Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1099

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
223093
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot plaatsing van loonvordering op de lijst van erkende preferente vorderingen afgewezen. Bewijsopdracht m.b.t. tot privé-eigendom schip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: 223093 / HA ZA 11-1507

Vonnis van 23 januari 2013

in de zaak van

[eiser]

eiser,

advocaat mr. P.A.M. de Jong te Huissen,

tegen

[gedaagde]

in hoedanigheid van curator in het faillissement van mevr[eiser]trokkene]

kantoorhoudende te Tiel,

gedaagde,

advocaat mr. drs. C.L.V.M. Elassaiss - Schaap te Tiel.

Partijen zullen hierna [eiser] en de curator genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 april 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 22 mei 2012

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- het pleidooi en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken

- de aantekeningen van de griffier van het pleidooi.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 30 januari 2004 heeft de rechtbank het faillissement uitgesproken van [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), handelend onder de naam [bedrijf] Yachting, (hierna: [bedrijf]). Hierbij is Klomp q.q. aangesteld als curator. [bedrijf] was gevestigd te [woonplaats] aan de [adres].

2.2. Op hetzelfde adres was de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Infinesse Network B.V. ingeschreven. Op 26 oktober 2000 is de statutaire naam van deze vennootschap gewijzigd in ‘[bedrijf] the Yacht Company B.V.’ (hierna: de B.V.) Enig bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap was [eiser]. Op 17 maart 2005 is de B.V. ontbonden.

2.3. [eiser] en [betrokkene] zijn in 1968 in Duitsland gehuwd in een ‘Zugewinngemeinschaft’.

2.4. Op 7 november 2011 heeft [eiser] per aangetekende brief een tweetal vorderingen bij de curator ter verificatie ingediend. Kort gezegd betrof dit een loonvordering ten bedrage van € 150.686,82 en een vordering uit een koopovereenkomst betreffende een boot, genaamd [boot], ten bedrage van € 204.201,-.

2.5. Op 10 november 2011 heeft de verificatievergadering plaatsgevonden in het faillissement van [betrokkene]. De curator heeft de loonvordering geplaatst op de lijst van voorlopig betwiste preferente vorderingen en de vordering betreffende [boot] op de lijst van voorlopig betwiste concurrente vorderingen.

2.6. De rechter-commissaris heeft [eiser] terzake van deze betwiste vorderingen naar de rechtbank verwezen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat -

- veroordeling van de curator om de loonvordering van [eiser] voor een bedrag van € 150.686,82 op te nemen op de lijst van erkende preferente vorderingen, en

- veroordeling van de curator om de vordering van [eiser] betreffende [boot] voor een bedrag van € 242.483,38 op te nemen in de lijst van concurrente vorderingen,

met veroordeling van de curator in de kosten van het geding en de executie voor zover door hem veroorzaakt.

3.2. Ter onderbouwing van zijn vorderingen heeft [eiser] het volgende gesteld.

[betrokkene] is in 2002 ziek geworden. [eiser] heeft haar werkzaamheden voor [bedrijf] overgenomen. Op 15 juni 2002 is een arbeidsovereenkomst gesloten tussen [bedrijf] en [eiser]. Op basis van deze overeenkomst (na verrekening met reeds aan [eiser] verrichte betalingen) heeft [eiser] een loonvordering van € 150.686,82, die dient te worden opgenomen op de lijst van erkende preferente vorderingen.

Ten aanzien van [boot] heeft [eiser] aangevoerd dat hij het schip eigenhandig gebouwd heeft en dat hij zelf de kosten van de bouw gedragen heeft. [eiser] heeft het schip op 25 juni 2001 verkocht aan [bedrijf]. De koopprijs is bepaald op fl. 450.000,-. Op 25 juni 2001 heeft [betrokkene] een wissel ondertekend ten bedrage van € 204.201,- van [bedrijf] voor de heer [eiser]. De verkoopprijs plus zakelijke wettelijke rente vanaf 25 juni 2001 tot datum faillissement, in totaal een bedrag van € 242.483,38, dient als erkende concurrente vordering te worden opgenomen.

