Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ5857

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2013
Datum publicatie
28-03-2013
Zaaknummer
AWB 12/533, AWB 12/2592 en AWB 12/2593
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wwb. Schending inlichtingenverplichting. Niet melden van handelsactiviteiten die al dan niet via internet (Marktplaats) zijn verricht.

Een verplichting om een begin te maken met het saneren van de schulden kan binnen de reikwijdte van artikel 55 van de Wwb vallen. Daartoe zal aannemelijk moeten zijn dat er sprake is van zodanige schulden dat daardoor de uitstroom en dus de bijstandsonafhankelijkheid van de betrokkene wordt belemmerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team bestuursrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 12/533, AWB 12/2592 en AWB 12/2593

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 5 februari 2013.

inzake

[eiser], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. J.P.J. Botterblom,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 20 december 2011 (besluit I), 25 april 2012 (besluit II) en 26 april 2012 (besluit III).

2. Procesverloop

2.1 Bij het besluit van 28 juni 2011 heeft verweerder de bijstand van eiser ingetrokken met ingang van 1 mei 2011. Bij het besluit van 20 september 2011 heeft verweerder de bijstand van eiser ingetrokken over de periode van 17 oktober 2006 tot en met 30 april 2011 en de ten onrechte verstrekte bijstand over deze periode teruggevorderd. Bij het besluit van 27 oktober 2011 heeft verweerder aan eiser bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) toegekend.

2.2. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2011 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2011 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Bij het bestreden besluit III heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2011 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

2.3. Tegen deze besluiten is afzonderlijk beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Het beroep tegen besluit I is geregistreerd onder nummer AWB 12/533, het beroep tegen besluit II is geregistreerd onder nummer AWB 12/2593 en het beroep tegen besluit III is geregistreerd onder nummer AWB 12/2592. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

2.4. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 5 oktober 2012. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Botterblom. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.L. Bakker, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

3.1. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten I en II ten grondslag gelegd dat eiser in strijd heeft gehandeld met de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Wwb. Eiser heeft niet aan verweerder gemeld dat hij in de periode van 17 oktober 2006 tot en met 30 april 2011 en vanaf 1 mei 2011 werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht. Aangezien eiser geen administratie hiervan heeft bijgehouden valt achteraf niet te herleiden wat de omvang van deze werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende inkomsten is geweest. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Eiser heeft als gevolg hiervan ten onrechte bijstand ontvangen welke door verweerder van eiser wordt teruggevorderd tot een bedrag van (totaal) € 69.765,54.

Aan besluit III heeft verweerder, voor zover hier van belang, de bij het besluit van 27 oktober 2011, op grond van artikel 55 van de Wwb, opgelegde verplichting tot schuldsanering gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanzienlijke schuldenlast eiser belemmert bij het zoeken naar en vinden van werk zodat genoemde verplichting bijdraagt aan uitstroom uit de uitkering. Voorts heeft verweerder de bij het besluit van 27 oktober 2011 opgelegde aflossingsverplichting van € 118,79 per maand, gehandhaafd.

3.2. Eiser heeft de besluiten gemotiveerd bestreden. Op zijn stellingen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

3.3. Eiser ontvangt vanaf 27 april 2005 bijstand ingevolge de Wwb naar de norm voor een alleenstaande ouder. In mei 2008 is bij verweerder een melding binnengekomen dat eiser op de markt in Vleuten tweedehands goederen zou verkopen. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld in het kader waarvan in juli 2009 een huisbezoek bij eiser is afgelegd, waar eiser zelf niet bij aanwezig was. In de woning van eiser werd een partij kleding aangetroffen die in plastic was verpakt. Naar aanleiding van een tip in juli 2009, dat eiser op internet in kleding en andere spullen zou handelen is wederom een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek heeft de sociale recherche gegevens op www.marktplaats.nl (hierna: Marktplaats) geraadpleegd, zijn diverse getuigen gehoord en is eiser gehoord op 10 en 11 mei 2011.

Ten aanzien van AWB 12/533 en AWB 12/2593

3.4. Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

3.5. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de intrekking van het recht op bijstand met ingang van 1 mei 2011 geen einddatum heeft vermeld. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit, in dit geval tot en met 28 juni 2011. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder de periode van intrekking vastgesteld op 17 oktober 2006 tot en met 30 april 2011. Het voorgaande betekent dat beoordeeld moet worden of verweerder bevoegd was de bijstand in te trekken over de periode van 17 oktober 2006 tot en met 28 juni 2011.

3.6. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat eiser in de hiervoor genoemde periode de inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat eiser, al dan niet via internet (Marktplaats), alleen en samen met dan wel op naam van anderen heeft gehandeld in goederen, waaronder kleding, nieuwe en tweedehands fietsen, bouwmaterialen, meubels en elektronica. Uit de door de sociale recherche verzamelde gegevens komt naar voren dat eiser zeer regelmatig adverteerde op Marktplaats. Het betrof hier bedrijfsmatige advertenties waarvoor moest worden betaald. Eiser heeft het nummer van zijn mobiele telefoon en zijn IP adres gekoppeld aan zijn pagina op Marktplaats. Verder blijkt uit verklaringen van de getuigen [namen getuigen] en uit de verklaring van de zoon van eiser, dat eiser in de hiervoor genoemde goederen handelde. Deze verklaringen zijn voldoende gedetailleerd en bevatten voldoende feitelijke informatie over eisers handelsactiviteiten. De rechtbank ziet, anders dan eiser, dan ook geen redenen om aan de betrouwbaarheid van de hier genoemde getuigenverklaringen te twijfelen. Dat eiser een slechte relatie met zijn zoon heeft, hoeft nog niet te betekenen dat diens verklaringen niet juist zouden zijn.

