Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2304

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
07-02-2013
Datum publicatie
26-02-2013
Zaaknummer
07.650284-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafmaatmotivering. Hennepteelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Sector Strafrecht - meervoudige kamer

Parketnummer: 07.650284-11 (P)

Uitspraak: 7 februari 2013

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[Verdachte],

geboren op [datum en plaats],

GBA-adres: [adres en plaat].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 24 januari 2013 te Zwolle, waarbij de verdachte niet is verschenen. De raadsman van verdachte,

mr. U. Yildirim, is wel verschenen, maar was niet door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen. Als officier van justitie was aanwezig mr. R. Verheul.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2010 tot en met 16 augustus 2011 te Oudleusen, althans in de gemeente Dalfsen, (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1600 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2010 tot en met 16 augustus 2011 te Oudleusen, althans in de gemeente Dalfsen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/electriciteit, in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf]., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft

en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel.

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2010 tot en met 16 augustus 2011 te Oudleusen, althans in de gemeente Dalfsen, opzettelijk een elektriciteitswerk, te weten een zogenaamde meterkast voor de stroomvoorziening in een woning (gelegen aan de [adres]) heeft vernield en/of heeft beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt en/of een stoornis in de gang en/of in de werking van die meterkast en/of stroomvoorziening heeft veroorzaakt en/of (een) ten opzichte van die zogenaamde meterkast en/of die stroomvoorziening genomen veiligheidsmaatregel(en) heeft verijdeld,

- terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten de woning en/of de zich in die woning bevindende goederen, en/of

- terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was, te weten de zich in die woning bevindende perso(o)n(en).

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen hem onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd. Dat als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit gevaar voor personen is ontstaan acht de officier van justitie niet bewezen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Nu verdachte bij de politie de ten laste gelegde feiten heeft bekend, volstaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.

Voor het bewijs verwijst de rechtbank naar:

Ten aanzien van feit 1

- Het proces verbaal van bevindingen inhoudende een relaas van verbalisanten [verbalisant 1]en [verbalisant 2] ;

- Het proces verbaal aantreffen hennepkwekerij opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] met de daarbij gevoegde foto’s ;

- Het expertiseverslag opgemaakt door [verbalisant 3] ;

- De bekennende verklaringen van verdachte ;

Ten aanzien van feit 2 en 3

- De aangifte van [aangever], namens [bedrijf]. ;

- De bekennende verklaringen van verdachte .

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, gezien de professionele wijze waarop de hennepkwekerij was ingericht en het grote aantal, te weten 1800, planten dat is aangetroffen. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen het feit dat verdachte, naast het geld dat hij met de hennepteelt verdiende, geen inkomen had.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 01 december 2010 tot en met 16 augustus 2011 te Oudleusen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1600 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

hij in de periode van 01 december 2010 tot en met 16 augustus 2011 te Oudleusen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/electriciteit toebehorende aan [bedrijf]., verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

3.

hij in de periode van 01 december 2010 tot en met 16 augustus 2011 te Oudleusen,opzettelijk een elektriciteitswerk, te weten een zogenaamde meterkast voor de stroomvoorziening in een woning (gelegen aan de [adres]) een stoornis in de gang en in de werking van die meterkast en stroomvoorziening heeft veroorzaakt en ten opzichte van die zogenaamde meterkast en die stroomvoorziening genomen veiligheidsmaatregelen heeft verijdeld, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten de woning en de zich in die woning bevindende goederen.

Van het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1.

Opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 3 van de Opiumwet.

2.

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

3.

Opzettelijk een stoornis in de gang of werking van een elektriciteitswerk veroorzaken en een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten is, strafbaar gesteld bij artikel 161bis van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt. Gelet op de wijze waarop de hennepkwekerij was opgezet en het aantal aanwezige hennepplanten was sprake van een professionele hennepkwekerij. Verdachte heeft dusdoende bijgedragen aan het in stand houden van het illegale hennepcircuit en de daaraan gerelateerde criminaliteit. Het gaat hierbij om ernstige feiten, aangezien de uit hennepplanten verkregen stof THC schadelijk is voor de volksgezondheid en om deze reden door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II is geplaatst. Algemeen bekend is dat de activiteiten waarmee verdachte zich heeft ingelaten ook plegen te leiden tot nadelige gevolgen als sociale overlast. Verdachte heeft zich welbewust hiermee ingelaten, kennelijk gedreven door financiële motieven. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit, kennelijk om zijn inkomsten uit de teelt te maximaliseren. Doordat verdachte wijzigingen in de elektrische installatie heeft aangebracht is voorts gevaar voor goederen ontstaan.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van een hennepkwekerij met 500-1000 planten een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken.

Strafverhogend werkt in dit geval de professionele wijze waarop de kwekerij was opgezet, het grote aantal planten dat is aangetroffen en het feit dat verdachte zich tevens heeft schuldig heeft gemaakt aan diefstal van stroom en gevaar voor goederen heeft veroorzaakt.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 6 december 2012, waaruit blijkt dat verdachte reeds twee maal eerder is veroordeeld ter zake van handelen in strijd met de Opiumwet. De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij ondanks eerdere veroordelingen is doorgegaan met het plegen van strafbare feiten die verband houden met de Opiumwet.

Alles afwegende acht de rechtbank de straf zoals door de officier van justitie is geëist dan ook passend en geboden.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [bedrijf]. heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 7170,78 gevoegd in het strafproces. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [bedrijf]. als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is met de door de benadeelde partij overgelegde stukken onderbouwd en niet weersproken. De hoogte van de schade is, naar het oordeel van de rechtbank, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 5782,22, vermeerderd met de wettelijk rente over dit bedrag vanaf 16 augustus 2011 tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

De buitengerechtelijke incassokosten en de kosten voor rechtsbijstand zijn niet aan te merken als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51a lid van het Wetboek van Strafvordering, maar komen wel in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 1200,-.

Als extra waarborg voor betaling van de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van € 5.782,22 ten behoeve van de benadeelde partij.

BESLISSING

Het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 4 maanden, niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Schadevergoeding

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf], te Zwolle, van een bedrag van € 5782,22 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 augustus 2011, tot de dag van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 1200,-.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5782,22, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 63 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mrs. A.J. Louter en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2013.