Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ1092

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
237588
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot nakoming van de maatschapsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/237588 / KG ZA 12-679

Vonnis in kort geding van 23 januari 2013

in de zaak van

[eiseres]

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. van Rhijn te Alkmaar,

tegen

[gedaagde]

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R. van Herwaarden te Amersfoort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 27,

- de producties 28 en 29 van [eiseres],

- de akte vermeerdering van eis van [eiseres],

- de producties 1 tot en met 3 van [gedaagde],

- de mondelinge behandeling,

- de pleitnota van [eiseres],

- de eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Met ingang van 1 juli 2010 zijn partijen, met toen nog een derde participant, mevrouw [betrokkene], de maatschap ‘[Z]’ aangegaan (hierna: de maatschap). Mevrouw [betrokkene] is op 1 juli 2011 uitgetreden uit de maatschap.

2.2. De maatschapsovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt.

3. Zij heeft als doel het voor gezamenlijke rekening voeren van een onderneming alsook wat daarmee (in de ruimste zin) samenhangt.

Elke maat brengt in de maatschap zijn arbeidskracht, vlijt en kennis in. Bovendien zal door de ondergetekenden afzonderlijk ingebracht een geldbedrag t.b.v. onder andere website, logo en boek.

4. De samenwerking zal door elk der maten kunnen worden opgezegd, mits daarbij een opzegtermijn van 3 maanden in acht wordt genomen.

5. Het boekjaar van de maatschap valt samen met het kalenderjaar. De administratie van de maatschap, waaronder ook valt het beheren van de kas, zal gevoerd worden door de maatschapsleden, die op zich nemen jaarlijks in de maand maart aan de maatschap te zullen verstrekken een door een (register)accountant opgestelde jaarrekening, voorzien van een toelichting en vergezeld van een verklaring van die accountant waarin hij mededeelt dat de jaarstukken een getrouw beeld van de werkelijkheid geven. De leden zijn te allen tijde gerechtigd overlegging van de boeken met de daarbij behorende bescheiden te vragen en de kas-, bank en girotegoeden van de maatschap te controleren.

9. De vennoten zijn alle drie bevoegd daden van beheer te verrichten, waaronder begrepen het innen en in ontvangst nemen van gelden ten behoeve van de maatschap en het doen van uitgaven, met dien verstande dat beheersdaden, die in totaal financiële lasten van jaarlijks meer dan € 1000,- (duizend euro) met zich zullen meebrengen, de goedkeuring van drie maten behoeven.

10. Beschikkingsdaden kunnen slechts door drie maten gezamenlijk rechtsgeldig worden verricht. Onder beschikkingsdaden worden in ieder geval ook begrepen: het beginnen van een proces, het kwijtschelden van vorderingen, het aangaan van een overeenkomst of het sluiten van een vergelijk. Uitgezonderd zijn zaken die geen uitstel kunnen hebben zoals het nemen van rechtsmaatregelen, of het leggen van bewaring en het dagvaarden of zich verweren in kort geding. Verder is ook de medewerking van drie maten vereist voor het aannemen of ontslaan van personeel, het verlenen van volmacht en het tot zekerheid onderbrengen of verpanden van vorderingen.

13. De maatschap eindigt van rechtswege als een van de maten overlijdt, in staat van faillissement wordt verklaard, onder curatele wordt gesteld dan wel op andere wijze zijn handelingsbevoegdheid verliest. Verder zal de maatschap eindigen door de opzegging als bedoeld in artikel 4 van deze overeenkomst. In dat geval hebben de ‘voortzettende maten’ het recht de in de maatschap uitgeoefende werkzaamheden alleen of met een of meerdere anderen voort te zetten; mits hij het voornemen daartoe binnen een maand aan zijn zakenpartner of aan diens erfgenamen bij aangetekende brief meedeelt.

16. Alle geschillen die uit deze overeenkomst zouden mogen voortvloeien - ook die welke maar door een van de betrokkenen als zodanig worden beschouwd - zullen worden beslecht door een viertal scheidslieden, waarvan elk van de maten een zal aanwijzen waarna de drie gekozenen zelf een jurist (als voorzitter) zullen kiezen.

