Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ6271

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
28-03-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
C/08/135652 / KG ZA 13-47
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering inzage in medisch dossier. Criteria doorbreken geheimhoudingsplicht. Artikel 7:457 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/165
NJF 2013/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/135652 / KG ZA 13-47

datum vonnis: 28 maart 2013

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Nederland, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[Eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

en

[Eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

verder ook gezamenlijk te noemen eisers,

advocaat: mr. W.H. Kesler te Enschede,

tegen

de stichting STICHTING CARINT-REGGELAND GROEP,

gevestigd te Hengelo (O.),

gedaagde,

advocaat: mr. M. Goorhuis Oude Sanderink te Enschede.

1. Het procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarin genoemde producties,

- de akte wijziging van eis en een door eisers overgelegde nadere productie,

- de mondelinge behandeling op 15 maart 2013,

- de pleitnota van eisers en

- de pleitnota van gedaagde.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1

In deze zaak staat het navolgende vast.

2.2

In mei 2009 is de vader van eisers (hierna: vader) gescreend in verband met geheugenproblemen passend bij een dementieel syndroom. De conclusie luidde, dat er sprake was van een beginnend dementiesyndroom van het type Alzheimer.

In mei 2009 besloot CIZ dat vader wegens een psychogeriatrische aandoening in aanmerking kwam voor AWBZ-zorg met Zorgzwaartepakket VV05 (Beschermd wonen met intensieve dementiezorg). CIZ stelde vast dat vader zich niet buiten een instelling kon handhaven en besloot tot toepassing van artikel 60 Wet Bopz. In juni 2009 verbleef vader een aantal dagen in Huize Friso. Rond de kerstdagen 2009 was er sprake van een crisissituatie, met als gevolg dat vader werd opgenomen in Verpleeghuis Eugeria. De crisisopvang is omgezet in een definitief verblijf. Vader is tot zijn overlijden op 3 januari 2011 in Eugeria gebleven.

2.3

Bij testament van 22 januari 2010 heeft vader zijn zoon [X] tot enig erfgenaam benoemd en eisers in de legitieme gesteld.

3. Het geschil

3.1

Eisers vorderen na de wijziging van eis - zakelijk samengevat - om gedaagde te veroordelen om aan eisers dan wel aan de medisch adviseur [T] te [plaats] (hierna: [T]) een afschrift te verstekken van de medische dossiers betreffende vader voor zover deze dossiers betrekking hebben op de periode van januari 2005 tot en met 3 januari 2011, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2

Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag, dat zij in de (reeds aanhangige) bodemprocedure de vernietiging van het testament van 22 januari 2010 vorderen. In die procedure hebben eisers zwaarwegende aanwijzingen gesteld dat vader ten tijde van het opmaken van het testament niet meer (volledig) compos mentis was, waardoor hij niet bekwaam was om rechtshandelingen te verrichten. Het belang van eisers om over de medische gegevens te beschikken teneinde de rechtsgeldigheid van het testament gemotiveerd te kunnen aanvechten, weegt - zo stellen eisers - zwaarder dan de geheim-houdingsplicht van gedaagde.

3.3

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1

De spoedeisendheid van de zaak vloeit voldoende voort uit de stellingen van eisers.

4.2

Artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt, samengevat en voor zover hier van belang, dat de hulpverlener ervoor zorg draagt dat aan anderen dan aan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt worden verstrekt, dan met toestemming van de patiënt.

De wetgever heeft geen regeling getroffen voor het verstrekken van inlichtingen na het overlijden van de patiënt. Er wordt echter algemeen aangenomen dat het beroepsgeheim ook geldt na de dood.

4.3

Naar heersende rechtsopvatting bestaat er een mogelijkheid voor doorbreking van het beroepsgeheim in het geval van zwaarwegende belangen.

4.4

In zijn arrest van 20 april 2001 (NJ 2001, 600) heeft de Hoge Raad overwogen:

Met zijn oordeel dat er voor de doorbreking van de geheimhoudingsplicht zwaarwegende aanwijzingen moeten bestaan, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het onderhavige belang van geheimhouding, op de gronden die het Hof daartoe heeft gebezigd, van zodanig gewicht is dat daarop slechts inbreuk kan worden gemaakt, indien er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden. Dit oordeel geeft, aldus verstaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel klaagt voorts dat 's Hofs oordeel dat inzage in het medisch dossier slechts gerechtvaardigd kan zijn indien opheldering niet op een andere wijze kan worden verkregen, onjuist is. Deze klacht faalt bij gebrek aan belang, nu het Hof niet is toegekomen en blijkens het vorenoverwogene ook niet behoefde toe te komen aan de beantwoording van de vraag of opheldering in dit geval op een andere wijze verkregen kon worden. Hieruit volgt dat ook het hierop betrekking hebbende onderdeel 7 geen doel kan treffen.

4.5

In het Handboek gezondheidsrecht wordt gesteld:

Naast de veronderstelde toestemming hanteert de rechter de afgelopen jaren in

toenemende mate het criterium van de zwaarwegende belangen. Dit houdt in dat ook

in situaties waarin de veronderstelde toestemming geen soelaas biedt, nabestaanden

recht op inzage van de overleden patiënt kunnen claimen. In nogal wat van die

gevallen gaat het om de wens van een of meer erfgenamen over medische gegevens

te beschikken om te kunnen aantonen dat de overledene bij het opstellen van zijn

testament niet compos mentis was. In die context is de afgelopen jaren jurisprudentie

tot stand gekomen waarin de rechter de belangen van nabestaanden bij dossierinzage

heeft erkend. (Handboek gezondheidsrecht Deel 1 pagina 232, H.J.J. Leenen e.a.,

Houten 2007)

4.6

Ook het wetsvoorstel Wet cliëntenregeling zorg kan als richtsnoer dienen. Artikel 23 van dit wetsontwerp luidt:

Nabestaanden van de cliënt hebben jegens de zorgaanbieder slechts recht op

inzage in of afschrift van het dossier indien en voor zover:

a. de cliënt daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven, of

b. er sprake is van zwaarwegend belang ter zake voor de nabestaanden.

