Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ4386

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
18-03-2013
Datum publicatie
18-03-2013
Zaaknummer
05/900324-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 5 jaar voor poging tot doodslag en verkrachting van een prostituee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/900427-12

Data zittingen : 16 juli 2012, 8 oktober 2012, 17 december 2012 en 4 maart 2013

Datum uitspraak : 18 maart 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de militaire kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in MPC te Stroe.

raadsman : mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 februari 2012, te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] meerdere malen met kracht in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd en/of op/tegen het

lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 12 februari 2012, te Nijmegen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en/of een zware hersenschudding en/of een gescheurde wenkbrauw en/of blauwe ogen en/of een of meer kneuzingen in het gelaat), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met kracht meerdere malen, althans een maal in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te

trappen;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 12 februari 2012, te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer] een of meerdere malen in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam, te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 12 februari 2012, te Nijmegen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer], te weten het binnendringen met de penis en/of vinger(s) in de anus van die [slachtoffer], welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin heeft/hebben bestaan dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer] in/tegen het gezicht, althans tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam heeft gestompt en/of

geslagen en/of geschopt en/of getrapt;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 4 maart 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort.

Als benadeelde partij heeft mevr. [slachtoffer] zich schriftelijk in het geding gevoegd.

Namens haar is haar advocaat mr. S.F. Nijhuis ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie, mr. S.Z. Wiarda, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 12 februari 2012 te Nijmegen een prostituee, genaamd [slachtoffer] (verder [slachtoffer]), bezocht en heeft haar meerdere malen in/tegen het gezicht gestompt en/of geslagen.2

Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] een gezwollen blauw rechteroog, diverse kneuzingen in haar gelaat, een gebroken neus, een zware hersenschudding, gezwollen lippen, diverse wonden in haar mond, vier hechtwonden in haar linkerwenkbrauw en gering uitwendig bloedverlies opgelopen en is zij enige tijd bewusteloos geweest.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde feit. De officier van justitie verwijst voor het bewijs naar, kort gezegd, de aangifte van [slachtoffer], de verklaring van verdachte dat hij doorgedraaid is, agressief was, zichzelf niet in de hand had en dat hij met beide vuisten heeft geslagen, het forensisch onderzoek van de politie en de rapportage van het letselonderzoek van drs. [naam 1].

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een poging tot doodslag, nu niet bewezen kan worden dat verdachte erop uit was om [slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte is zelf gestopt met het slaan van [slachtoffer]. Indien verdachte (voorwaardelijk) opzet zou hebben gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven, zou het geweld langer moeten hebben voortgeduurd en meer en ernstiger letsel hebben moeten veroorzaakt. Daarnaast kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat het letsel aan het hoofd van [slachtoffer] is toegebracht door schoppen en/of trappen door verdachte. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Volgens de verdediging kan de onder 1 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling wel bewezen worden.

Beoordeling door de militaire kamer

Uit de rapportage letselonderzoek blijkt dat in korte tijd sprake is geweest van een herhaalde inwerking van een stompe kracht op het gelaat van het slachtoffer, waarbij de forensisch arts, drs. [naam 1], in de samenvatting van het rapport meerdere plekken van impact op het gezicht van [slachtoffer] concreet benoemt; verwezen wordt naar letsel dat het gevolg is van inwerking van een stompe kracht op het rechter oog, het linker oog, de rechter kaakhoek, de plaats in het gezicht voor de rechter oorlel, de mond en de neus van [slachtoffer]. Daarnaast wijzen de periode van bewusteloosheid en de geheugenstoornissen van het slachtoffer op een hersenschudding, aldus de forensisch arts4.

Op basis van de aard, de plaats en de veelheid van het letsel van het slachtoffer, de bloedspatten die zijn aangetroffen op de muur van de kamer waarin verdachte en het slachtoffer zich bevonden5, de verklaring van verdachte dat hij met gebalde vuisten op [slachtoffer] zat, dat haar hoofd vol met bloed zat en dat hij pijn had aan zijn vuisten6, de verklaring van [slachtoffer] dat ze op een bepaald moment tijdens de seks met verdachte haar bewustzijn heeft verloren7 stelt de militaire kamer vast dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] meermalen met kracht heeft geslagen en/of gestompt in/tegen het gezicht.

De vraag is vervolgens of het meermalen met kracht slaan en/of stompen in/tegen het gezicht de aanmerkelijke kans op het overlijden geeft en of verdachte deze kans willens en wetens heeft aanvaard.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, LJN AE9049, NJ 2003/552 ).

