Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2026

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
22-02-2013
Zaaknummer
134430 KG RK 13-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

Rechtbank Oost-Nederland

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: 134430 / KG RK 13-14

Datum beschikking: 31 januari 2013

Beschikking van de wrakingskamer op een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan door:

[Verzoeker],

wonende te [plaats], [adres],

verzoeker tot wraking,

advocaat mr. P.J. de Bruin te Rotterdam,

strekkende tot wraking van

mr. S.A. van Hoof, in zijn hoedanigheid van rechter in de rechtbank Oost Nederland, zittingsplaats Almelo, team bestuursrecht (hierna ook: de rechter).

1. Het procesverloop

1.1 Bij de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Almelo, team bestuursrecht, zijn onder de zaaknummers AWB 12/1270 en AWB 12/1269 aanhangig procedures tussen [verzoeker] als eisende/verzoekende partij en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede als verwerende partij.

1.2 De heer [verzoeker] heeft bij schriftelijk wrakingsverzoek van 3 januari 2013, ingekomen 4 januari 2013, verzocht mr. S.A. van Hoof te wraken.

1.3 De rechter heeft niet berust in de wraking en heeft op 12 januari 2013 schriftelijk gereageerd. Hij wenst geen gebruik te maken van de mogelijkheid om ter zitting te worden gehoord.

1.4 Op 16 januari 2013 is een brief van mr. P.J. de Bruin, raadsman van verzoeker, ontvangen.

1.5 Het wrakingsverzoek is behandeld ter openbare zitting van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken (verder te noemen de wrakingskamer) van 17 januari 2013.

Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. Mr. P.J. de Bruin is, met kennisgeving, niet verschenen. De rechter heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ter zitting te worden gehoord.

2. Het wrakingsverzoek

2.1 Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. Van Hoof als behandelend rechter in eerdervermelde zaken tussen verzoeker en het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Enschede.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat, anders dan in zijn wrakingsverzoek vermeld, het verzoek niet heeft te gelden als een wrakingsverzoek tegen de president van de rechtbank Oost-Nederland, zodat dit onderdeel van zijn verzoek als ingetrokken wordt beschouwd.

2.2 Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, zakelijk weergegeven het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:

De rechterlijke onafhankelijkheid is niet gewaarborgd. In de Twitter richtlijn wordt het Openbaar Ministerie “partner” genoemd waaruit blijkt dat de rechterlijke macht met Justitie “twee handen op één buik vormt”. De griffie heeft aan verzoeker meegedeeld dat er tussen 21 december 2012 en 2 januari 2013 sprake was van een reces, terwijl verzoeker een nota van de rechtbank heeft ontvangen gedateerd

28 december 2012. De door verzoeker op 20 december 2012 ingediende aangetekende brieven zijn in bedoelde periode niet in behandeling genomen, terwijl er door de rechter in deze periode wel ”buiten de partijen om” is onderhandeld met de gemeente Enschede. In een eerdere procedure, met kenmerk 11/929 BSTPL BN V, heeft mr. Van Hoof verzoeker het recht op wederhoor ontnomen en daarmee een Nationaal Socialistische daad begaan. Ook heeft rechter mr. Rottier in een procedure die in 2001 is gevoerd, buiten partijen om een gesloten envelop met inhoud ontvangen. De thans aanhangige procedures tegen het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede zijn een rechtstreeks gevolg van het corrupte handelen van rechter mr. Van Hoof, die samenspant met het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede, aldus verzoeker.

2.3 De schriftelijke reactie van de rechter is door de voorzitter van de wrakingskamer tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek voorgelezen. Het standpunt van de rechter wordt hierna zover nodig besproken.

3. De beoordeling

3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend. De vrees voor partijdigheid dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking indien, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.2 Voor zover verzoeker aanvoert dat de rechter in de procedure met kenmerk 11/929 BSTPL BN V het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, overweegt de wrakingskamer dat deze klacht uitvoerig aan de orde is geweest in een eerder wrakingsverzoek van verzoeker, dat heeft geresulteerd in de afwijzende beschikking van de wrakingskamer van 10 oktober 2011 (zaaknummer 123313 HA RK 11-77), bij verzoeker genoegzaam bekend, zodat die stelling reeds daarom geen nadere bespreking behoeft.

3.3 Daar waar het verzoek behelst dat er opnieuw sprake is van (dreigende) schending van het beginsel van hoor- en wederhoor door de rechter en - zoals de raadsman stelt - te verwachten is dat de rechter bevooroordeeld is en de onderhavige zaken niet onafhankelijk en op hun eigen merites zal beoordelen, overweegt de wrakingskamer dat deze stelling van verzoeker nergens op is gebaseerd. Het feit dat verzoeker in de periode van 21 december 2012 tot 2 januari 2013 een nota heeft ontvangen van de financiële afdeling van de rechtbank, terwijl zijn beroepschrift en verzoek tot voorlopige voorziening in deze periode niet in behandeling zijn genomen, is van geen enkel belang voor de wijze waarop de procedures inhoudelijk (zullen) worden behandeld en raakt de onpartijdigheid van de rechter niet.

3.4 Ook heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter ogenschijnlijk samenspant met, dan wel buiten verzoeker om in voornoemde periode overleg heeft gehad met het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede. De wrakingskamer overweegt dat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd, laat staan aannemelijk geworden. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat deze zware aantijging terecht is.

3.5 Daar waar verzoeker spreekt over het aannemen van een gesloten envelop met inhoud, heeft hij ter zitting toegelicht dat deze klacht zich richt tegen rechter

mr. Rottier en een in 2001 aanhangige (bestuursrechtelijke) procedure betreft. Daargelaten dat ook voor de juistheid van die stelling geen enkele aanwijzing voorhanden is, heeft dat beweerdelijk handelen geen betrekking op de rechter,

van wie thans de wraking wordt verzocht.

3.6 Het overige door verzoeker aangevoerde betreft de rechterlijke macht in haar geheel en kan daarom evenmin tot toewijzing van het verzoek leiden.

3.7 De hiervoor besproken gronden van het wrakingsverzoek bevatten slechts

stellingen en veronderstellingen en leiden, noch afzonderlijk, noch in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat zich in casu concrete feiten en omstandigheden voordoen waaruit de wrakingskamer vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kan afleiden. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stoové, voorzitter, Lorist en Verdoold, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Krooshof en in het openbaar uitgesproken op

31 januari 2013.