Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ6812

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
08-02-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
782946 Cv Expl. 11-7286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Bedrijfsarts (gedaagde) is gaan werken in opdracht van "klant" van opdrachtgever. Schending van concurrentie- en relatiebeding. Bevoegdheid kantonrechter; matiging boete."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 782946 \ CV EXPL 11-7286 \ 407

uitspraak van 8 februari 2013

vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap Maetis N.V.,

mede handelend onder de naam MaetisArdyn Health Services

gevestigd te Houten

eisende partij

gemachtigde mr. J.B. Kloosterman

tegen

[gedaagde partij]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. R.J. Verweij

Partijen worden hierna Maetis en [gedaagde partij] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 augustus 2012 en de daarin genoemde processtukken

- de akte uitlating van Maetis, ingekomen ter griffie op 7 september 2012

- de conclusie van dupliek met producties, ingekomen ter griffie op 12 oktober 2012

- de akte uitlating producties van Maetis, ingekomen ter griffie op 23 november 2012.

2. De feiten

2.1. [gedaagde partij] heeft als zelfstandig gevestigd bedrijfsarts werkzaamheden verricht voor KLM Health Services (Arbo dienstverlening). KLM Health Services heeft met ingang van 1 juli 2010 contracten inzake Arbo dienstverlening aan Maetis overgedragen. Eén van de contracten betrof de Stichting Zuidwester (hierna: Zuidwester), waar [gedaagde partij] samen met een collega, de heer [A] (hierna: [A]), in opdracht van KLM Health Services werkte.

2.2. Maetis heeft op 1 september 2010 met [gedaagde partij] een overeenkomst van opdracht gesloten. Daarin staat onder meer het volgende:

“Artikel 1 Opdracht

1.1 Opdrachtnemer zal de werkzaamheden in de functie van bedrijfsarts uitvoeren. Partijen komen overeen dat opdrachtnemer de hierna in artikel 2 omschreven tijdelijke functie zal uitvoeren bij “Stichting Zuidwester” (hierna te noemen: “de klant”) gedurende een periode vanaf 1 juli 2010 en eindigend op 31 december 2010. De opdrachtnemer zal gedurende 8 uren per week werkzaamheden ten behoeve van de opdrachtgever uitvoeren. De mogelijkheid bestaat dat na overleg tussen de opdrachtnemer, opdrachtgever en de klant deze overeenkomst wordt verlengd.

(…)

Artikel 7 Relatie en concurrentie en geheimhoudingsbeding

7.1 Het is opdrachtnemer gedurende de opdracht en binnen 1 jaar na beëindiging daarvan, zonder uitdrukkelijke toestemming van opdrachtgever, niet toegestaan (…) zaken te doen met en/of werkzaamheden te verrichten voor een relatie van MaetisArdyn Health Services en/of een aan haar gelieerde vennootschap. (…)

7.2 Ook is het opdrachtnemer gedurende de opdracht en binnen 1 jaar na beëindiging daarvan niet toegestaan om van relaties van MaetisArdyn Health Services direct of indirect op enigerlei wijze een provisie en/of enig andere vergoeding in welke vorm dan ook te bedingen en/of aan te nemen.

7.3 Opdrachtnemer verplicht zich om zich, zowel tijdens de duur van deze overeenkomst als na beëindiging daarvan, te onthouden van het doen van enige mededeling aan derden (…) over enige bijzonderheid van het bedrijf van MaetisArdyn Health Services of van de aan haar gelieerde ondernemingen en relaties, waarvan opdrachtnemer redelijkerwijs kan begrijpen dat een en ander niet bestemd is voor kennisneming door derden.

