Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:1223

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
03-07-2013
Zaaknummer
120546 / HA ZA 11-408
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klachtplicht ex artikel 7:23 lid 1 BW bij (non)conformiteit paard.

Rechtbank oordeelt dat gezien de aard van de verkochte zaak (paard, levende have), de aard van het gestelde gebrek (kreupelheid) en de daarbij van belang zijnde antedatering(stermijn), geoordeeld moet worden dat de klacht van koper binnen vier maanden na de ontdekking, niet binnen bekwame tijd ex artikel 7:23 lid 1 BW is gedaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: 120546 / HA ZA 11-408

Vonnis in vrijwaring van 19 juni 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in vrijwaring,

advocaat mr. J.W. Stegeman te Goor,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in vrijwaring,

advocaat mr. V.S.A.W. Wegter te Assen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 december 2012

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 26 februari 2013

  • -

    de akte uitlating producties van [gedaagde]

  • -

    de akte uitlating producties van [eiser].

1.2.

Ten slotte hebben partijen vonnis verzocht. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank neemt over hetgeen zij in het tussenvonnis van 5 december 2012 heeft overwogen.

2.2.

De rechtbank stelt, met inachtneming van de geldende rechtspraak op dit punt (zie HR 21 november 2008, LJN BF1032), voorop dat zij in deze vrijwaringsprocedure enkel kennis neemt van de stellingen en weren die in deze procedure zijn aangevoerd.

De stellingen en weren die in de samengevoegde, reeds afgedane, hoofdzaak (117462 / HA ZA 11-29) zijn aangevoerd, worden, nu het procesdossier in de hoofdzaak niet is overgelegd in de onderhavige vrijwaringsprocedure, niet geacht ook in de vrijwaringsprocedure te zijn aangevoerd.

2.3.

De rechtbank overweegt voorts dat, ongeacht of er sprake is van koop dan wel ruil, in beide gevallen [eiser] als koper van Wabooshka dient te worden aangemerkt en [gedaagde] als verkoper. Het gaat immers enkel om de (non)conformiteit bij de koop van Wabooshka. De rechtbank komt daarmee in zoverre terug op overweging 3.13. van het tussenvonnis van 5 december 2012, waarin zij heeft overwogen dat voor de verdere beoordeling van het geschil van belang is hoe de onderliggende overeenkomst dient te worden gekwalificeerd.

2.4.

De vraag die in deze procedure dient te worden beantwoord is, of [gedaagde] het paard Wabooshka heeft geleverd met een gebrek waardoor zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst, met andere woorden: beantwoordt het paard aan de overeenkomst (conformiteit).

2.5.

[eiser] legt aan zijn (subsidiaire) vordering (ontbinding koopovereenkomst wegens non-conformiteit) ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst. Hij heeft het paard gekocht voor sport, dan wel recreatieve doeleinden. Dierenarts drs. Asveld betoogt dat het paard kreupel is ten gevolge van artrose in de nekwervels. Het paard leed reeds ten tijde van de aflevering aan dit gebrek, aldus [eiser]. Hij is niet bekend geweest met enig gebrek aan het paard, noch had hij enig gebrek moeten kennen. Er is evenmin sprake van een afwijking die haar oorzaak vindt in een omstandigheid die is voorgevallen nadat het paard aan hem werd afgeleverd. [gedaagde] betwist het voorgaande gemotiveerd en stelt daartoe allereerst dat [eiser] niet tijdig heeft geklaagd in de zin van artikel 7:23 BW. Verder stelt ze dat Wabooshka op het moment van de eigendomsoverdracht in goede gezondheid verkeerde en dat er geen enkele aanleiding was om te vermoeden dat dit anders zou zijn. Zij weet niet wat er na de levering gebeurd is met het paard. Zij is niet tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst.

2.6.

Allereerst is de vraag aan de orde of er sprake is van consumentenkoop (standpunt [eiser]) of niet (standpunt [gedaagde]). Partijen verschillen daarover van mening. [eiser] doet in dat kader een beroep op artikel 7:25 BW. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, kan naar het oordeel van de rechtbank echter in het midden blijven of deze vraag bevestigend dan wel ontkennend moet worden beantwoord.

2.7.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat [eiser] niet ex artikel 7:23 lid 1 BW, tijdig heeft geklaagd.

2.8.

