Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2013:1206

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
03-07-2013
Zaaknummer
C/08/138770 / KG ZA 13-153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming en betaling achterstallige huur. Vergelijk ter zitting met betrekking tot de ontruimingstermijn en de veroordeling tot betaling.

De voorzieningenrechter acht het onjuist de financiële gevolgen van keuze voor het aanbrengen van de zaak bij de kamer voor handelszaken in plaats van bij de kantonrechter op gedaagde af te wentelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2013/153 met annotatie van mr. Gardenbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/138770 / KG ZA 13-153

datum vonnis: 26 juni 2013

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de stichting

Woningstichting De Woonplaats,

gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

eiseres,

advocaat: mr. R.J. Leijssen te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te Enschede,

gedaagde.

1 Het procesverloop

1.1

Eiseres heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding

1.2

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 24 juni 2013. Ter zitting zijn namens eiseres verschenen [W], consulent wonen, bijgestaan door mr. R.J. Leijssen en gedaagde, vergezeld door [B] van ‘De Armen’. De standpunten van partijen zijn toegelicht met behulp van pleitaantekeningen aan de zijde van eiseres en (van te voren aan de wederpartij en aan de voorzieningenrechter toegezonden) producties.

1.3

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 Het geschil

2.1

Eiseres vordert, kort gezegd, gedaagde te veroordelen om de van eiseres gehuurde woning aan de [adres] te Enschede te ontruimen en te verlaten. Daarnaast vordert eiseres haar te vergunnen de ontruiming te bewerkstelligen middels ‘de sterke arm’. Nadat eiseres ter zitting haar eis heeft gewijzigd vordert zij tevens gedaagde te veroordelen tot betaling van de niet betaalde huur tot een beloop van € 3.554,16 en gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.2

Eiseres stelt daartoe het volgende. Nadat er in augustus 2012 in de woning van gedaagde een hennepdrogerij was geconstateerd, is de huurovereenkomst niet ontbonden, maar heeft eiseres gedaagde nog een kans gegeven. In dat kader is een aanhangsel bij zijn huurcontract opgesteld, waarin bindend is vastgelegd dat gedaagde zijn huurverplichtingen stipt moest nakomen. Gedaagde heeft ook nadien zijn huurverplichtingen niet nagekomen en heeft, getuige de door omwonende ingediende klachten, herhaaldelijk overlast veroorzaakt. Daarnaast heeft gedaagde sinds februari 2013 de huur niet meer betaald.

2.3

Gedaagde stelt dat het nooit zijn bedoeling is om in deze situatie te geraken. Hij vertelt een autistische afwijking te hebben en daardoor al langere tijd problemen te ondervinden, onder meer met een hem bedreigende buurman. Uit angst voor deze buurman kwam gedaagde zijn woning bijna niet meer uit. Gedaagde heeft dit bij eiseres gemeld en heeft ook aangifte gedaan. Ook heeft hij financiële problemen gekregen waardoor hij in een traject van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) is beland. Dit traject is inmiddels beëindigd met een zogenoemde ‘schone-leiverklaring’. Gedaagde heeft meermalen hulp gezocht voor zijn problemen en heeft ook begeleiding gekregen. Dit is echter sinds begin 2013 beëindigd. Vanaf dat moment is alles weer fout gelopen. Gedaagde opende de post niet meer, waardoor hij onder meer de facturen van de huur niet meer onder ogen kreeg en hij deze vanaf februari 2013 onbetaald heeft gelaten. In die periode is er ook loonbeslag op zijn uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) gelegd, waardoor hij maandelijks ongeveer € 400,-- minder inkomsten heeft. Gedaagde heeft geen geld gereserveerd voor het betalen van de huur en kan de huur in de huidige omstandigheden, waar hij nog zo’n € 60,-- à € 65,-- per week overhoudt, niet opbrengen. Inmiddels is gedaagde op zoek naar een plek in een begeleid wonen traject.

2.4

Ter zitting zijn partijen over alleen de ontruimingstermijn en de veroordeling tot betaling tot een vergelijk gekomen en hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om dienovereenkomstig te beslissen. Daarbij heeft gedaagde aangegeven zich niet te verzetten tegen het toewijzen van de betalingsvordering met een beloop van € 3.554,16. Hij stemt er daarbij uit praktische overwegingen mee in dat ook de gevorderde huur over de maand juli 2013 alvast wordt toegewezen, aangezien deze huurtermijn weliswaar nog niet verschuldigd is, maar al wel is te voorzien dat hij deze termijn niet zal kunnen betalen. Ook zijn partijen overeengekomen dat gedaagde nog de tijd zal worden gegund om andere woonruimte te zoeken en dat eiseres tot 16 augustus 2013 niet tot ontruiming zal overgaan.

2.5

Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1

De voorzieningenrechter overweegt dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening als gevorderd en dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

3.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu door gedaagde niet is betwist dat hij de gestelde overlast heeft veroorzaakt, eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dusdanige overlast dat de gevraagde voorziening moet worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding aansluiting te zoeken bij hetgeen partijen ter zitting zijn overeengekomen.

3.3

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) overbodig is.

3.4

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld met inachtneming van het navolgende. Eiseres heeft de onderhavige procedure aangebracht bij deze voorzieningenrechter, daar waar ook de kantonrechter bevoegd is tot het geven van een voorziening zoals gevorderd. De handelwijze van eiseres brengt met zich mee dat gedaagde, als de in het ongelijk gestelde partij, geconfronteerd wordt met een totaalbedrag aan kosten van € 2.678,--, te weten € 1.836,-- voor eiseres en

€ 842,-- voor gedaagde, aan griffierecht, daar waar zij bij de kantonrechter ‘slechts’ met een bedrag van € 448,-- aan griffierecht wordt geconfronteerd. De voorzieningenrechter vindt het onjuist om de nadelige financiële gevolgen aan de keuze voor deze voorzieningenrechter op gedaagde af te wentelen. Zoals gezegd wordt gedaagde, door zijn verschijning in rechte, door de griffier belast met een bedrag van € 842,-- aan griffierecht. Met inachtneming van het vorenstaande komt het de voorzieningenrechter billijk voor om een gedeelte van het verschuldigde griffierecht groot € 1.388,-- als nodeloos veroorzaakt, voor rekening van eiseres te laten. In plaats van € 1.836,-- zal worden toegewezen een bedrag van € 448,--, zijnde het griffierecht dat bij de kantonrechter in rekening zou zijn gebracht. Voorts zal een bedrag van € 400,-- aan salaris worden toegekend, overeenkomstig de bij de kantonrechter gehanteerde tarieven. Toegewezen zal worden een bedrag van € 942,74, zijnde griffierecht ad € 448,-, dagvaardingskosten ad € 94,74 en € 400,-- salaris.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Veroordeelt gedaagde om per 16 augustus 2013 de woning aan de [adres] te Enschede te ontruimen en te verlaten.

II. Veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van de niet betaalde huur tot en met de maand juli 2013 ten bedrage van € 3.554,16.

III. Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van eiseres begroot op € 542,74 aan verschotten en € 400,-- aan salaris van de advocaat.

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.L.J. Koopmans, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.