3.3. Bij pleidooi heeft [eiser] verzocht de eis te wijzigen, in die zin dat aan de grondslag een subsidiaire grondslag zou worden toegevoegd, inhoudende dat thans ook betaling wordt gevorderd omdat de B.V. op 1 december 2002 vorderingen tot een bedrag van € 480.000,- op [bedrijf] aan [eiser] zou hebben overgedragen. Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen omdat de systematiek van de Faillissementswet zich naar het oordeel van de rechtbank tegen een dergelijke wijziging verzet. Volgens het proces-verbaal van de verificatievergadering zijn immers alleen de loonvordering en de vordering betreffende [boot] van [eiser] verwezen naar deze renvooiprocedure.

3.4. De curator heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel afwijzing van deze vorderingen.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Toepasselijk recht op overgelegde arbeidsovereenkomst en koopovereenkomst

4.1. De door [eiser] overgelegde overeenkomsten betreffende de gestelde arbeidsovereenkomst en de gestelde koopovereenkomst van [boot] geven geen uitsluitsel betreffende het recht dat op deze overeenkomsten van toepassing is. Bij pleidooi heeft [eiser] verklaard dat op beide overeenkomsten Nederlands recht van toepassing is, hetgeen door de curator niet is betwist. De rechtbank zal de gestelde overeenkomsten dan ook naar Nederlands recht beoordelen.

Loonvordering

4.2. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn loonvordering aangevoerd dat hij zijn vrouw heeft vervangen (als bedrijfsleider van [bedrijf]) gedurende haar ziekte en dat dit is vastgelegd in een arbeidsovereenkomst. Hij heeft de vordering pas laat ingediend omdat de curator hem had aangeraden geen vorderingen in te dienen in verband met een mogelijk te bereiken akkoord in het faillissement. Toen bleek dat een akkoord niet haalbaar was, is [eiser] niet goed voorgelicht door de curator over het alsnog indienen van zijn vorderingen. De overgelegde arbeidsovereenkomst is pas sinds kort (weer) in zijn bezit. De administratie was deels door de FIOD in beslag genomen, deels achtergebleven bij de nieuwe eigenaar van het bedrijfspand en deels bij de curator geweest. Toen hij weer toegang had tot de administratie was deze een grote puinhoop.

4.3. De curator heeft de echtheid van de overgelegde overeenkomst betwist. De overeenkomst kwam pas jaren na het faillissement tevoorschijn en is getekend door twee personen die ook beiden belang hebben bij erkenning van de vordering. De curator heeft betwist dat tussen [bedrijf] en [eiser] werkelijk een dienstverband heeft bestaan. Daartoe heeft de curator onder meer aangevoerd dat [eiser] zich gedurende de surseance van betaling nooit gemeld heeft bij de bewindvoerder als werknemer, dat hij tijdens de surseance en daarna geen salaris heeft ontvangen dan wel gevraagd heeft aan de bewindvoerder, dat er geen afdrachten zijn gedaan voor hem door [bedrijf] en dat hij niet op de lijst van medewerkers van [bedrijf] stond die [betrokkene] heeft overgelegd aan de curator. Deze lijst is (onder andere) gebruikt ten behoeve van de loongarantieregeling. Ook in dat kader had het voor de hand gelegen dat [eiser], als hij werkelijk een arbeidsovereenkomst had met [bedrijf], zich (alsnog) had gemeld bij de curator als werknemer.

4.4. Ten aanzien van de loonvordering van [eiser] overweegt de rechtbank als volgt. De gestelde arbeidsovereenkomst is door de curator gemotiveerd betwist. Het is aan [eiser] om ten aanzien van deze overeenkomst voldoende te stellen en zo nodig te bewijzen. De rechtbank merkt op dat niet betwist is dat [eiser] werkzaamheden heeft uitgevoerd voor [bedrijf] en daar ook door [bedrijf] voor betaald heeft gekregen. Dat wil echter nog niet zeggen dat er ook sprake was van een dienstverband, zoals weergegeven in de door hem overgelegde overeenkomsten en zoals bedoeld in de wet.