2.3. De maatschap exploiteert het kookboek ‘[.]’, dat geschreven is door [eiseres] en [gedaagde]. Op 11 november 2011 is het boek voor het eerst gedrukt, met een oplage van 5000 exemplaren. De tweede druk, eveneens met een oplage van 5000 exemplaren, is begin mei 2012 verschenen. De derde druk, met een oplage van 10000 stuks is in november 2012 verschenen. De foto’s in het boek zijn gemaakt door [.] [betrokkene I], de zoon van [gedaagde].

2.4. De maatschap heeft twee websites in gebruik, www.[X].nl en www.[Y].nu. De website [Z].nu wordt thans door [gedaagde] gebruikt voor haar eenmanszaak, Uitgeverij [Z]. Op deze website is het boek ‘[boek A]’ te bestellen, ook kan men er het boek van [gedaagde] ‘[Z] het jaar rond’ bestellen. Bij deze website hoort het e-mailadres van de maatschap, info@[Y].nu en het e-mailadres van [eiseres], [.]@[Y].nu. [gedaagde] gebruikt de e-mailaccount info@[Y].nu voor haar eenmanszaak Uitgeverij [Z].

2.5. In de loop van december 2011 is wrijving ontstaan in de samenwerking tussen partijen. Op verzoek van [gedaagde] hebben er in de periode december 2011 tot mei 2012 een viertal gesprekken plaatsgevonden tussen partijen en een coach, mevrouw [betrokken coach]. Doel van deze gesprekken was de samenwerking tussen partijen te stroomlijnen.

2.6. Naar aanleiding van de gesprekken met mevrouw [betrokken coach] zijn partijen tot de volgende taakverdeling gekomen. [eiseres] zal zich hoofdzakelijk met de vakinhoudelijke pr/marketing bezig houden en [gedaagde] met de pr/marketing middels de nieuwe media, radio en televisie.

2.7. [eiseres] heeft tot januari 2012 de boekhouding van de maatschap gevoerd. Vanaf januari 2012 is de maatschap overgestapt op een ander boekhoudprogramma en verzorgt de partner van [gedaagde] tegen betaling de boekhouding.

2.8. In de e-mail van 26 oktober 2012 van [betrokkene II], de partner van [gedaagde], aan [eiseres], heeft [betrokkene II] voorstellen gedaan omtrent de organisatie van de maatschap, de website(s), webshop(s), administraties, verrekening eigen verkoop, uren die hij aan de maatschap zal besteden en zijn uurtarief.

2.9. In de e-mail van 29 oktober 2012 antwoordt [eiseres] het volgende.

Dank je wel voor je antwoord.

Ook ik moet er weer op gaan broeden en bespreken.

En wellicht heb ik nog meer info nodig.

Wat betreft een aantal punten kan ik in ieder geval duidelijk zijn voor nu:

- de eigen-verkoop van nu inderdaad gewoon naar de Maatschapspot laten vloeien zoals dat nu ook gaat.

In principe per kwartaal doorgeven. Hoewel ik voor de tweede druk het wellicht handig vindt om deze gewoon af te handelen en dan te betalen aan de maatschap. Maar als jij daar anders over denkt hoor ik dat wel.

- De meeste emails bestaan nu uit bestellingen. Wellicht is het handig dat je dat nu doet en de andere naar mij doorstuurt. Als er een specifieke voor [.] (vzr: [gedaagde]) is dan die naar haar sturen.

- 30 euro per uur (maandsalaris 5400 euro) voor administratief werk lijkt mij vrij veel. Ik zal er de CAO voor dat werk op naslaan.

Ik zal er nog verder over nadenken.

[betrokkene I] is even een weekje met vakantie. Daarna een tentamen en een studiereis.

2.10. Bij e-mail van 2 november 2012 schrijft [gedaagde] aan [eiseres] ondermeer het volgende.

Via [betrokkene II] vernam ik dat jij nog zo’n 10 dozen boeken bij jou in voorraad had, oftewel ca 120 stuks.

Ik was stomverbaasd. De boeken zijn uitverkocht, terwijl de vraag blijft bestaan, er zijn boeken tekort.

En jij hebt er nog 120, zonder dat te melden! Ik kan daar niet bij.

Alweer laat je zien dat je geen betrouwbare business partner bent.