7.4 Indien opdrachtnemer een van de in dit artikel omschreven bedingen overtreedt, verbeurt hij een direct opeisbare boete van EUR 10.000,- per overtreding, te vermeerderen met EUR 500,- per dag dat de overtreding voortduurt, (…)”

2.3. In een brief van 28 oktober 2010 heeft [B] (Hoofd Personeelszaken Zuidwester) aan Maetis geschreven:

“Als vervolg op mijn brieven van 20 mei 2010 (…) en 28 mei 2010 (…) het volgende:

In genoemde brieven heb ik het standpunt en de zienswijze van Stichting Zuidwester weergegeven betreffende de strategische samenwerking tussen KLM Health Services B.V. en Maetis Ardyn Health Services en hoe wij aankeken tegen de (eventuele) overdracht van onze verzuim- en arbodienstverlening aan Maetis Ardyn Health Services.

Kern van de brieven was dat het niet vanzelfsprekend was dat wij ons door Maetis Ardyn Health Services zouden laten ondersteunen bij onze verzuim- en arbodienstverlening. Immers, de contractverlenging tussen KLM Health Services B.V. en Zuidwester was mede afgesproken op basis van de toezegging dat wij gebruik konden blijven maken van de ons bekende bedrijfsartsen. (…)

Alles overwegende heeft Zuidwester het besluit genomen, als vervolg op onze proforma opzegging, om met ingang van 1 december 2010 de samenwerking te beëindigen en formeel het contract met Maetis Ardyn Health Services op te zeggen. (…)”

2.4. Bij brief van 17 november 2010 heeft Zuidwester [gedaagde partij] en [A] verzocht de mogelijkheden te onderzoeken om als bedrijfsarts voor haar te blijven werken in het kader van een rechtstreekse opdrachtgever – opdrachtnemer relatie.

Hierover is een bespreking gevoerd op 25 november 2010 waarbij [gedaagde partij] en [A] en, namens Maetis, [C] en [D] aanwezig waren.

Vervolgens heeft [A] in een e-mailbericht aan [C] (Maetis) op 20 december 2010 geschreven:

“(…)

Ten aanzien van St. Zuidwester heb je vandaag telefonisch aangegeven dat MaetisArdyn Health Services in overleg met St. Zuidwester tot een regeling is gekomen waarbij Health Services aan dhr. [voornaam] [gedaagde partij] en mij per 01-01-2011 toestemming verleend om als zelfstandig werkend bedrijfsarts(en) diensten aan St. Zuidwester te mogen leveren in een directe opdrachtgever/opdrachtnemer(s) relatie, waarbij als voorwaarde een nog te sluiten afkoopregeling geldt. [gedaagde partij] en ik hebben aangegeven dat wij ons op hoofdlijnen in een dergelijke regeling, zoals door ons is besproken, kunnen vinden.

Jij hebt verder vandaag aangegeven deze regeling zo spoedig mogelijk schriftelijk verder uit te werken en vervolgens aan [voornaam gedaagde partij] en mij te doen toekomen. Tevens heb ik daarbij aangegeven dat deze regeling op voorwaarden inhoudelijk juridisch verder zal kunnen worden getoetst.

Wij hebben voorts de intentie besproken de regeling in januari 2011, als gevolg van geplande vakanties/feestdagen, verder af te ronden. Naar ik van je begrijp zal Health Services aan [voornaam gedaagde partij] en mij nog deze maand een schriftelijke toestemming sturen waaruit juridisch gezien bovenstaande, in het bijzonder de afgesproken toestemming, blijkt Per 01-01-11 zal het geplande spreekuur bij St. Zuidwester dan onzerzijds gewoon doorgang kunnen vinden. (…)”

2.5. Op 27 januari 2011 heeft [B] (Zuidwester) aan [C] (Maetis) geschreven:

“Namens de heer [D], Manager HRM Zuidwester, bevestig ik middels deze brief de afspraken zoals gemaakt eind december 2010, tussen Stichting Zuidwester en Tinguely Netwerk.

Als vervolg op onze eerdere brieven pro-forma opzegging contract en de daaropvolgende gesprekken is het de uitdrukkelijke wens van Stichting Zuidwester om de verzuimbegeleiding door onze huidige bedrijfsartsen, te weten [voornaam] [A] en [gedaagde partij], voor te zetten.