De militaire kamer is van oordeel dat indien meerdere malen met kracht met gebalde vuist(en) wordt geslagen en/of gestompt op een kwetsbare plek als het gezicht de aanmerkelijke kans bestaat dat het slachtoffer hierdoor komt te overlijden. Daarbij wordt opgemerkt dat met iedere extra stomp in het gezicht die aanmerkelijke kans groter wordt. Het is juist gezien het grote aantal harde stompen/slagen, dat moet worden aangenomen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer]. Dit is temeer het geval nu uit de aard, plaats en veelheid van het letsel zoals hiervoor aangehaald en de grote hoeveelheid door verdachte genuttigde alcoholhoudende drank8 blijkt dat verdachte, die een getrainde militair was, ongeremd is geweest in zijn handelen.

Daarnaast heeft verdachte zelf verklaard dat hij, toen hij de kamer van [slachtoffer] verliet, heeft gecontroleerd of ze nog ademde9. Verdachte was dus bang dat het slachtoffer niet meer in leven was, hetgeen maakt dat het overlijden als gevolg van het met kracht in/tegen haar gezicht slaan en/of stompen op dat moment kennelijk ook voor hemzelf een reële mogelijkheid was.

Geconcludeerd kan dan ook worden dat een aanmerkelijke kans heeft bestaan op het overlijden van [slachtoffer] ten gevolge van het met kracht slaan en/of stompen met gebalde vuist(en) in/tegen haar gezicht.

Het handelen van verdachte, te weten het meerdere malen met gebalde vuist(en) slaan in/tegen het gezicht terwijl hij vlak bij of op [slachtoffer] zat, dichtbij haar hoofd en een flinke hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd waardoor hij ongeremd was, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op een bepaald gevolg, te weten de kans dat [slachtoffer] als gevolg daarvan zou overlijden, dat het niet anders kan dan dat verdachte zich daarvan bewust moet zijn geweest en tenminste de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] willens en wetens heeft aanvaard. Bovendien heeft verdachte op een bepaald moment de kamer van [slachtoffer] verlaten10 en daarmee [slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten. Hiermee heeft verdachte opnieuw de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] aan haar (ernstige) verwondingen zou komen te overlijden.

Dat verdachte op een bepaald moment zelf is gestopt met het slaan en/of stompen en dat hij voordat hij wegging heeft gecontroleerd of [slachtoffer] op dat moment nog leefde - omdat hij haar hoorde ademen - maakt niet dat het (voorwaardelijk) opzet om [slachtoffer] van het leven te beroven bij verdachte ontbrak, temeer niet nu hij haar vervolgens zonder hulp te bieden of hulp te halen heeft achtergelaten. Het op enig moment stoppen en controleren of ze ademde zou voorts mogelijk kunnen duiden op een moment van inkeer maar zegt voorts niets over wat het opzet van verdachte was ten tijde van het slaan en/of stompen van [slachtoffer]. Het verweer van de verdediging dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven wordt dan ook verworpen.

De militaire kamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat vast staat dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] mogelijk om het leven zou komen door haar opzettelijk meerdere malen met kracht in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen. De militaire kamer acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft getracht [slachtoffer] van het leven te beroven.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 12 februari 2012 te Nijmegen een prostituee, genaamd [slachtoffer], bezocht11 en heeft met haar afgesproken dat zij tegen betaling van € 50,- hem zou pijpen en dat zij vaginale seks (doggystyle) zouden hebben12. [slachtoffer] heeft verdachte eerst oraal bevredigd en daarna hebben zij vaginale geslachtsgemeenschap gehad.13 Verdachte heeft [slachtoffer] vervolgens meerdere malen in/tegen het gezicht geslagen en/of gestompt.14 Tijdens de seks is een condoom gebruikt.15

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit. Voor het bewijs verwijst de officier van justitie naar de brief van drs. [naam 1] van 15 februari 2012, het NFI-rapport van 16 mei 2012 van dr. [naam 2] en de toelichting van dr. [naam 2] daarop ter terechtzitting van 4 maart 2013, en de verklaring van [slachtoffer] dat zij na een klap op haar hoofd bewusteloos raakte en bijkwam doordat er sprake was van anale seks.

Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging is het enige bewijsmiddel voor dit feit de verklaring van [slachtoffer]. Verdachte ontkent het feit en er zijn verder geen technische sporen die wijzen op een anale verkrachting. De verdediging plaatst daarnaast vraagtekens bij de verklaring van [slachtoffer] op dit punt. [slachtoffer] verklaart eerst dat ze aan de verkrachting 'flitsherinneringen' bewaart, maar later ook dat ze na het pijpen niets meer weet. Pas na een zeer leidende vraag van de verbalisant verklaart [slachtoffer] dat er anale seks heeft plaatsgevonden tijdens het slaan. Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] verklaard dat ze zich het een en ander wel duidelijk kan herinneren en dat ze even bijkwam tijdens de anale seks. Onduidelijk is verder in welke volgorde de handelingen plaats zouden hebben gevonden. Noch uit de verklaring van aangeefster en evenmin uit die van verdachte kan worden vastgesteld wat er precies in welke volgorde heeft plaatsgevonden. Nu de communicatie met [slachtoffer] aanvankelijk erg moeizaam verliep, de verbalisanten die als eersten na het incident bij [slachtoffer] waren elkaar tegenspreken en er onvoldoende steunbewijs is, kan dit feit niet wettig en overtuigend bewezen worden, aldus de verdediging.

Beoordeling door de militaire kamer

[slachtoffer] heeft in haar eerste verklaring op een vraag van een van de verbalisanten of elders op haar lichaam geweld was toegebracht direct kenbaar gemaakt dat zij pijn van achteren had en dat ze anaal was verkracht.16 [slachtoffer] heeft dit tegen verbalisant [verbalisant 1], die met haar communiceerde, gezegd17 en verbalisant [verbalisant 2] heeft dit gehoord, maar weet bij de rechter-commissaris niet meer precies wat de exacte woorden waren.18 De stelling van de verdediging dat de verbalisanten elkaar op dit punt tegenspreken kan dan ook niet gevolgd worden.

Ook in haar aangifte bij de politie heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte achter haar zat en dat zij seks hadden (vaginaal, doggystyle), dat verdachte [slachtoffer] vervolgens heeft geslagen en anaal heeft verkracht en dat zij veel pijn had, omdat zij normaal niet aan anale seks doet.19 Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] opnieuw verklaard dat zij eerst doggystyle seks (vaginaal) had met verdachte, dat zij vervolgens zwaar mishandeld is door verdachte, waardoor zij haar bewustzijn is verloren, dat ze vervolgens even is bijgekomen en toen voelde dat verdachte anale seks met haar had.

Tevens heeft [slachtoffer] verklaard dat zij normaal nooit aan anale seks doet en dat zij bijkwam door de anale seks.20

[slachtoffer] is onderzocht door een forensisch arts en er zijn bij haar anus in- en uitwendig 'swabs' afgenomen.

Uit de brief van [naam 1], forensisch arts, blijkt weliswaar dat anaal of in de anale regio geen uitwendig letsel bij [slachtoffer] zichtbaar was, maar tegelijkertijd verklaart drs. [naam 1] dat bij anale verkrachting meestal geen letsel wordt gezien, omdat de anus zich na korte tijd reflexmatig ontspant wanneer de billen iets langer gespreid worden gehouden.21

Verder concludeert dr. [naam 2], wetenschapper bij het NFI, na onderzoek van specifieke bacteriesoorten en -combinaties in de bemonstering van het condoom en de tissue waarin het condoom was gewikkeld dat het 'waarschijnlijker' is dat het condoom is gebruikt bij zowel vaginaal als anaal geslachtsverkeer dan dat het condoom alleen is gebruikt bij vaginaal geslachtsverkeer en niet bij anaal geslachtsverkeer, en dat het eveneens 'waarschijnlijker' is dat het condoom is gebruikt bij zowel vaginaal als anaal geslachtsverkeer dan dat het condoom alleen is gebruikt bij anaal geslachtsverkeer en niet bij vaginaal geslachtsverkeer.22 Ter terechtzitting heeft dr. [naam 2] toegelicht dat de kwalificatie 'waarschijnlijker' betekent dat die kans 'enige honderden malen' groter is23.

Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] anaal heeft verkracht, omdat anale seks niet bij hem zou passen.

De militaire kamer stelt vast dat op het moment dat verdachte met [slachtoffer] seks had, hij (om niet duidelijk geworden redenen) agressief werd en dat er geen enkele andere verklaring is gegeven of gebleken voor de pijn in de anus die [slachtoffer] voelde nadat zij was bijgekomen, dan dat zij anaal seks heeft gehad.

