Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ5630

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
19-03-2013
Datum publicatie
27-03-2013
Zaaknummer
08/700501-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensensmokkel. Bij bepalen van de strafmaat wordt rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Oost-Nederland

Team strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/700501-10

Datum vonnis: 19 maart 2013

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Oost-Nederland, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] in [plaats], ([land]),

wonende in [plaats], [adres].

1. Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

5 maart 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mevrouw mr. Y. Oosterhof en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. F.A. Broersma, advocaat te Den Haag, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 oktober 2010 samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel;

feit 2: in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 oktober 2010 samen met een ander of anderen een paspoort en twee rijbewijzen heeft vervalst;

feit 3: op 12 oktober 2010 samen met een ander of anderen 695 vervalste OV dagkaarten heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte - na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging - dat:

1.

hij op een of meer nader te noemen tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 oktober 2010 in de gemeente(n) Rijkswijk en/of 's-Gravenhage, en/althans/in elk geval (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, (telkens) een of meer perso(o)n(en), (van vermoedelijk Iraanse, Irakese, Afghaanse en/of Koerdische afkomst), behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of Turkije, en/althans/in elk geval een (andere) staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of die perso(o)n(en) daartoe (telkens) gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang of die doorreis (telkens)

wederrechtelijk was, hierin bestaande dat verdachte tezamen met verdachtes mededader(s) en/althans alleen (onder andere):

- in of omstreeks de maand augustus 2010 een persoon, genaamd [S],

(zakendossier "[S]"), en/of

- in of omstreeks de maand september 2010 vier personen, (te weten twee

volwassenen en twee kinderen als omschreven in zakendossier "De vier"),

(telkens):

- heeft/hebben voorzien van (een) vals(e) en/of vervalste reis/identiteitsdocument(en), en/of

- heeft/hebben voorzien van (een) ticket(s)/vervoersbewij(s)(zen), en/of

- heeft/hebben bemiddeld in het verschaffen/verkrijgen van (een) (valse/vervalste) (reis)document(en) en/of vervoersbewij(s)(zen), en/of

- (daartoe) pasfoto's heeft/hebben aan/in bewaring genomen en/of doorgezonden, en/of

- (daartoe) (een) geldbedrag(en) aan/in bewaring heeft genomen en/althans financieel heeft/hebben gefaciliteerd;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 oktober 2010 in de gemeente(n) 's-Gravenhage en/of Rijswijk en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) reisdocument(en) en/of identiteitsbewijs/zen en/of rijbewijs/zen en/of verblijfsdocument(en), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, te weten onder andere:

= een Nederlands reisdocument, voorzien van het nummer [XXXX], (beslagcode B.1.1.1.1), en/of

= een Nederlands rijbewijs, voorzien van het nummer [YYYY], (beslagcode

B.1.1.1.2), en/of

= een Irakees rijbewijs, voorzien van het nummer [ZZZZ], (beslagcode C.3.2.2.a)

* valselijk heeft opgemaakt of vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, en/of

* opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst welk vervalsen en/of welke vervalsing(en) (telkens) (onder andere) hierin bestond(en) dat:

- ten aanzien van het Nederlandse reisdocument de in het reisdocument aangebrachte houderpagina qua kleur, detaillering, en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken niet overeenkwam met de/een origineel door de autoriteiten aangebrachte houderpagina van dit model reisdocument, en/of

- ten aanzien van het Nederlandse rijbewijs de ondergrondbedrukking van dit rijbewijs niet overeen kwam met de ondergrond bedrukking van een origineel exemplaar, en/of

- ten aanzien van het Irakese rijbewijs de verschijningsvorm van het document (in detail) afwijkt en/of de in het document aangebrachte basisgegevens ("vernieuwing rijbewijs

10 mei 2000") niet corresponderen met de bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst bekende gegevens;

3.

hij op of omstreeks 12 oktober 2010 in de gemeente ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen opzettelijk heeft afgeleverd en/of voorhanden gehad 695, althans een of meer, vals(e) of vervalst(e) OV dagkaart(en) - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst, welk vervalsen en/of welke vervalsing(en) (onder andere) hierin bestond(en) dat de druktechniek en de reactie bij het aanstralen met ultraviolet licht niet overeen komen met een origineel exemplaar.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het tenlastegelegde bewezen te verklaren en verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Tevens heeft zij de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte gevorderd.

4. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

5.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 1 heeft zij daartoe gesteld dat op basis van de verklaring van verdachte, de diverse tapgesprekken en de verklaringen van medeverdachten wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zowel het tenlastegelegde ten aanzien van zakendossier ‘[S]’ als het tenlastegelegde ten aanzien van zakendossier ‘de vier’ heeft gepleegd. Wat betreft de smokkel van [S] zijn medeverdachten [D] en [V] naar Griekenland gereisd, waar zij [S] hebben getroffen. [D] en [V] hebben [S] voorzien van vervalste documenten waarmee [S] samen met hen naar Italië is gereisd. Het door [D] meegenomen vervalste paspoort is gemaakt dan wel geregeld door verdachte. Aanvankelijk heeft verdachte verklaard [S] niet te kennen, maar ter terechtzitting heeft hij verklaard [S] wel te kennen. Verdachte heeft, omdat [D] hem zo vaak vroeg en hij medelijden met haar had, de pasfoto die zij hem gaf aan een Marokkaan gegeven die vervolgens een paspoort voor [S] heeft gemaakt. [D] heeft samen met [V] en [K] (= [K] = medeverdachte [Sa]) het valse paspoort en rijbewijs opgehaald bij verdachte. [D] had de naam en het telefoonnummer van verdachte van [S] gekregen. Ook heeft verdachte contact gehad met [S] in Griekenland. Medeverdachte

[V] heeft verklaard dat zij heeft geholpen en dat zij met haar moeder naar Den Haag ging om foto’s naar verdachte te brengen.

Wat betreft de smokkel van ‘de vier’ zijn in opdracht van medeverdachte [Sa] valse paspoorten gemaakt door verdachte voor twee volwassenen en twee kinderen (De Vier). Uit de afgelegde verklaringen van medeverdachten [D] en [V] en uit diverse tapgesprekken kan afgeleid worden dat verdachte gezorgd heeft voor de vervalste paspoorten voor ‘de vier’.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie gesteld dat op basis van de bevindingen bij de doorzoeking, de diverse tapgesprekken en de verklaringen van medeverdachten wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd. Bij de doorzoeking zijn vervalste documenten en 695 valse dagkaarten aangetroffen. In tapgesprekken wordt gesproken over het opsturen van ‘iets en of de papieren morgen klaar zijn’. Verdachte heeft het vervalste paspoort voor [S] geregeld. Het vervalste paspoort is aangetroffen in de woning van medeverdachte [D].

5.1.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde enkel bewezen kan worden verklaard dat verdachte een paspoort heeft geleverd aan medeverdachte [D] ten behoeve van [S]. Het leveren van een vervalst paspoort aan [D] was een eenmalige vriendendienst van verdachte en [D] heeft hem betaald voor de kosten. Verdachte heeft ontkend dat hij meer handelingen heeft verricht. Hij heeft niet gezorgd voor een vervalst rijbewijs. Verdachte heeft ook betrokkenheid ontkend bij de smokkel van de vier personen. Dat verdachte meer zou hebben gedaan, berust enkel op de verklaringen van [D] en [V] die hun eigen aandeel willen verkleinen. Verdachte dient dan ook van deze onderdelen te worden vrijgesproken. Ook van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde dient verdachte volgens de raadsman te worden vrijgesproken. De bij verdachte aangetroffen documenten zijn aan hem afgegeven om te worden vertaald, als hulp voor het invullen van (werk)formulieren en aangiftes, dan wel als borg voor gekochte maar niet betaalde goederen in zijn winkel. Dat zou ook blijken uit verklaringen van getuigen. Verdachte heeft ontkend 695 valse OV-dagkaarten voorhanden te hebben gehad. In de periode voorafgaand aan het moment dat de kaarten in de winkel zijn aangetroffen, was verdachte ziek thuis en niet in de winkel aanwezig. Anderen beheerden in die periode de winkel voor verdachte.

