Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1987

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2013
Datum publicatie
21-02-2013
Zaaknummer
836211 Cv Expl. 12-5181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Studiekostenbeding.

Werknemer is in dienst geweest van de werkgever in de functie van junior planeconoom. Na het einde van het dienstverband vordert de werkgever betaling van een bedrag van € 7.500,00 ter zake studiekosten.

De kantonrechter oordeelt dat het beroep van de werkgever op het studiekostenbeding in de gegeven omstandigheden in strijd is met goed werkgeverschap en daarmee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0143
XpertHR.nl 2013-395995
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 836211 \ CV EXPL 12-5181 \ 199 \ 563

uitspraak van

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pas Zuid-Oost B.V.

gevestigd te Veendam

eisende partij

gemachtigde mr. B.M.J. Pelzer

tegen

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

gemachtigde mr. G. Oudshoorn

Partijen worden hierna Pas en [werknemer] genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 oktober 2012 en de daarin genoemde processtukken

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 8 januari 2013.

2. De feiten

2.1. [werknemer] is van 17 april 2011 tot 17 april 2012 bij Pas in dienst geweest, laatstelijk in de functie van junior planeconoom tegen een salaris van € 2.075,00 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld. Partijen zijn twee tijdelijke arbeidsovereenkomsten van ieder zes maanden aangegaan.

2.2. In artikel 18 van de op 12 april 2011 door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald (productie 1 inleidende dagvaarding):

“Gedurende vierentwintig maanden zal werknemer deelnemen aan het opleidingsprogramma. De opleiding bestaat hieruit door met name het vakinhoudelijke traject te doorlopen door middel van het ondersteunen van de projectmedewerkers van PAS en hetgeen in het opleidingsprogramma is vermeld. Eén van de projectmedewerkers zal daarbij als mentor worden aangesteld.

De waarde van het opleidingsprogramma is bepaald op € 15.000,=. PAS is bereid tenminste dit bedrag aan werknemer te besteden, indien zij ervan uit kan gaan dat werknemer gedurende tenminste enkele jaren bij PAS werkzaam zal zijn. Zie hiervoor de terugbetalingsovereenkomst studiekosten.”

2.3. In de door beide partijen ondertekende terugbetalingsovereenkomst studiekosten (hierna: de terugbetalingsovereenkomst) is onder meer bepaald (productie 3 inleidende dagvaarding):

“De kosten van het opleidingsprogramma voor deze 12 maanden bedragen € 15.000,= en worden door PAS bv voldaan. Indien de werknemer binnen 6 maanden na aanvangsdatum van het arbeidscontract bij PAS bv vertrekt zullen alle opleidingskosten door werknemer dienen te worden betaald. Indien werknemer binnen 6 tot 24 maanden na aanvangsdatum van het arbeidscontract bij PAS bv vertrekt zullen alle opleidingskosten naar rato door werknemer dienen te worden betaald.

(…)

Een voorbeeld:

De arbeidsovereenkomst wordt door werknemer beëindigd na 12 maanden. De kosten van het opleidingsprogramma bedragen € 15.000,=.

Indien werknemer het contract niet wenst te verlengen danwel eerder vertrekt, is de verrekening als volgt:

Na 12 maanden:

€ 15.000,= * (12/24) = € 7.500.=

Na 6 maanden:

€ 15.000,= * (18/24) = € 11.250,=

Dit bedrag dient uiterlijk op de dag van uitdiensttreding te worden betaald, danwel wordt dit verrekend met het uitstaande salaris en/of vakantiegeld.”

2.4. In een e-mail van 8 maart 2012 heeft [werknemer] onder meer het volgende aan Pas meegedeeld:

“Graag wil ik morgen een persoonlijke toelichting geven op mijn beslissing om bij PAS weg te gaan.”

3. De vordering en het verweer

3.1. Pas vordert dat de kantonrechter [werknemer] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 7.500,00 ter zake studiekosten en een bedrag van € 833,00 ter zake buitengerechtelijke kosten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 13 juli 2012 en de datum van de dagvaarding, met veroordeling van Pas in de proceskosten.

Pas legt hieraan, kort gezegd, ten grondslag dat [werknemer] in maart 2012 te kennen heeft gegeven dat hij zijn arbeidsovereenkomst niet wenste te verlengen. Pas heeft vervolgens op grond van de terugbetalingsovereenkomst aanspraak gemaakt op terugbetaling door [werknemer] van een deel van de volgens Pas gemaakte studiekosten.