De militaire kamer acht de verklaringen van [slachtoffer], die voldoende duidelijk, geloofwaardig en consistent zijn, op dit punt dan ook doorslaggevend. Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat hij (met uitzondering van het stompen/slaan) niet meer weet wat er is gebeurd. Zijn verklaring dat hij geen anale seks met [slachtoffer] heeft gehad omdat dat niet bij hem past, strookt overigens ook niet met zijn verklaring dat hij in het verleden wel eens eerder anale seks heeft gehad en dat hij op internet wel eens kijkt naar filmpjes waarin personen anale seks hebben.24

Gelet op de verklaringen van [slachtoffer], die voor wat betreft het geweld door verdachte en hetgeen daaraan voorafging worden ondersteund door geneeskundige rapporten en de verklaringen van verdachte25, en die voor wat betreft de anale verkrachting worden ondersteund door de brief van forensisch arts [naam 1] en het rapport van deskundige dr. [naam 2] van het NFI, alsmede de gegeven toelichting daarop ter terechtzitting door die laatste deskundige, acht de militaire kamer wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt in/tegen het gezicht alsook dat hij haar anaal heeft verkracht.

Dat geen bevochtigingsgel en/of stoffen van een condoom zijn aangetroffen op de anaalbemonsteringen uit de zedenset, maakt het voorgaande niet anders. Door de deskundige ing. [naam 6] is in haar rapport26 immers vermeld dat de swabs van zichzelf een grote hoeveelheid stoffen bevatten die het aantonen van stoffen van een condoom en/of bevochtingsgel moeilijk maken. Hierdoor kan het volgens de deskundige zo zijn dat die stoffen - zeker op sporenniveau - toch aanwezig zijn. Het verweer van de verdediging op dit punt treft dan ook geen doel.

Conclusie

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 12 februari 2012, te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] meerdere malen met kracht in/tegen het gezicht, heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 12 februari 2012, te Nijmegen, door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het binnendringen met de penis in de anus van die [slachtoffer], welk geweld hierin heeft bestaan dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer] in/tegen het gezicht, heeft gestompt en/of geslagen

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot doodslag

Ten aanzien van de feit 2:

Verkrachting

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar eis rekening gehouden met de ernst van de feiten, de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld voor een mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk dient te zijn aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een werkstraf. Aan het voorwaardelijke strafdeel zouden de voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering (meldingsgebod, behandelverplichting en alcoholverbod) kunnen worden verbonden.

Beoordeling door de militaire kamer

Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

* het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 28 februari 2013; en

* een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland en een beknopte adviesrapportage van Reclassering Nederland, beide gedateerd 20 februari 2013, betreffende verdachte;

* een multidisciplinair rapport van drs. [naam 3], psycholoog, gedateerd 13 december 2012 en van dr. [naam 4], psychiater, gedateerd 2 augustus 2012.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte, een getrainde militair, heeft toen hij op een vroege zondagochtend een prostituee bezocht en seks met haar had, haar zonder enige aanleiding daartoe met gebalde vuisten meerdere malen met kracht in/tegen het gezicht geslagen en/of gestompt en haar anaal verkracht. Vervolgens heeft hij haar bewusteloos achtergelaten. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten onder invloed van een flinke hoeveelheid alcoholhoudende drank.

Het slachtoffer heeft als gevolg van dit voorval diverse kneuzingen in haar gezicht, een gebroken neus, een zware hersenschudding, diverse wonden in haar mond, vier hechtwonden in haar linkerwenkbrauw en gering uitwendig bloedverlies opgelopen en is enige tijd bewusteloos geweest. Een half jaar na het incident had het slachtoffer nog steeds pijn aan haar hoofd en verder heeft zij enkele littekens in haar gezicht aan het voorval overgehouden.

Daarnaast is zij, zoals haar raadsvrouw ter terechtzitting heeft toegelicht, als gevolg van het bewezenverklaarde zwaar getraumatiseerd geraakt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten bij slachtoffers in het bijzonder maar ook in de samenleving in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaken.

Psychiater [naam 4] heeft geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde lijdende was aan een ziekelijke stoornis in de zin van een posttraumatische stressstoornis, alcoholafhankelijkheid en afhankelijkheid van sedativum, hypnoticum of anxiolyticum in remissie. Hij acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Psycholoog [naam 3] deelt de conclusies van psychiater [naam 4] en heeft aangegeven dat bij verdachte tevens sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van sterk narcistische en antisociale trekken in de persoonlijkheid.

De militaire kamer sluit zich aan bij de conclusie van de psychiater en psycholoog en houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is ten aanzien van het bewezenverklaarde. Verder houdt de militaire kamer er rekening mee dat verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek en spijt heeft betuigd.

Aan de andere kant laat de militaire kamer in zijn nadeel meewegen dat verdachte eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld en ten tijde van het plegen van de feiten zelfs nog in een proeftijd liep en dat hij zich niet zelf bij de politie heeft gemeld.