Na overleg tussen betrokken partijen zijn we tot de volgende oplossing gekomen. Tot en met 31 december 2010 verzorgt Health Services de dienstverlening en zij zal tot die datum conform de huidige afspraken, factureren.

Vanaf 1 januari 2011 zal Stichting Zuidwester een rechtstreeks contract afsluiten met beide bedrijfsartsen, in deze de heer [A] en de heer [gedaagde partij] tegen een uurtarief van € 145,00 per uur voor het eerste jaar.

Voor het tweede en volgende jaren treedt Stichting Zuidwester in onderhandeling met beide bedrijfsartsen over een aangepast en lager uurtarief. Health Services is bereid toestemming te verlenen aan de beide bedrijfsartsen om een dergelijke overeenkomst af te sluiten met Stichting Zuidwester onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat gedurende het eerste jaar (over de gewerkte uren) door de beide bedrijfsartsen de behaalde bruto marge ten bedrage van € 35,00 per uur (€ 145,00 - € 110,00) vergoed wordt aan Health Services. Stichting Zuidwester zal maandelijks aan Health Services opgave doen van de door de artsen gefactureerde uren en op basis hiervan zal Health Services aan iedere arts afzonderlijk de marge ten bedragen van het gewerkte aantal uren x € 35,00 in rekening brengen. (…)”

2.6. [gedaagde partij] heeft tot 14 juni 2011 voor Zuidwester werkzaamheden verricht. In de periode tot die datum heeft hij 172 uur voor Zuidwester gewerkt.

2.7. Maetis heeft [gedaagde partij] op 29 augustus 2011 een bedrag van € 6.020,00 gefactureerd.

3. De vordering en het verweer

3.1. Maetis heeft bij dagvaarding gevorderd dat de kantonrechter [gedaagde partij] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 9.636,54 te vermeerderen met rente daarover vanaf 28 september 2011 tot aan de dag van voldoening. Maetis heeft verder de veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten gevorderd.

Bij conclusie van repliek heeft Maetis haar vordering aangevuld in die zin dat zij subsidiair, onder handhaving van haar oorspronkelijke vordering als primaire vordering, vordert dat de kantonrechter [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van € 645.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 maart 2012 en met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

3.2. Aan haar primaire vordering legt Maetis het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] heeft in opdracht van Maetis voor Zuidwester gewerkt. In het najaar van 2010 werd bekend dat de samenwerking tussen Maetis en Zuidwester zou worden beëindigd. [gedaagde partij] heeft laten weten dat hij als bedrijfsarts bij Zuidwester wilde blijven werken. Dit zou echter strijdig zijn met het tussen hem en Maetis overeen¬gekomen concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding. Na overleg tussen partijen is een overeenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde partij] vanaf 1 januari 2011 bij Zuidwester mocht werken. Voor het jaar 2011 zou hij dan per bij Zuidwester gewerkt uur € 35,00 bruto aan Maetis betalen. Volgens opgave van Zuidwester heeft [gedaagde partij] tot 14 juni 2011 172 uur gewerkt. Op grond hiervan heeft Maetis recht op een vergoeding van 172 x € 35,00 = € 6.020,00 bruto. Dat bedrag heeft zij [gedaagde partij] op 29 augustus 2011 gefactureerd. [gedaagde partij] is, ondanks aanmaningen en sommaties niet tot betaling overgegaan. Daarom maakt Maetis ook aanspraak op rente en € 3.616,54 aan buitengerechtelijke kosten.

3.3. De subsidiaire vordering is gebaseerd op het concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding in de overeenkomst van opdracht van 1 september 2010. Op grond van dit beding mocht [gedaagde partij] in 2011 geen werkzaamheden voor Zuidwester verrichten. Nu hij dat toch heeft gedaan is hij boetes verschuldigd op basis van € 10.000,00 per overtreding per dag. Omgerekend heeft [gedaagde partij] 21,5 dagen voor Zuidwester gewerkt. Wegens schending van het concurrentie-/relatiebeding is hij daarom € 430.000,00 aan Maetis verschuldigd en wegens schending van het geheimhoudingsbeding nog eens € 215.000,00, totaal dus € 645.000,00.