5.2 De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.2.1 Ten aanzien van feit 3

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van het onder feit 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu op basis van de bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. In de winkel van verdachte zijn 695 valse OV-dagkaarten aangetroffen. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend en heeft verklaard dat hij in de periode dat de kaarten zijn aangetroffen als gevolg van een ongeluk een paar dagen in het ziekenhuis heeft gelegen en op doktersadvies aansluitend drie weken thuis moest blijven. Daardoor kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat hij weet heeft gehad van de aanwezigheid van de tenlastegelegde valse dagkaarten in zijn winkel. Op het moment van zijn arrestatie op

12 oktober 2010 was hij nog niet weer aan het werk. Anderen hebben blijkens zijn verklaring voor hem waargenomen in de winkel. Verdachte heeft verklaard niet te weten wat de herkomst is van de aangetroffen OV-dagkaarten en evenmin te weten dat de kaarten vals waren. De rechtbank is van oordeel dat nu uit de bewijsmiddelen niet zonder meer volgt dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van valse OV-dagkaarten in zijn winkel, het enkel aantreffen van de valse OV-dagkaarten in de winkel van verdachte onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen, zodat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

5.2.2 Ten aanzien van feit 1

Aanleiding

Op basis van bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid (RCIE) van de Regiopolitie Twente in januari en maart 2010 binnengekomen informatie inzake georganiseerde mensensmokkel is op 18 maart 2010 een opsporingsonderzoek onderzoek gestart. Op basis van dit onderzoek zijn op 12 oktober 2010 verdachte en medeverdachten buiten heterdaad aangehouden. Aansluitend aan de aanhoudingen hebben meerdere doorzoekingen plaatsgevonden.

Overwegingen van de rechtbank

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij samen met anderen of een ander, dan wel alleen [S] behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of de doorreis door in de tenlastelegging genoemde landen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat op basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de verklaring van medeverdachte [D] wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte samen met anderen behulpzaam is geweest bij de smokkel van [S] van Griekenland naar Italië door hem te voorzien van een vervalst reis-/identiteitsdocument.

Verdachte heeft volgens zijn verklaring [S] rond de jaarwisseling 2009-2010 in Koerdistan ontmoet. [S] heeft pasfoto’s aan verdachte meegegeven. [S] die zich ook wel [S], [S'], [S] en [S] laat noemen, heeft aan verdachte verteld dat hij naar zijn vriendin (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [D]) terugwilde, dat hij haar miste en dat hij naar Nederland wilde komen. Verdachte heeft, nadat hij na zijn terugkeer uit Koerdistan naar Nederland contact had gehad met [D] (de rechtbank begrijpt dat dit in 2010 is geweest), in Nederland gezorgd voor een paspoort voor [S]. Het paspoort heeft verdachte aan medeverdachte [D] gegeven, die naar Rijswijk was gekomen om het document op te halen. [D] is daarna met haar dochter, medeverdachte [V], en haar zoon naar Griekenland gereisd waar zij [S] heeft ontmoet. Zij heeft [S] de vervalste pas en een vervalst rijbewijs gegeven. Vanuit Griekenland zijn [D] en haar kinderen samen met [S] met de boot van Griekenland naar Italië gereisd, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van de vervalste pas.

Anders dan de verdediging is de rechtbank ook van oordeel dat verdachte [S] heeft voorzien van een vervalst rijbewijs. [D] heeft verklaard dat zij samen met [V] een vervalst paspoort en rijbewijs bij [verdachte] in Rijswijk heeft opgehaald. Ook heeft zij hem voor beide documenten betaald. Daarnaast zijn in de woning van [D] zowel het vervalste paspoort als het vervalste rijbewijs aangetroffen.