De militaire kamer acht de feiten, waarbij forse schade is toegebracht aan een kwetsbaar slachtoffer, en waardoor ook haar (werk)omgeving zeer is geschokt, ernstig. Alles afwegende oordeelt de militaire kamer dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar passend en geboden is.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe te wijzen tot het bedrag van € 5.000,-, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het standpunt van de militaire kamer.

Beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer zal de civiele vordering van [slachtoffer] tot een bedrag van € 7.000,- aan immateriële schade toewijzen. De militaire kamer zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige deel van de vordering ter zake van vergoeding van immateriële schade. Voor toewijzing van een hoger bedrag is nadere bewijslevering nodig. Dit zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding betekenen.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de militaire kamer tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 12 februari 2012.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 45, 57, 242 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], te betalen € 7.000,- (zevenduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 7.000,- (zevenduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 70 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. E. de Boer (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen (rechter) en kolonel mr. J. Wiersma (militair lid), in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 maart 2013.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Zuid, team grootschalige opsporing, opgemaakt proces-verbaal, dossiernummer PL084A 2012015092, gesloten op 12 juni 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 maart 2013, het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 23 april 2012, pag. 142, 143, 145, 146 en 150 en het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 14 februari 2012, pag. 233, 234 en 235.

3 Een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] opgesteld door [naam 5] (arts) van 12 februari 2012, pag. 177, een rapportage van het letselonderzoek betreffende [slachtoffer] opgesteld door drs. [naam 1], forensisch arts knmg GGD Regio Nijmegen, van 17 februari 2012, pag. 300 t/m 301a, en de rechterlijke waarneming van de zich bij die rapportage bevindende foto's van [slachtoffer], pag. 302 t/m 320.

4 Een rapportage van het letselonderzoek betreffende [slachtoffer] opgesteld door drs. [naam 1], forensisch arts knmg GGD Regio Nijmegen, van 17 februari 2012, pag. 301a.

5 De rechterlijke waarneming van de foto's opgenomen als bijlage 2 bij het proces-verbaal (proces-verbaal onderzoek PD, Nieuwe Markt Nijmegen), pag. 79 t/m 89.

6 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 maart 2013.

7 Proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2012 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], pag. 166.

8 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 maart 2013.

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 23 april 2012, pag. 145.

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 23 april 2012, pag. 143 en 145.

11 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 23 april 2012, pag. 143, en het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 14 februari 2012, pag. 233.

12 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 14 februari 2012, pag. 233 en het proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2012 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], pag. 216.

13 Het proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2012 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], pag. 216.

14 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 maart 2013, het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 23 april 2012, pag. 142, 143, 145, 146 en 150, het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 14 februari 2012, pag. 235 en een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] opgesteld door [naam 5] (arts) van 12 februari 2012, pag. 177 en een rapportage van het letselonderzoek betreffende [slachtoffer] opgesteld door drs. [naam 1], forensisch arts knmg GGD Regio Nijmegen, van 17 februari 2012, pag. 300 t/m 301a,

15 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 14 februari 2012, pag. 234.

16 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 12 februari 2012, pag. 166

17 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [verbalisant 1] (bij de rechter-commissaris) van 12 februari 2013, pag. 2.

18 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [verbalisant 2] (bij de rechter-commissaris) van 27 februari 2013, pag. 1.

19 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 14 februari 2012, pag. 235.

20 Proces-verbaal van verhoor van getuige (bij rechter-commissaris) van [slachtoffer] van 13 september 2012, pag. 2, 3, 4 en 5.

21 Een brief van [naam 1], forensisch arts knmg, van 15 februari 2012 betreffende [slachtoffer], pag. 246.

22 Een rapport van het NFI (Onderzoek naar fecaal materiaal naar aanleiding van een ernstige mishandeling en verkrachting op 12 februari 2012) opgemaakt door dr. [naam 2] van 16 mei 2012, pag. 531.

23 Verklaring van dr. [naam 2] als deskundige, afgelegd ter terechtzitting van 11 maart 2013

24 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 23 april 2012, pag. 147 en 148.

25 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 maart 2013, het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 23 april 2012, pag. 142, 143, 145, 146 en 150, het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 14 februari 2012, pag. 235 en een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] opgesteld door [naam 5] (arts) van 12 februari 2012, pag. 177 en een rapportage van het letselonderzoek betreffende [slachtoffer] opgesteld door drs. [naam 1], forensisch arts knmg GGD Regio Nijmegen, van 17 februari 2012, pag. 300 t/m 301a.

26 Het rapport van het NFI (Onderzoek naar stoffen van condoom en bevochtingsgel op bemonsteringen) van 16 mei 2012 opgesteld door ing. [naam 6], pag. 525.