3.4. [gedaagde partij] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer komt er in de kern op neer dat hij ontkent in december 2010/januari 2011 enige (nadere) afspraak met Maetis te hebben gemaakt zoals deze door Maetis wordt gesteld. Hij is daarom niet gehouden aan Maetis een vergoeding te betalen voor bij Zuidwester gewerkte uren.

3.5. In reactie op de subsidiaire vordering betoogt [gedaagde partij] dat hij de overeenkomst van opdracht met Maetis onder druk en onder een valse voorstelling van zaken heeft getekend. Daarbij heeft Maetis misbruik gemaakt van de omstandigheden en de afhankelijkheid van zowel Zuidwester als [gedaagde partij] en met name zijn beroepsethiek. [gedaagde partij] heeft daarom de buitengerechtelijke vernietiging van artikel 7 van de overeenkomst ingeroepen. Voor zover de overeenkomst op het punt van het beding nog effect zou sorteren is het beroep van Maetis daarop, mede in aanmerking nemend de korte duur van het contract en de zwaarte van het beding, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Tot slot betoogt [gedaagde partij] dat Zuidwester geen relatie van Maetis is of is geweest.

4. De beoordeling

Bevoegdheid kantonrechter

4.1. De primaire vordering behoort tot de competentie van de kantonrechter. Beide partijen hebben, op verschillende gronden, bepleit dat de kantonrechter de zaak ook voor de subsidiaire vordering aan zich houdt, zulks onder voorbehoud van het recht op hoger beroep. Daarom zal de kantonrechter met toepassing van artikel 96 Rv zich niet onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen, maar inhoudelijk op de zaak beslissen.

De primaire vordering

4.2. De stelling van Maetis is dat zij met [gedaagde partij] een overeenkomst heeft gesloten die inhoudt dat hij toestemming heeft in het jaar 2011 als bedrijfsarts werkzaamheden voor Zuidwester te verrichten, waartegenover hij € 35,00 per gewerkt uur aan Maetis moet afdragen. Maetis verwijst hiervoor naar de bespreking op 25 november 2010, het

e-mailbericht van [A] aan Maetis van 20 december 2010 (r.o. 2.4) en de mailwisseling tussen Maetis en Zuidwester (r.o. 2.5).

4.3. Uit de verklaringen van partijen en de overgelegde stukken blijkt dat op 25 november 2010 een overleg heeft plaatsgevonden tussen Maetis en [gedaagde partij] en [A]. Tijdens die bijeenkomst is echter geen overeenstemming bereikt. Uit het e-mailbericht van [A] aan [C] van 20 december 2010 (zie hiervoor onder 2.4) blijkt dat [C] [A] die dag heeft medegedeeld dat Maetis en Zuidwester overeenstemming hebben bereikt over voortzetting van de werkzaamheden door [gedaagde partij] en [A], tegen een nog te sluiten afkoopregeling. Hieruit blijkt dat toen nog geen (volledige) overeenstemming was bereikt, omdat de regeling nog concreet moest worden uitgewerkt. [A] heeft verder in zijn mail geschreven dat hij en [gedaagde partij] zich in beginsel in zo’n regeling zouden kunnen vinden, maar dat zij die regeling eventueel juridisch willen laten toetsen. Een algehele overeenstemming kan hieruit niet worden opgemaakt. Verder blijkt uit de brief van Zuidwester aan Maetis van 27 januari 2011 (zie hiervoor onder 2.5) dat toen tussen deze twee partijen overeenstemming is bereikt over een vergoeding van € 35,00 per uur, alsmede over de wijze waarop deze zou moeten worden verrekend of afgerekend. Dat bij de totstandkoming van die afspraak ook [gedaagde partij] (en [A]) betrokken is (zijn) geweest, blijkt nergens uit. Sterker nog, uit de overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde partij], toen hem daar later om werd gevraagd, heeft geweigerd akkoord te gaan. De kantonrechter kan daarom de stelling van Maetis, dat tussen haar en [gedaagde partij] een overeenkomst is gesloten, niet volgen.

