

III. Verklaart onderdeel II van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.