Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ5317

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
22-03-2013
Zaaknummer
12/1606
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1047, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft op goede gronden onder verwijzing naar het WMO-beleidsplan 2010-2011 kunnen beslissen dat de aanvraag van eiseres niet paste binnen zijn beleid om invulling te geven aan de begeleiding van degenen die sociale ondersteuning behoeven. Noch in de aanvraag, noch in het bezwaar- en beroepschrift heeft eiseres aangegeven of en in hoeverre haar activiteiten passen bij de in het beleidsplan geformuleerde uitgangspunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team bestuursrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummer: AWB 12/1606

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 22 januari 2013.

inzake

[Stichting], eiseres,

gevestigd te [vestigingsplaats], vertegenwoordigd door mr. D.S. Muller,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 maart 2012.

2. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor subsidie voor het uitvoeren van groepsbegeleiding afgewezen omdat de aanvraag niet past binnen het Wmo-beleid zoals vastgelegd in het Wmo-beleidsplan.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eer-der genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overi-ge door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 30 november 2012. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door [naam], bijgestaan door mr. Muller, advocaat te Bunscho-ten-Spakenburg. Verweerder is zonder voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.

3. Overwegingen

Feiten

1. Eiseres (hierna ook wel: [eiseres]) is in 2009 opgericht. Haar statutaire doel is, samengevat weer-gegeven, het leveren van dagverzorging en behandeling aan specifieke kwetsbare multiculturele groepen oude-ren van vijftig-plus met sociaal-economische achterstand die moeilijk het huis uitkomen wegens verminderde sociale, psychische en/of somatische gesteldheid, het ondersteunen van de zelfredzaamheid van deze ouderen en het ondersteunen en ontlasten van mantelzorgers. Eiseres heeft een overeenkomst met het Zorgkantoor Nijme-gen voor het leveren in natura van Begeleiding (Groep) en Behandeling aan degenen die daarvoor een indicatie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) hebben. Zij levert deze zorg kleinschalig en voornamelijk aan ouderen van Surinaamse afkomst. Ten gevolge van de overheveling van onderdelen van de functie Begeleiding van de AWBZ naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) op 1 januari 2009 op grond van de zogenaamde Pakketmaatregel (Besluit van 1 december 2008, Stb. 2008, 533) heeft een aantal van haar cliënten de AWBZ-indicatie verloren. Haar wens is deze zorg te blijven leveren, maar dan vanuit de Wmo.

2. Eiseres heeft daarom op 31 januari 2011 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een subsidie uit de Wmo-middelen om zorg voor multiculturele zorgbehoevenden te kunnen aanbieden. Zij heeft voor een verdere toelichting verwezen naar haar ondernemersplan van 27 juli 2010.

Stellingen van partijen

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres op 29 augustus 2011 afgewezen. Het daartegen ingediende bezwaarschrift heeft hij in het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hij heeft dat als volgt gemotiveerd:

“Het is ons gebleken dat de dagopvang die u biedt niet voldoet aan de hierboven weergegeven uitgangspunten voor alternatieven voor de AWBZ-pakketmaatregel. Wij beoordelen de door [eiseres] aangeboden dagopvang als een traditionele vorm van dagopvang zoals die al onder de AWBZ wordt aangeboden. Er is geen sprake van een alternatieve vorm van dagopvang die voldoet aan de hierboven genoemde uitgangspunten. Op basis van deze uitgangspunten financiert de gemeente reeds een aantal projecten. Afhankelijk van de indicering door het CIZ kunnen de cliënten terecht bij een instelling voor AWBZ-dagopvang of bij één van de nieuwe projecten.”

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit de aanvraag getoetst aan het WMO-beleidsplan 2010-2011. De relevante passage uit het beleidsplan luidt als volgt:

“Uitgangspunten voor oplossingsrichtingen AWBZ-pakketmaatregel

Samen met instellingen en belangenorganisaties organiseren we alternatieven ter vervanging van de begeleiding die vanuit de AWBZ werd geboden met dien verstande dat we slechts zeer beperkt gecompenseerd worden voor deze landelijke bezuinigingsmaatregel. Dit betekent dat we niet overal een antwoord op hebben en dat de maatregel hoe dan ook pijn gaat doen. Tot het moment dat de alternatieven zijn gerealiseerd, lossen we ter overbrugging de meest urgente knelpunten op.

Er zullen keuzes moeten worden gemaakt, waarbij de volgende uitgangspunten gelden:

- Het alternatief moet leiden tot substantiële kostenreductie ten opzichte van (voormalige) AWBZ-voorzieningen.

- Er dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van bestaande voorzieningen.

- De volgende 3-trapsraket wordt gehanteerd: eerst benutten/versterking eigen netwerk; bezien mogelijkheden vrijwillige inzet; collectieve activiteiten/algemene voorzieningen.

- Samenwerking tussen organisaties gericht op geïntegreerde oplossingen, zodat er synergie ontstaat; sluiten van nieuwe allianties tussen wonen, welzijn en zorg.

- Aansluiting bij de ontwikkeling van woonservicegebieden en voorzieningen die in dit kader wordt getroffen.

- Samenwerking met vrijwilligersorganisaties (aansluiting informele-formele zorg).

- Goede aansluiting tussen Wmo en AWBZ en vice versa.

- Kijken naar mogelijkheden van mensen in plaats van naar beperkingen/empowerment.

- Zoveel mogelijk wijkgericht werken, maar niet uitsluitend.

- Uitgaan van de integratiegedachte: samenbrengen van mensen met en zonder beperkingen op verschillende niveaus (ruimte bieden als 'lotgenoten' onder elkaar activiteiten willen ondernemen, maar dan wel bij voorkeur in een algemene voorziening).