Omdat [A] in zijn e-mailbericht van 20 december 2010 niet meer heeft gedaan dan bevestigen dat hij en [gedaagde partij] in beginsel kunnen instemmen met een regeling als voorgesteld, maar dat zij een uitgewerkt voorstel afwachten en dat eventueel nog juridisch willen laten toetsen, kan daaruit ook niet worden opgemaakt dat hij (mede) namens [gedaagde partij] een overeenkomst met Maetis heeft gesloten.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat Maetis met [gedaagde partij] een overeenkomst heeft gesloten, zoals door haar is gesteld. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een andere conclusie kunnen leiden. Omdat de gestelde overeenkomst ontbreekt wordt de primaire vordering van Maetis afgewezen.

De subsidiaire vordering

4.5. Deze vordering van Maetis is gebaseerd op het concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding in de overeenkomst van opdracht van 1 september 2010. Volgens Maetis heeft [gedaagde partij] het beding geschonden door in de periode van 1 januari tot 14 juni 2011 werkzaamheden voor Zuidwester te verrichten.

4.6. De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of het beding van toepassing is. [gedaagde partij] heeft dit betwist met het betoog dat Zuidwester geen relatie van Maetis was, omdat Zuidwester het met KLM Health Services bestaande dienstverleningscontract reeds in mei 2010 (pro forma) had opgezegd. Nu [gedaagde partij] in de periode vanaf 1 juli 2010 via Maetis werkzaamheden voor Zuidwester heeft verricht, en Zuidwester aldus diensten van Maetis afnam, moet Zuidwester naar het oordeel van de kantonrechter als een relatie van Maetis worden aangemerkt. Dit volgt overigens ook reeds uit artikel 1.1 van de onder 2.2 genoemde overeenkomst van opdracht tussen partijen. Het betoog van [gedaagde partij] dat dit niet het geval is wordt daarom verworpen. Dat betekent dat het beding in beginsel van toepassing is.

4.7. Dat geldt ook nu Maetis [gedaagde partij] toestemming heeft gegeven om vanaf 1 januari 2011 werkzaamheden voor Zuidwester te verrichten. Deze toestemming hing immers samen met het overleg tussen Maetis, [A], [gedaagde partij] en Zuidwester gericht op een eventueel te treffen regeling. Aangenomen moet daarom worden dat de toestemming slechts voorwaardelijk is gegeven, ervan uitgaande dat een regeling tot stand zou komen. De toestemming is daarmee aan te merken als een overeenkomst, althans rechtshandeling, onder ontbindende voorwaarde (artikel 6:22 jo artikel 3:38 BW). Het beding is daardoor niet vervallen. Omdat partijen, zoals hiervoor is overwogen, geen regeling hebben getroffen, is het beding van kracht gebleven.