In de memorie van toelichting is met betrekking tot dit artikel 23 het volgende vermeld:

Voorop moet worden gesteld dat cliënten zich tot een zorgaanbieder moeten kunnen

wenden zonder ervoor beducht te hoeven zijn dat in vertrouwen verstrekte gegevens

verspreid worden. Dit wetsvoorstel bepaalt dat slechts onder bepaalde

omstandigheden ook nabestaanden van de cliënt een recht op inzage hebben. Op

basis van artikel 7:457 BW dienen zorgaanbieders hun beroepsgeheim ook na de

dood van een patiënt in acht te nemen. In de rechtspraak is de mogelijkheid van een

inbreuk op het beroepsgeheim uitgekristalliseerd. Artikel 23 geeft een codificatie van

die jurisprudentie.

In de eerste plaats hebben nabestaanden recht op inzage indien er sprake is van

schriftelijke toestemming van de overledene.

Een tweede grond voor inzage door nabestaanden is het bestaan van een

zwaarwegend belang. Zo’n belang kan betrekking hebben op de gezondheid of van

financiële aard zijn. Financiële belangen kunnen onder andere zijn: uitkering aan

nabestaanden voor een verzekering, gebruik van gegevens in een

aansprakelijkheidsprocedure of gebruik van gegevens om de geldigheid van een

rechtshandeling aan te vechten, omdat de overledene wilsonbekwaam was,

bijvoorbeeld bij het opstellen van testament. In het laatste geval moeten er wel

zwaarwegende aanwijzingen zijn dat inderdaad sprake was van wils- of

handelingsonbekwaamheid en dat de wijze van gegevensopenbaring de enige

mogelijkheid is om de gewenste opheldering te bieden. (…)

(Tweede Kamer, vergaderjaar 2009 - 2010, 32 402, nr. 3, pagina 125)

4.7

Gedaagde heeft niet betwist dat er (a.) zwaarwegende aanwijzingen bestaan dat de erflater ten tijde van het verlijden van een testament niet over zijn verstandelijke vermogens beschikte en niet bekwaam was om rechtshandelingen te verrichten en evenmin dat

(b.) aannemelijk is dat het medisch dossier daarover opheldering zou kunnen geven terwijl die opheldering niet op andere wijze kan worden verkregen. (Vgl. pleitnota gedaagde sub 10. en 11.)

Gedaagde heeft naar voren gebracht dat niet is voldaan aan een derde vereiste, te weten

(c.) dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de overledene, was hij nog in leven geweest, zijn toestemming tot inzage in het medisch dossier zou hebben gegeven.

Eisers hadden aangevoerd dat het - in het algemeen - aannemelijk is dat iemand in een dergelijke situatie wenst dat het medisch dossier beschikbaar zal komen.

De voorzieningenrechter laat de zogenaamde veronderstelde toestemming onbesproken, nu uit de jurisprudentie, de literatuur en een aanhangig wetsvoorstel volgt dat onder omstandigheden, óók indien er geen sprake is van (veronderstelde) toestemming, inzage in of afschrift van het dossier moet worden verstrekt.

4.8

Het bovenstaande brengt mee, dat in deze zaak een inbreuk op de geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd is.

4.9

Met betrekking tot het verweer van gedaagde dat sprake is van fishing expedition, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningrechter ziet geen aanleiding om gedaagde vooraf een selectie in de medische stukken te laten maken. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van dit kort geding is gebleken, dat [T] voor zowel eisers als voor gedaagde aanvaardbaar is indien deze als medisch adviseur optreedt. De voorzieningen-rechter laat de beoordeling en de selectie van de medische stukken over aan [T].

Gedaagde zal worden veroordeeld tot afgifte aan [T] van (een afschrift van) de volledige bij haar voorhanden zijnde medische dossiers van vader, voor zover deze dossiers betrekking hebben op de periode van januari 2005 tot en met 3 januari 2011.

4.8

De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom matigen en maximeren als vermeld in het dictum.

4.9

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Het betoog van gedaagde dat er aanleiding is de proceskosten te compenseren treft geen doel, omdat de weigering van gedaagde om het medisch dossier te verstrekken was gebaseerd op de stelling dat onvoldoende aannemelijk was dat aan het toestemmingsvereiste was voldaan. Die weigeringsgrond deed zich in dit geval echter niet voor.

De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op € 99,82 (dagvaarding) + € 274,-- (griffierecht) + € 527,-- (salaris advocaat) = € 900,82.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Veroordeelt gedaagde om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan

[T], [adres] te [plaats], een afschrift te verstrekken van de volledige bij haar voorhanden zijnde medische dossiers betreffende [vader], geboren [1918] en overleden [2011] voor zover deze medische dossiers betrekking hebben op de periode van januari 2005 tot en met 3 januari 2011.

II. Veroordeelt gedaagde om ingeval zij in gebreke mocht blijven aan bovenstaande veroordeling te voldoen, aan eisers een dwangsom te betalen van € 100,-- per dag dat zij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 5.000,--.

III. Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op € 900,82.

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.