Tot slot volgt ook uit de verklaringen, die eiser zelf op 10 en 11 mei 2011 ten overstaan van de sociale recherche heeft afgelegd, dat hij tijdens de periode hier in geding op grote schaal handelsactiviteiten heeft verricht. De rechtbank acht het, gelet op de omvang van en de langdurige periode waarin eiser als handelaar actief is geweest, niet aannemelijk dat, zoals door eiser in beroep gesteld wordt, alleen sprake was van handel voor kennissen. De rechtbank acht evenmin aannemelijk dat de door eiser geplaatste advertenties op internet enkel pogingen betroffen om inkomen te vergaren welke zonder resultaat zijn gebleven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de verklaringen van zowel eiser als van de getuigen volgt dat eiser zelf goederen inkocht en bedrijfsmatige advertenties plaatste. Kortom, activiteiten die eiser geld hebben gekost en die daarom nog eens het bedrijfsmatig karakter van eisers activiteiten onderstrepen.

3.7. De rechtbank overweegt voorts nog dat, anders dan door eiser wordt betoogd, verweerder eveneens voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de handelsactiviteiten tijdens de gehele periode in geding, en dus ook in de periode van 1 mei 2011 tot en met 28 juni 2011, hebben plaatsgevonden. Naar aanleiding van de nieuwe aanvraag van eiser om bijstand heeft verweerder op 12 juli 2011 een huisbezoek bij eiser afgelegd waarbij, onder meer, eisers computer is onderzocht. Bij onderzoek van de geschiedenis van internet, is vastgesteld dat eiser ook in deze periode veelvuldig Marktplaats heeft bezocht en heeft gezocht op advertenties voor diverse handelsgoederen. De rechtbank komt op grond hiervan tot de conclusie dat eiser zijn handelsactiviteiten na de verhoren door de sociale recherche op 10 en 11 mei 2011 gewoon heeft voortgezet.

3.8. Vaststaat dat eiser zijn handelsactiviteiten niet aan verweerder heeft gemeld. Het gaat hier om bedrijfmatige op geld waardeerbare werkzaamheden die onmiskenbaar van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Het had eiser daarom redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij verweerder verifieerbare informatie hierover diende te verstrekken. Door genoemde handelsactiviteiten niet te melden, heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

De rechtbank is van oordeel dat eiser daar niet in is geslaagd. Eiser heeft van zijn activiteiten geen administratie of boekhouding bijgehouden en heeft nadien en ook ter zitting, geen enkel inzicht verschaft in de omvang van de hier bedoelde activiteiten en de daaruit voortvloeiende inkomsten. De rechtbank onderschrijft daarom het standpunt van verweerder dat het recht tijdens de periode hier in geding niet kan worden vastgesteld.

3.9. Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was tot intrekking van de bijstand van eiser op grond van artikel 54, derde lid onder a, van de Wwb over de periode van 17 oktober 2006 tot en met 28 juni 2011. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3.10. Het bovenstaande brengt mee dat verweerder eveneens bevoegd was de als gevolg van de intrekking ten onrechte verstrekte bijstand van eiser terug te vorderen. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Ten aanzien van AWB 12/2592

3.11. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3.10 is vermeld, is verweerder, op grond van artikel 4:93 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 60, derde lid, van de Wwb, zoals dat luidde ten tijde hier in geding, bevoegd de schuld van eiser (maandelijks) te verrekenen met de aan eiser verstrekte bijstand. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid geen gebruik van deze bevoegdheid heeft kunnen maken. Evenmin is er een grond aanwezig waarom naast de uitoefening van de bevoegdheid tot verrekening verweerder niet tevens gebruik zou kunnen maken van de bevoegdheid om op grond van artikel 55 van de Wwb eiser te verplichten een begin te maken met het saneren van zijn schulden.

3.12. Ingevolge artikel 55 van de Wwb, voor zover van belang, kan het college, naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn dan wel daaraan door het college verbonden worden, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplichtingen opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging.

3.13. De rechtbank overweegt dat een verplichting om een begin te maken met het saneren van de schulden binnen de reikwijdte van artikel 55 van de Wwb kan vallen. Daartoe zal aannemelijk moeten zijn dat er sprake is van zodanig schulden dat daardoor de uitstroom en dus de bijstandsonafhankelijkheid van de betrokken wordt belemmerd. De rechtbank acht het aannemelijk dat de aanzienlijke schuldenlast waaronder eiser gebukt gaat een reële belemmering vormt voor het verkrijgen van betaalde arbeid. Aldus staat de schuldenlast van eiser de uitstroom uit de bijstand in de weg. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten om de hier genoemde verplichting aan de bijstand te verbinden. Daarbij komt nog dat eiser ten overstaan van verweerder zelf melding heeft gemaakt van deze schuldenlast.

Slotoverwegingen

3.14. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen de bestreden besluiten geen doel treffen. De beroepen dienen dan ook ongegrond te worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, en mr. F.J. de Vries en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2013.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 5 februari 2013.