Uit het enkele feit dat verdachte behulpzaam is geweest bij het voorzien van [S] van valse documenten, valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat verdachte wist dat de toegang of doorreis van [S] wederrechtelijk was.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard hetgeen aan verdachte met betrekking tot de smokkel van vier personen (zakendossier de Vier) tenlastegelegd is. Het dossier biedt aanwijzingen dat verdachte heeft geholpen bij het verkrijgen van vervalste paspoorten voor vier personen, te weten twee volwassenen en twee kinderen. Niet duidelijk is echter geworden wie de vier personen zijn die gesmokkeld zouden zijn. Uit verschillende verklaringen en tapgesprekken zou kunnen worden afgeleid dat deze vier personen zich in Griekenland bevonden en dat er plannen waren deze vier vanuit Griekenland naar een ander land te brengen. Welk land dit zou zijn, is niet komen vast te staan. Hoe deze vier personen in Griekenland zijn gekomen en of zij daar een verblijfstitel hadden, blijkt evenmin uit het dossier. Voor het bestanddeel van de tenlastelegging dat deze vier personen daadwerkelijk Griekenland hebben verlaten en naar een ander, in de tenlastelegging genoemd land zijn overgebracht is geen bewijs. Evenmin is duidelijk geworden waar deze personen hebben verbleven en welke reisbewegingen zij hebben gemaakt. Daarmee bestaat onvoldoende bewijs dat verdachte of personen met wie hij nauw en bewust heeft samengewerkt de doorreis van deze personen hebben ondersteund. In dat verband wijst de rechtbank erop dat van veel tapgesprekken in het dossier niet zonder meer duidelijk is dat daarin wordt gesproken over activiteiten van mensensmokkel en, zo ja, op welke te smokkelen personen het gesprek dan betrekking heeft.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met anderen behulpzaam zijn bij de smokkel van [S]. Van het tenlastegelegde ten aanzien van ‘de vier’ zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

5.5.3 ten aanzien van feit 2

De rechtbank leest in de tenlastelegging in dat het gaat om een vervalst reisdocument en/of identiteitsbewijs en/of rijbewijs en/of verblijfsdocument. Gelet op de overige tekst van de tenlastelegging zal de officier van justitie bedoeld hebben dit ten laste te leggen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, voor zover dat ziet op het opzettelijk afleveren en voorhanden hebben van een Nederlands reisdocument en Nederlands rijbewijs, gelet op de verklaring van verdachte, de verklaring van medeverdachte [D], het proces-verbaal van de doorzoeking op het adres van [D] en het proces-verbaal van forensisch onderzoek. Hoewel verdachte heeft ontkend dat hij een vervalst rijbewijs heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad, is de rechtbank op basis van de verklaring van [D] dat zij bij verdachte een rijbewijs en een paspoort met de foto van haar vriend heeft opgehaald en dat zij voor beide documenten moest betalen van oordeel dat verdachte ook het vervalste rijbewijs heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad. Dit wordt ondersteund door het feit dat dat vervalste paspoort en rijbewijs samen zijn aangetroffen in de woning van [D].

Ten aanzien van het Irakese rijbewijs is de rechtbank van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte wist dat dit rijbewijs was vervalst, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het afleveren en het voorhanden hebben van een vervalst Nederlands reisdocument en rijbewijs, terwijl hij wist dat die documenten bestemd waren voor gebruik als waren zij echt en onvervalst.

5.3 De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 oktober 2010 in de gemeente

‘s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen een persoon behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door een lidstaat van de Europese Unie, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was, hierin bestaande dat verdachte tezamen met verdachtes mededaders

in de maand augustus 2010 een persoon, genaamd [S], heeft voorzien van een vervalst reis/identiteitsdocument;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot 1 september 2010 in de gemeente 's-Gravenhage een reisdocument en/of vervalst identiteitsbewijs en rijbewijs, - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -, te weten:

= een Nederlands reisdocument, voorzien van het nummer [XXXX], (beslagcode B.1.1.1.1), en

= een Nederlands rijbewijs, voorzien van het nummer [YYYY], (beslagcode

B.1.1.1.2),

opzettelijk heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware het echt en onvervalst, welke vervalsingen hierin bestonden dat:

- ten aanzien van het Nederlandse reisdocument de in het reisdocument aangebrachte houderpagina qua kleur, detaillering, en toegepast productie- en beveiligingstechnieken niet overeenkwam met de/een origineel door de autoriteiten aangebrachte houderpagina van dit model reisdocument, en

- ten aanzien van het Nederlandse rijbewijs de ondergrondbedrukking van dit rijbewijs niet overeen kwam met de ondergrondbedrukking van een origineel exemplaar.

Ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde merkt de rechtbank op dat zij in de bewezenverklaring inleest dat door de officier van justitie bedoeld is ten laste te leggen dat het gaat om een vervalst reisdocument.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 47, 197a en 225 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van mensensmokkel;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk afleveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1 De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte is samen met anderen behulpzaam geweest bij mensensmokkel en hij heeft documentfraude gepleegd. Verdachte is samen met anderen [S] behulpzaam geweest bij de wederrechtelijke inreis in en doorreis door Italië door te bemiddelen in het krijgen van een vervalst paspoort en rijbewijs. Hij heeft daarvoor pasfoto’s in bewaring aangenomen en hij heeft tegen betaling gezorgd dat een pas en rijbewijs werden vervalst. Het onder feit 1 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 197a Sr. Het belang van die strafbaarstelling is daarin gelegen dat op het grondgebied van een staat alleen mensen verblijven die daartoe gerechtigd zijn. Behulpzaam zijn bij mensensmokkel valt dan ook onder de categorie strafbare feiten die inbreuk maken op de rechtsorde en het vreemdelingenbeleid dat strekt tot het weren van ongewenst verkeer van illegale vreemdelingen. Door zijn handelen heeft verdachte dit ondermijnd. Dat verdachte naar zijn zeggen heeft gehandeld om humanitaire redenen doet daar niet aan af.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan documentfraude door een paspoort en een rijbewijs voorhanden te hebben gehad en af te leveren, wetende dat ze vervalst waren en dat deze vervalsingen zouden worden gebruikt als waren zij echt en onvervalst.

Door het gebruik van vervalste reis- en verblijfsdocumenten wordt inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat men in het algemeen in de juistheid van reis- en verblijfsdocumenten stelt.

Ook door het gebruikmaken van die vervalste documenten om daarmee personen op een illegale manier toegang of verblijf te verschaffen, worden landen in hun vreemdelingenbeleid gefrustreerd. De wetgever heeft op feiten als deze een hoog strafmaximum gesteld. Voor de feiten zijn geen landelijke oriëntatiepunten vastgesteld, zodat wat betreft de straftoemeting de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij uitspraken van diverse rechterlijke colleges in zaken als hier bewezenverklaard.

De rechtbank is van oordeel dat in het voordeel van verdachte mag strekken dat verdachte geen documentatie heeft. De rechtbank weegt ook mee dat verdachte lange tijd heeft moeten wachten op de afdoening van zijn strafzaak. De raadsman heeft aangevoerd dat het hier om een oude zaak gaat. Voor zover de raadsman daarmee een beroep heeft willen doen op de schending van de redelijke termijn, volgt de rechtbank de raadsman daarin. Verdachte is op 12 oktober 2010 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 18 januari 2011 is de zaak voor het eerst ter terechtzitting aangebracht en is het onderzoek ter terechtzitting geschorst tot

1 april 2011. Op 1 april 2011 is het onderzoek onderbroken tot de zitting van 7 april 2011 alwaar de rechtbank onderzoekswensen van de verdediging heeft toegestaan en de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen en het dossier in handen van de officier van justitie is gesteld ter completering van het dossier overeenkomstig de toegewezen onderzoekswensen. De rechter-commissaris heeft de getuigenverhoren op

29 juli 2011 afgerond. Twee getuigen zijn toen niet gehoord, omdat zij niet traceerbaar waren. De zaak is vervolgens op zitting aangebracht ter terechtzitting van 23 oktober 2012, alwaar bleek dat nog niet alle opdrachten waren uitgevoerd. De zaak is hierna vervolgens aangehouden voor een nadere regiezitting op 6 februari 2013. Op 14 februari 2013 heeft nog het getuigenverhoor van een medeverdachte als getuige in de zaken van verdachte en de overige medeverdachten plaatsgehad. Op 5 maart 2013 is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen en is de zaak inhoudelijk behandeld. Op 19 maart 2013 wijst de rechtbank vonnis.