3.2. [werknemer] voert verweer.

4. De beoordeling

4.1. [werknemer] voert primair aan dat hij op grond van de terugbetalingsovereenkomst enkel gehouden is de studiekosten terug te betalen in het geval dat hij de arbeidsovereenkomst zelf zou hebben opgezegd. Nu de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd, is geen sprake van een opzegging, zodat hij niet op grond van de terugbetalingsovereenkomst verplicht kan worden de studiekosten terug te betalen, aldus [werknemer].

4.2. Uit de terugbetalingsovereenkomst volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat de verplichting tot terugbetaling ook bestaat wanneer de werknemer de arbeidsovereenkomst niet wenst te verlengen. In die overeenkomst is immers vermeld dat de werknemer studiekosten moet terugbetalen indien hij “vertrekt”. Hieronder kan naar het oordeel van de kantonrechter mede worden verstaan het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst in verband met het feit dat de werknemer een andere baan heeft geaccepteerd. Voorts is in het rekenvoorbeeld opgenomen dat studiekosten worden verrekend wanneer de werknemer “het contract niet wenst te verlengen”. Hieruit volgt eveneens dat de terugbetalingsregeling in het onderhavige geval van toepassing is. Het primaire verweer van [werknemer] gaat dan ook niet op.

4.3. Wat er zij van het beroep van [werknemer] op de nietigheid van de terugbetalingsovereenkomst, naar het oordeel van de kantonrechter voert [werknemer] terecht aan dat het beroep van Pas op de terugbetalingbetalingsregeling in strijd is met de eisen van goed werkgeverschap en daarmee in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Vaststaat dat [werknemer] geen opleiding heeft gevolgd aan een onafhankelijke onderwijsinstelling, maar enkel intern is opgeleid. Hij heeft geen diploma ontvangen dat hij aan potentiële nieuwe werkgevers zou kunnen tonen als bewijs van opgedane kennis en verworven vaardigheden. Voorts is gesteld noch gebleken dat hij enige externe cursus heeft gevolgd op kosten van Pas. Daarnaast heeft [werknemer] onweersproken aangevoerd dat hij zelf het opleidingsprogramma heeft aangepast, omdat er naar zijn mening sprake was van een overlap met de leerstof die hem aan de universiteit is aangeboden. Naar het oordeel van de kantonrechter behoren de inspanningen die Pas in het onderhavige geval heeft geleverd om [werknemer] binnen de onderneming op te leiden tot planeconoom tot de normale investeringen die een werkgever als goed werkgever in zijn werknemers behoort te doen. Deze investering komt mede tot uitdrukking in het relatief lage salaris dat Pas aan [werknemer] heeft betaald. Voorts is van belang dat de opleiding volgens Pas een duur heeft van vierentwintig maanden, terwijl Pas - volgens haar eigen stellingen - drie arbeidsovereenkomsten van zes maanden heeft aangeboden aan [werknemer]. Dit ondanks het feit dat in artikel 13 van de arbeidsovereenkomst is vermeld dat deze na het verstrijken van de eerste zes maanden zou worden verlengd met achttien maanden. De aangeboden overeenkomsten waren aldus van kortere duur dan de opleiding. Bovendien houdt de terugbetalingsovereenkomst in dat hoe korter de werknemer werkzaam is bij Pas, hoe meer hij moet terugbetalen, terwijl de opleiding eerst na vierentwintig maanden is afgerond. De investeringen van Pas in de opleiding zijn dus eerst na vierentwintig maanden volledig op het niveau van € 15.000,00. Hiermee valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te rijmen dat [werknemer] na een dienstverband van twaalf maanden meer moet terugbetalen dan na een dienstverband van achttien maanden.

Pas voert nog aan dat [werknemer] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst voldoende is geïnformeerd over de terugbetalingsregeling en wist waarvoor hij tekende. Dit doet naar het oordeel van de kantonrechter echter niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen, aangezien [werknemer], indien hij in dienst wilde treden bij Pas, geen andere keuze had dan akkoord te gaan met de terugbetalingsovereenkomst.

4.4. Nu het beroep van Pas op de terugbetalingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wordt de vordering van Pas afgewezen.

4.5. Pas wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. wijst de vordering af;

5.2. veroordeelt Pas in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [werknemer] begroot op € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.3. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op