4.5. De rechtbank overweegt dat de door de curator in zijn verweer aangevoerde en niet weersproken feiten en omstandigheden het daadwerkelijk bestaan van een dienstverband zoals bedoeld in de wet tussen [eiser] en [bedrijf] onaannemelijk maken. De stelling van [eiser] dat hij geen toegang had tot de administratie is gemotiveerd weersproken door de curator. Dat de administratie los in dozen was gestort, zoals onweersproken gesteld door [eiser], doet daar niet aan af. Maar wat daar ook van zij, als het zo was dat [eiser] om welke reden dan ook niet eerder toegang had tot de overeenkomst, had het op de weg van [eiser] gelegen om in ieder geval al bij het begin van het faillissement bij de curator te melden dat er een arbeidsovereenkomst bestond en daarbij aan te geven dat de betreffende overeenkomst zich nog in de administratie van de failliet bevond. Daarbij komt dat volgens de overgelegde overeenkomst, deze overeenkomst in tweevoud is opgemaakt. [eiser] had dus zelf ook een exemplaar in bezit moeten hebben. [eiser] heeft niet toegelicht waarom hij zijn eigen exemplaar niet (eerder) heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door [eiser] overgelegde brief van de curator d.d. 4 december 2006 niet dat, zoals [eiser] stelt, de curator hem ervan heeft weerhouden zijn eigen vorderingen in te dienen. De curator spreekt in de overgelegde brief immers over vorderingen van de B.V. Aan de stelling, dat de curator [eiser] daarna niet goed zou hebben voorgelicht gaat de rechtbank voorbij. Nog daargelaten dat [eiser] niet heeft geconcretiseerd wat hij dan van de curator verwachtte, anders dan de uitnodiging die iedere crediteur krijgt zijn vordering ter verificatie in te dienen, geldt bovendien dat [eiser] in de betreffende periode steeds werd bijgestaan door een deskundige.

4.6. De rechtbank betrekt daarnaast nog in haar beoordeling dat [eiser] bij pleidooi heeft verklaard dat de gestelde loonvordering is gecreëerd, zodat hij wat ‘achter de hand’ zou hebben, voor het geval de relatie tussen [eiser] en zijn vrouw mis zou lopen. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de relatie tussen hem en zijn vrouw in stand is gebleven. In die stellingen ligt besloten dat ook in de lezing van [eiser] zelf geen onvoorwaardelijke loonvordering bestaat.

4.7. De rechtbank overweegt tot slot dat de door de curator betwiste echtheid van de overgelegde overeenkomst in het midden kan blijven. Gezien alles wat de curator heeft aangevoerd ter betwisting van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kon [eiser] naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met het enkel overleggen van deze overeenkomst. [eiser] had het bestaan van de overeenkomst nader moeten onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van zijn eigen jaaropgave(n). [eiser] heeft gesteld dat er geen geld was om hem te betalen en dat er daarom ook geen afdrachten werden gedaan. De rechtbank gaat aan die stelling voorbij aangezien, nog los van de vraag of [eiser] inderdaad niet betaald heeft gekregen, geldt dat als [eiser] niet betaald zou zijn, hij ook in dat geval een jaaropgave had moeten ontvangen.

4.8. [eiser] heeft voor het overige geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit, als hij zou slagen in het leveren van bewijs daarvan, het bestaan van een arbeidsovereenkomst destijds tussen hem en [bedrijf] blijkt. De rechtbank komt er dan ook niet aan toe [eiser] toe te laten tot bewijslevering op dit punt.

4.9. Nu niet is komen vast te staan dat tussen [eiser] en [bedrijf] een dienstverband heeft bestaan op grond waarvan hij recht heeft op loon, zal de rechtbank de vordering tot plaatsing van de loonvordering van [eiser] op de lijst van erkende preferente vorderingen afwijzen.