Het bepaalde in art. 7:23 lid 1 BW brengt mee dat de koper, op straffe van verval van het recht om zich op non-conformiteit te beroepen, dient te onderzoeken of de zaak aan de overeenkomst beantwoordt en, zo dat niet het geval is, de verkoper daarvan binnen bekwame tijd op de hoogte te brengen. Artikel 7:23 lid 1 BW behoedt de verkoper voor late en moeilijk meer te betwisten klachten. Het strekt ertoe de verkoper in zoverre te beschermen dat deze erop moet kunnen rekenen dat de koper die meent dat de verrichte prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt, met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en, indien dit niet het geval blijkt te zijn, zulks met spoed aan de verkoper mededeelt. Ingeval van consumentenkoop bepaalt de wet dat een melding binnen twee maanden na ontdekking nog tijdig is. Indien er geen sprake is van consumentenkoop dient de vraag of [eiser] binnen bekwame tijd nadat hij had ontdekt dat Wabooshka kreupel is hiervan kennis heeft gegeven aan [gedaagde], te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of [gedaagde] nadeel heeft geleden door de lengte van de in acht genomen klachttermijn. Een vaste termijn kan daarbij dan niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt.

2.9.

In dit geval zijn de volgende omstandigheden van belang. Het gaat hier om koop van een paard, levende have. Vast staat tussen partijen dat [eiser] eerst op 24 januari 2011 bij [gedaagde] melding heeft gemaakt van het gebrek (kreupelheid ten gevolge van artrose) van Wabooshka. Eveneens staat vast tussen partijen dat [eiser] op 2 september 2010 via

[B] (zij heeft Wabooshka op 31 augustus 2010 van [eiser] gekocht) bekend was dat Wabooshka “niet goed liep”. Verder heeft [eiser] ter comparitie van partijen op

28 november 2011 verklaard dat hij op de zevende dag na de verkoop bij

[B] is geweest, alwaar hij heeft geconstateerd dat het paard in het begin niet goed liep, maar daarna redelijk. Onder deze omstandigheden had [eiser] zich behoren af te vragen of hij van [gedaagde] had ontvangen waarop hij conform de overeenkomst recht had. Om die reden had [eiser] al begin september 2010, indien en voor zover zou moeten worden aangenomen dat [eiser] op dat moment niet reeds bekend was met de non-conformiteit, behoren te onderzoeken of Wabooshka beantwoordde aan de overeenkomst. De klachttermijn heeft derhalve een aanvang genomen begin september 2010. Nu [eiser] eerst op 24 januari 2011, ruim vier maanden later, heeft geklaagd bij [gedaagde], heeft hij [gedaagde], gelet op de antedatering(stermijn) van de gestelde aandoening, in een ongunstiger (bewijs)positie gebracht dan wanneer [eiser] [gedaagde] reeds begin september 2010 op de hoogte had gesteld van het gebrek bij Wabooshka. Door [gedaagde] niet eerder dan eind januari 2011 in kennis te stellen van de kreupelheid van Wabooshka, heeft [eiser] haar de mogelijkheid ontnomen de betrouwbaarheid van de klacht meteen en adequaat te controleren, met als gevolg dat een inschatting vanaf wanneer de aandoening zich heeft ontwikkeld, dan wel is ontstaan, moeilijker te maken valt door

[gedaagde]. Al met al is de rechtbank van oordeel dat, gezien de aard van de verkochte zaak, de aard van het gestelde gebrek en de daarbij van belang zijnde antedatering(stermijn), geoordeeld moet worden dat de klacht van [eiser] binnen vier maanden na de ontdekking, niet binnen bekwame tijd ex artikel 7:23 lid 1 BW is gedaan. Bijkomende omstandigheden die dit anders zouden maken, zijn niet gesteld. Het verweer slaagt. Uit het voorgaande vloeit voort dat ook indien in het onderhavige geval sprake zou zijn van consumentenkoop, er niet tijdig is geklaagd in de zin van voornoemd artikel.

2.10.

Het voorgaande betekent dat [eiser] zich er niet meer op kan beroepen dat het paard zoals dat aan hem geleverd is niet aan de overeenkomst beantwoordt, zodat zijn vorderingen dienen te worden afgewezen.

2.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- betaald griffierecht € 258,00

- salaris advocaat € 1.728,00 (4,5 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.986,00.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst af de vorderingen;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.986,00;

3.3.

verklaart onderdeel 3.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.