Als uitgangpunt geldt dat het geding, behoudens bijzondere omstandigheden die een dergelijke lange duur rechtvaardigen, met een einduitspraak dient te zijn afgerond binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is gaan lopen. Waarom deze zaak eerst op 23 oktober 2012 opnieuw ter zitting is aangebracht en de te verrichten onderzoekshandelingen nog niet allemaal waren verricht, is de rechtbank niet duidelijk geworden. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gevolgde gang van zaken niet de langere duur van het geding verklaart en dat daarmee sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal met deze omstandigheid rekening houden bij de op te leggen straf, in die zin dat dit één van de redenen is dat de rechtbank niet kiest voor een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf die langer is dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte voor deze zaak honderdeenenzeventig dagen in voorarrest heeft gezeten en hij sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 7 april 2011 op vrije voeten is.

De rechtbank zal op grond van het hiervoor overwogene verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank ziet geen grond om, zoals door de officier van justitie is gevorderd, de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

8.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder verdachte zijn een Irakees rijbewijs en zeshonderdvijfennegentig valse trein(dag)kaarten in beslaggenomen. De officier van justitie heeft gevorderd deze goederen aan het verkeer te onttrekken. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen het gevorderde.

De rechtbank is van oordeel dat het Irakese rijbewijs en de zeshonderdvijfennegentig valse trein(dag)kaarten vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De goederen zijn bij het opsporingsonderzoek aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als waarvoor verdachte wordt veroordeeld. De rechtbank zal deze goederen dan ook onttrekken aan het verkeer.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 36c, 36d, 57 Sr.

10. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van mensensmokkel;

feit 2: opzettelijk afleveren en/of voorhanden hebben van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tweehonderdzeventig (270) dagen, waarvan negenennegentig (99) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen:

- 1 rijbewijs, Irakees, IBNnummer C.3.2.2.a;

- 695 treinkaarten / dagkaarten, vals, IBNnummer D.0.3.2.4;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. M.E. van Wees en

mr. D. Hardonk-Prins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2013.

Mr. Van Wees is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente van 15 februari 2011, bestaande uit 22 ordners en genaamd Castagnet onderzoek. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 maart 2013, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

Met mevrouw [D] heb ik geen persoonlijk contact. Door de zaak van [S] heb ik contact met haar gehad. Ik heb [S] leren kennen in Koerdistan. Dat was rond de jaarwisseling 2009-2010. Ik kwam hem tegen in de winkel van mijn neef.

Ik heb [D] een paspoort verstrekt.

Ik heb het gedaan, want het was een humanitaire zaak. Die man vroeg mij dat. Hij miste zijn vrouw en wilde naar Nederland komen. Ik heb hem wel geholpen. Ik wilde hem helpen.

Ik heb die vrouw geholpen en daarmee die man. Dat was de vrouw van [S]. Dat was

[D].

Desgevraagd zeg ik dat het correct is dat ik [S] heb geholpen aan een paspoort.

Ik heb een envelop aan [D] overhandigd en daarin zat een pas. Dat was de pas voor [S]. Zij kwam naar mij toe. Het was niet in mijn winkel. Zij was met een dochter.

Ik weet dat zijn foto op het paspoort zat. Het was een foto van [S].

2.

Het proces-verbaal van bevindingen van [X], brigadier van politie Twente, van

8 februari 2011, blz. 7005, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

[B], geboren op [1980] te [land], laat zich ook [S], [S], [S'], [S] en [S] noemen.

3.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 21 oktober 2010, blz. 7301, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

Een maand c.q. anderhalf maand na terugkomst uit Koerdistan heb ik [D] een keer gebeld. Dat was het eerste contact met haar.

4.

Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [D] op 12 oktober 2010,

blz. 3035, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

V = vraag

A = antwoord

(…)

A: Ik heb een vriend. Een Irakees. Die is uitgezet vanwege een vechtpartij. (…) Hij heeft een jaar in Irak gezeten en is toen naar Griekenland gegaan naar kennissen. Ik heb met mijn kinderen een ticket geboekt voor het vliegtuig en toen ben ik naar hem toe gegaan. (…)

Wij zijn daar 10 dagen geweest en toen zijn we met de boot naar Italië geweest. (…)

V: Je hebt dus een vriend. Hoe heet hij?

A: Dat is een Irakees. Hij heet [B]. Zijn bijnaam is [S].

V: Hoe lang ken je hem?

A: Ik ken hem zes jaar. (…) We hebben sinds drie jaar een relatie en willen graag samenwonen. Dat kan niet meer in Nederland, omdat hij is uitgezet.

(…)

V: Waar is hij nu?

A: Hij zit nu in Italië in Bari of zoiets. Hij zit daar in een asielzoekerscentrum en hij heeft daar alles opnieuw aangevraagd. (…)

5.

Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [D] op 13 oktober 2010,

blz. 3041, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

A: (…) Ik heb wel een paspoort en rijbewijs van mijn vriend, maar dat lag bij mij in de kast.

Ik had wel een vals paspoort en vals rijbewijs deze heb ik opgehaald in Rijswijk.

V: Van wie was dat paspoort?

A: Dat was van mijn vriend [S]. Die heeft dat zelf geregeld.

V: Je zegt dat je dat paspoort en rijbewijs in Rijswijk hebt opgehaald bij wie was dat?

A: Bij een jongen met krullen. Hij heet [verdachte].

V: Waar was dat?

A: In Rijswijk bij een Aldi. (…)

V: Met wie was je daar?

A: Ik was met [J] en met [K].

V: Wie is [K]?

A: Dat is een vriend van mijn vriend [S]. (…)

(…)

V: Wat heb je in Rijswijk opgehaald?

A: Een rijbewijs en een paspoort met de foto van mijn vriend erop.

V: Van wie moest je dat ophalen?

A: Van mijn vriend. Dan kon hij eerder bij mij komen. (…)

V: Was dat gratis?

A: Nee. (…)

(…)

A: Ik dacht 750 Euro, maar ik weet niet of dat voor allebei de documenten is of voor een van de twee.

(…)

V: Hoe wist je waar je moest zijn?

A: Ik heb van [S] het telefoonnummer gekregen van [verdachte]. (…)

V: Je hebt dus voor die tijd contact gehad met [verdachte]?

A: Dat klopt.

V: Was dat de eerste keer dat je [verdachte] zag?

A: Ja. Ik had hem nog nooit eerder gezien.

6.

Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [D] op 13 oktober 2010,

blz. 3044, 3045 en 3046, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

(…)

V: In je eerste verhoor heb je verklaard dat je samen met [S] in Griekenland bent geweest en dat hij nu in Italië zit. Hoe is [S] vanuit Griekenland in Italië gekomen?

A: Ja, dat was in augustus. Toen zijn we naar Griekenland geweest. Met [J], [L] en [S]. We zijn met de boot naar Italië gegaan.

V: Wie heeft de boottickets gehaald?

A: Ik en [J] hebben die gehaald.

V: Moest je daar reisdocumenten laten zien?

A: Ja.

V: Welke?

A: Die van mij, [J] en het valse paspoort van [S]. [L] staat bij mij in de pas.

V: Welke naam staat er op het valse paspoort?

A: [E] of zoiets ik weet het niet precies.

V: Wist je dat het vals was?

A: Ja.

V: Op welke manier is dat gegaan?

A: We wilden met de boot naar Italië. Je moet daarvoor eerst naar het politiebureau. Daarna kun je tickets halen. Dat heb ik gedaan. Daarvoor het ik ook het valse paspoort gebruikt. Van daaruit zijn we naar Italië gegaan. Wij zijn toen verder gegaan en [S] is in Italië gebleven.

V: Moest je bij het halen van de tickets ook je paspoort laten zien?