- Mogelijkheden tot samenwerking met het bedrijfsleven zijn onderzocht, bijv. de horeca.”

5. In beroep heeft eiseres als inleiding op haar beroepsgronden aangevoerd dat ouderen van Surinaamse afkomst moeilijk terecht kunnen bij de Stichting Welzijn Ouderen Nijmegen (SWON), een door verweerder als algemene voorziening onder de Wmo gesubsidieerde instelling. Daarom is een afzonderlijk zorgaanbod door eiseres noodzakelijk. Voor eiseres is het om het even of zij rechtstreeks subsidie krijgt van verweerder of dat cliënten een persoonsgebonden budget (pgb) van verweerder ontvangen, waarmee zij zorg kunnen inkopen bij haar. Zij heeft een voorkeur voor een subsidie, omdat veel ouderen moeilijk kunnen omgaan met de verant-woordingsplicht die verbonden is aan een pgb.

6. Als beroepsgronden voert eiseres aan dat verweerder, die van mening was dat enkele gegevens ontbra-ken bij de aanvraag, haar in de gelegenheid had moeten stellen deze gegevens alsnog aan te leveren. Het gaat om de startdatum van de activiteiten en het gewenste subsidiebedrag. Daarmee heeft verweerder de artikelen 3:2 en 4:5 van de Awb geschonden. Verder voldoet haar aanvraag wel aan de criteria in de beleidsnota. Haar aan-vraag is immers gelijkluidend aan de aanvraag die is ingediend bij het Zorgkantoor en die wel is gehonoreerd.

Wettelijk kader

7. De artikelen 2, 3, 4 en 10 van de Nijmeegse Kaderverordening Subsidieverstrekking (2011) luiden als volgt:

“Artikel 2 Reikwijdte

De verordening is van toepassing op alle subsidieverlening en -vaststelling door de gemeente Nijmegen.

Artikel 3 Bevoegd orgaan

1. Het college is het bevoegde bestuursorgaan voor de toepassing van deze verordening en van ti-tel 4.2. van de Algemene wet bestuursrecht.

2. In afwijking op het eerste lid is de raad het bevoegde bestuursorgaan voor de toepassing van deze verordening en van artikel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht in de gevallen genoemd in arti-kel 7.1 en in bijlage I bij deze verordening.

Artikel 4 Grondslag subsidieverstrekking

1. Het bevoegde bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie voor activiteiten op het terrein van zorg en welzijn, onderwijs, sport, cultuur, woonklimaat, leefklimaat, werk en economie, bereikbaarheid en mobiliteit, beheer van de openbare ruimte, milieu, werkloosheidsbestrijding, inburgering, integratie, emancipatie, bijstand, veiligheid, stadspromotie, internationale samenwerking en algemene bestuurlijke aangelegenheden.

2. De verstrekking van subsidies op de terreinen genoemd in het eerste lid vindt in beginsel plaats binnen het door de raad vastgestelde kader van de programma’s in de stadsbegroting en binnen het ka-der van de door de raad vastgestelde kadernotitie subsidies en de kadernota’s beleid.

3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de in het eerste lid genoemde activiteiten in uitvoeringsregelingen.

(…)

Artikel 10 Weigerings- en intrekkingsgronden

1. De subsidie wordt naast de in titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde gevallen in ieder geval geweigerd indien gegronde redenen bestaan aan te nemen dat:

(...)

d. subsidieverstrekking anderszins niet past binnen het beleid van de gemeente.

(...)

Beoordeling

8. Verweerder heeft op goede gronden onder verwijzing naar het WMO-beleidsplan 2010-2011 kunnen beslissen dat de aanvraag van eiseres niet paste binnen zijn beleid om invulling te geven aan de begeleiding van degenen die sociale ondersteuning behoeven. In het beleidsplan is vermeld dat de overheveling van begeleiding naar de Wmo de gemeente stelt voor een substantiële bezuinigingsopgave. De overheveling gaat daardoor pijn doen en verweerder zal in de overbruggingsfase de meest urgente knelpunten oplossen. In de nota wordt een aantal uitgangspunten genoemd voor de te maken keuzes. Deze zijn hierboven onder 4 weergegeven. Noch in de aanvraag, noch in het bezwaar- en beroepschrift heeft eiseres aangegeven of en in hoeverre haar activiteiten passen bij deze uitgangspunten. Zij heeft in het bijzonder niet weersproken de kwalificatie van verweerder dat het om traditionele dagopvang gaat. Het had echter op haar weg gelegen aan te geven dat haar werkwijze aan-sloot bij het nieuwe beleid dat verweerder noodgedwongen door de bezuinigingen van de Rijksoverheid heeft vastgesteld. De omstandigheid dat het Zorgkantoor wel een overeenkomst met eiseres heeft gesloten voor de levering van zorg onder de AWBZ impliceert niet dat verweerder gebonden is dan ook subsidie aan eiseres te verlenen.

9. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat artikel 4:5 van de Awb niet is geschonden, omdat zij de aan-vraag van eiseres niet buiten behandeling heeft gelaten. De klacht van eiseres dat verweerder haar in de gele-genheid had moeten stellen om haar aanvraag aan te vullen, treft ook geen doel. Ook al zou eiseres de startda-tum van haar activiteiten en het gewenste subsidiebedrag hebben opgegeven aan verweerder, dan nog zou de aanvraag zijn afgewezen. Onbekendheid met de startdatum en het gewenste bedrag is niet van invloed geweest op de beslissing. Verweerder heeft daarom op goede gronden kunnen beslissen deze gegevens niet bij eiseres op te vragen.

10. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het be-streden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

11. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

12. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.J. de Vries, voorzitter, en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg en mr. T.A. Willems-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 22 januari 2013.