4.8. [gedaagde partij] stelt dat het beding vernietigbaar is, omdat het tot stand is gekomen onder invloed van druk en een valse voorstelling van zaken. Uit de overgelegde stukken en de verklaringen van partijen ter zitting is gebleken dat [gedaagde partij] op de hoogte was van het feit dat Zuidwester haar contract met KLM Health Services in mei 2010 pro forma had opgezegd. Over de eventuele verlenging van dit contract door Maetis bestond op het moment van ondertekening van de overeenkomst van opdracht door [gedaagde partij] nog geen duidelijkheid. Het enige wat daarover bekend was is in artikel 1 van die overeenkomst opgenomen, te weten dat “de mogelijkheid bestaat dat na overleg tussen de opdrachtnemer, opdrachtgever en de klant deze overeenkomst wordt verlengd”. Maetis heeft betwist dat zij op enigerlei wijze een verdergaande mededeling (over een langerdurend contract) aan [gedaagde partij] zou hebben gedaan om hem tot ondertekening van de overeenkomst te bewegen. [gedaagde partij] heeft zijn stelling op dit punt niet nader geconcretiseerd of (met stukken) onderbouwd. [gedaagde partij] heeft evenmin aannemelijk gemaakt of geconcretiseerd dat hij onder druk stond de overeenkomst te tekenen, doordat Maetis facturen onbetaald liet. Onduidelijk is om welke facturen het zou gaan, welke impact het uitblijven van betaling op hem had en waarom hij juist daardoor tot ondertekening werd bewogen. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde partij] de overeenkomst van opdracht onder invloed van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden heeft ondertekend. Daarbij is tevens van belang dat niet ter discussie staat dat [gedaagde partij] meerdere conceptovereenkomsten onder ogen heeft gehad voor hij tot ondertekening overging. Daaruit kan worden opgemaakt dat [gedaagde partij] de tijd en ruimte kreeg om al dan niet tot ondertekening over te gaan. Het beroep op vernietiging van het beding faalt daarom.

4.9. [gedaagde partij] heeft tot slot betoogd dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in de weg staat aan toepassing van het beding. Bij de beoordeling hiervan is het volgende van belang. Uit wat hiervoor al is overwogen volgt dat [gedaagde partij] heeft gehandeld in strijd met het beding uit de overeenkomst van opdracht. Het gaat om een concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding dat is bedoeld om te voorkomen dat klanten van Maetis (die zij door eigen inspanning of betaling heeft verworven) met haar werknemers of in haar opdracht werkende ZZP’ers afspraken maken waardoor Maetis buiten spel gezet wordt. Dat is juist wat hier is gebeurd. Maetis heeft daarom in beginsel het recht om het beding in te roepen en aanspraak te maken op de bedongen boetes. Dát op zichzelf is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

4.10. Iets ander is dat het beding ook een boetebeding is. Hiervoor geldt het bepaalde in artikel 6:94 BW, waarin – kort gezegd – is bepaald dat de rechter op verlangen van de schuldenaar de bedongen boete kan matigen, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Zoals hiervoor reeds is overwogen was bekend dat Zuidwester de overeenkomst met KLM Health Services in mei 2010 pro forma had opgezegd. Dat betekent dat nog niet zeker was of zij met Maetis een nieuw contract zou aangaan. Maetis kon [gedaagde partij] bij het aangaan van de overeenkomst op dit punt dus geen zekerheid verschaffen. In die situatie heeft Maetis [gedaagde partij] een contract voor acht uur per week voor een half jaar aangeboden, terwijl het concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding een periode van een jaar na het einde van de samenwerkingsovereenkomst zou gelden. Voorts is van belang dat [gedaagde partij] geen invloed had op de totstandkoming van een nieuwe overeenkomst tussen Maetis en Zuidwester. Zuidwester heeft haar opzegging doorgezet. Haar betekenis als “relatie” van Maetis is daardoor beperkt gebleven. Dit alles in combinatie met de korte duur van de overeenkomst tussen [gedaagde partij] en Maetis en het beperkt aantal uren dat [gedaagde partij] na 1 januari 2011 daadwerkelijk voor Zuidwester heeft gewerkt, acht de kantonrechter een boete van € 645.000,00 buitensporig hoog. De kantonrechter zal de boete daarom matigen tot een bedrag van € 12.500,00.

4.11. Op grond van het voorgaande wordt als volgt beslist. [gedaagde partij] wordt in overwegende mate in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Deze worden aan de zijde van Maetis begroot op € 76,31 voor het uitbrengen van de dagvaarding, € 426,00 aan vast recht en € 600,00 (2 punten) voor salaris gemachtigde.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde partij] om aan Maetis te betalen een bedrag van € € 12.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 maart 2012 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Maetis begroot op € 76,31 aan dagvaardingskosten, € 426,00 aan griffierecht en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.3. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A.E.M. Overkamp en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2013.