A: Ja, want er moet een naam op de tickets komen. Daarvoor heb ik de paspoorten gebruikt. Ik ben samen met [J] naar binnen gegaan. [S] is buiten gebleven. (…)

(…)

V: Waar hebben jullie overnacht in Italië?

A: In een hotel in een kamer.

V: Je hebt toen nog 2 dagen in een hotel in Italië gezeten?

A: Ja dat klopt, daarna ben ik met de kinderen weggegaan met de trein. Naar een andere plaats in Italië. (…) [S] is daar gebleven.

(…)

(…)

A: Hij is 14 augustus 2009 uitgezet naar Irak (…)

V: Weet jij dat het strafbaar is om valse dan wel vervalste reisdocumenten in je bezit te hebben?

A: Nee, want ik moest alles van [S] bij mij houden. [K] heeft het paspoort ook meegenomen en later heeft hij het weer teruggebracht. lk weet niet waarvoor hij het had, maar later liet hij het weer bij mij.

7.

Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [D] op 13 oktober 2010,

blz. 3051, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:

V: (…) Hoe goed ken jij [verdachte]?

A: Via [S]. [S] heeft hem in Irak ontmoet. Hij heeft [verdachte] foto's meegegeven voor het valse paspoort voor [S]. Die heeft dat allemaal geregeld. Dat heeft [S] mij gezegd.

8.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [Y], rechercheassistent regiopolitie Twente, van 8 februari 2011 met drie bijlagen, blz. 16400, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op 12 oktober 2010 werd bij [D], inbeslagneming verricht in het tegen haar ingestelde onderzoek. Hierbij werden in opdracht van de officier van justitie, mr. Y. Oosterhof, goederen in beslaggenomen en voor nader onderzoek ter beschikking gesteld van het Castagnetteam.

De goederen zijn voorzien van een beslagcode onder object B bij de verdachte [D]. Zie hiervoor de lijst aangetroffen goederen.

9.

Bijlage 1 bij het proces-verbaal van bevindingen van 8 februari 2011, genaamd lijst van in beslaggenomen voorwerpen ter plaatse, blz. 16404.

Moeder slaapkamer (1)

B.1.1.1.1. Paspoort [XX], dienstnummer 2226, 2e plank links – kast slaapkamer.

B.1.1.1.2. Rijbewijs + papieren in envelop, dienstnummer 2226, 2e plank links – kast slaapkamer.

10.

Het proces-verbaal forensisch technisch onderzoek vals document van 20 oktober 2010,

blz. 7412 en 7413, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende als verklaring van verbalisanten [A] en [B]:

Proces-verbaal relaterende een verklaring van valsheid naar aanleiding van een forensisch sporenonderzoek aan

- paspoort en rijbewijs op naam van [E] geboren op [1980] te [plaats].

Op dinsdag 12 oktober 2010, ontvingen wij, werkzaam als deskundige documentonderzoek van de afdeling vreemdelingenpolitie Twente, uit handen [X], brigadier van de vreemdelingenpolitie, twee documenten waarvan vermoed werd dat zij vals of vervalst waren, namelijk

(…)

Categorie omschrijving: Identiteitspapieren

Object: Paspoort

Kleur: Bordeaux rood

Land: Nederland

registratienummer: [XXXX]

op naam gesteld van: [E]

en

Categorie omschrijving: Identiteitspapieren

Object: Rijbewijs

Kleur: Rose

Land: Nederland

Registratienummer: [YYYY]

Op naam gesteld van: [E]

Bij het onderzoek naar de diverse echtheidskenmerken in het document zagen wij, onder andere, het navolgende.

Paspoort:

De thans aangebrachte houderpagina komt qua kleur, detaillering en toegepaste productie- en beveiligingstechnieken, niet overeen met een originele houderpagina van dit model.

Het paspoort is gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem door de gemeente Amersfoort in verband met aangifte van vermissing op 20-04-2010.

Rijbewijs:

De ondergrondbedrukking komt niet overeen met de ondergrondbedrukking van een

origineel exemplaar.

Conclusie

Het onderzoek wees uit dat het paspoort vervalst, en het rijbewijs vals was.