Vordering [boot]

4.10. Ter onderbouwing van de vordering betreffende de boot ‘[boot]’ heeft [eiser] het volgende gesteld. In de jaren 1999-2000 heeft [eiser] deze boot gebouwd. Hij heeft de kosten hiervoor zelf gedragen. Op 25 juni 2001 heeft [eiser] het schip verkocht en geleverd aan [bedrijf]. [eiser] heeft ter onderbouwing daarvan een ‘Kaufvertrag von Privat’ overgelegd, ondertekend door [eiser] en [betrokkene]. De verkoopprijs is in dit contract bepaald op fl. 450.000,-. [bedrijf] heeft het schip in onderpand gegeven aan De Valk ten behoeve van een geldlening aan [bedrijf]. Vervolgens heeft [bedrijf] het schip op 19 november 2002 overgedragen aan de B.V. Het bedrag van fl. 450.000,- (€ 204.201,-) heeft [bedrijf] nooit aan [eiser] betaald. [bedrijf] heeft voor dit bedrag een wissel verstrekt aan [eiser], maar [eiser] heeft deze wissel nooit geïnd.

4.11. De curator heeft de vordering betreffende [boot] gemotiveerd betwist. De curator betwist de echtheid van het door [eiser] overgelegde ‘Kaufvertrag’. Deze overeenkomst heeft de curator pas voor het eerst gezien op het moment van het indienen van de vordering ter verificatie. Net als de arbeidsovereenkomst is deze getekend door twee personen die beiden belang hebben bij erkenning van de vordering. De curator betwist dat [eiser] ooit eigenaar was van [boot]. [eiser] heeft hem altijd verteld dat alle boten werden gebouwd door [bedrijf]. De B.V. verzorgde de verkoop van de boten. De gestelde verkoop van [boot] aan [bedrijf] door [eiser] in privé staat haaks op de normale werkwijze van [bedrijf] en de B.V. Verder blijkt nergens uit dat [boot] van [eiser] in privé is geweest, zodat hij geen vordering in privé kan hebben op failliet betreffende de verkoop van deze boot.

4.12. De rechtbank overweegt dat [eiser] zelf onduidelijkheid heeft geschapen over de eigendom van [boot] door tijdens deze procedure tegenstrijdige stukken over te leggen. Volgens een door [eiser] overgelegde ‘Eigentumsübertragung’ heeft [bedrijf] op 19 november 2002 [boot] overgedragen aan de B.V. Volgens een door [eiser] bij pleidooi overgelegde ‘Werfverklaring’ was [boot] echter al een jaar eerder, op 25 september 2001 eigendom van de B.V. (met rechten van de constructeur [.] [eiser]). Daarover heeft [eiser] desgevraagd bij pleidooi verklaard dat [boot] altijd van de B.V. is geweest maar “dat hij de B.V. was”. [eiser] heeft niet betwist dat de door hem gestelde gang van zaken rondom [boot] haaks stond op de normale gang van zaken bij [bedrijf] en de B.V. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] echter zo, dat hij (kennelijk anders dan normaal) de bouw van [boot] uit eigen middelen heeft gefinancierd en dat de boot daarom van hem was en dat hem daarom de koopsom toekwam.

4.13. Nu de curator gemotiveerd heeft betwist dat [boot] uit eigen middelen is gefinancierd, is dit op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [eiser] om te bewijzen. De rechtbank is van oordeel dat gezien hetgeen hiervoor in 4.12. is overwogen, [eiser] niet kon volstaan met overlegging van het ‘Kaufvertrag’. De rechtbank verzoekt [eiser] om schriftelijke stukken te overleggen die de betalingen door [eiser] (in privé) ten behoeve van de bouw van [boot] in privé kunnen aantonen en om in ieder geval ook werklieden (bijvoorbeeld de bij comparitie genoemde lassers) die aan [boot] hebben gewerkt als getuige te doen horen die kunnen verklaren door wie zij voor het werk aan [boot] betaald werden.

4.14. De rechtbank zal [eiser] nu eerst bewijs opdragen met betrekking tot de vordering betreffende [boot] en zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [eiser] op te bewijzen dat hij de bouw van de boot [boot] uit eigen (privé) middelen heeft gefinancierd,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 februari 2013 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen en donderdagen in de maanden maart tot en met mei 2013 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. N.W. Huijgen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen, mr. F.M.Th. Quaadvliet en mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.

PEvV