Als mede maatschapslid zou je mede verantwoordelijkheid moeten tonen voor het succes van de maatschap.

Je hebt 10 dozen boeken bij je achtergehouden terwijl je wist, of had moeten weten, dat onze voorraad op is, dat de boeken in herdruk zijn.

Dit terwijl je van de zomer hebt aangegeven dat je een tekort aan boeken had.

Toen je gevraagd werd zorg te dragen voor transport naar het magazijn geef je aan geen tijd te hebben om dit te organiseren.

Blijkbaar ontgaat je de noodzaak van de kwestie en kies je er weer voor om je privézaken voorrang te geven boven het belang van de maatschap.

Dit is precies de reden waarom ik in januari al met je om de tafel ben gegaan.

Door jouw keuzes en gebrek aan verantwoordelijkheid ben ik genoodzaakt geweest om wel de zaken op te pakken om de voortgang van het bedrijf te waarborgen.

[betrokkene II] heeft je gevraagd om een reactie op zijn voorstel voor de administratieve afhandeling voor de derde druk.

Jouw antwoord geeft zoals gebruikelijk geen concrete reactie. Je geeft feitelijk aan geen beslissingen te kunnen nemen zolang [betrokkene I] er niet is.

Daarmee laat je wederom zien dat je niet in staat bent om beslissingen te nemen.

Er is geen tijd om te wachten op jouw antwoord, de organisatie van de verkoop van [het boek] en [Z] het jaar rond zal door moeten. Door deze houding belemmer je de bedrijfsvoering.

In dezelfde mail geef je aan dat je 30 euro per uur voor het werk van [betrokkene II] wel wat veel vindt. Tevens geef je aan dat dat een maandsalaris is van 5400 euro.

Je wilt daarvoor de CAO voor administratief personeel raadplegen.

Deze conclusie laat wederom zien dat je niet capabel bent om beslissingen te nemen voor de zakelijke kant van de maatschap.

Een CAO is namelijk alleen van toepassing voor mensen die in loondienst zijn, waarvoor alle premies en pensioenen betaald worden, niet voor ZZPers.

Een bedrag van 30 euro per uur voor een ZZPer is absoluut niet aan de hoge, maar aan de lage kant.

Hiermee diskwalificeer je [betrokkene II], zijn kwaliteiten en al zijn onbetaalde werkzaamheden tot nu toe.

Conclusie:

Het vertrouwen in jou als zakelijk partner heb ik reeds eerder opgezegd.

Je laat nu weer zien de storende, vertragende en belemmerende factor te zijn in de bedrijfsvoering. Je gedraagt je onbetrouwbaar en je kiest ervoor om het maatschapsbelang ondergeschikt te maken aan je privébelang.

Jouw opstelling naar de maatschap tot nu toe heeft nu consequenties.

De maat is meer dan vol.

Ik neem nu de volledige verantwoordelijkheid en beslissingsbevoegdheid op mij voor de maatschap [Z] in ons beider belang. Het is nodig om nu snel beslissingen te nemen voor de organisatie. Ik zeg het maatschapscontract niet op.

Vanaf nu zal ik alleen, dat betekent zonder jou, de bedrijfsvoering en alles wat daarbij hoort van de maatschap [Z] op me nemen.

Ik trek jouw autorisaties in.

De betalingen komen binnen bij de uitgeverij. De opbrengst van de verkoop van [het boek] zal verdeeld worden, na aftrek van kosten, op de afgesproken wijze: ieder 50% van de winst.

Uitbetaling zal na afloop van de derde druk plaatsvinden. De uitbetaling van de winst van de eerste en de tweede druk zal plaatsvinden binnen 3 maanden na afsluiting van de boekhouding van de betreffende druk. Als je zelf boeken wilt blijven verkopen geldt daarvoor de volgende afspraak.

Je kunt boeken halen in het magazijn.

Deze boeken worden geregistreerd door het magazijn. Het verkoopbedrag daarvoor wordt verrekend met de winst.

De postzegels die je net aangeschaft hebt en het restant boeken en eventuele andere zaken worden verrekend met jouw aandeel van de winst.

2.11. Bij e-mail van 3 november 2012 heeft [eiseres] geprotesteerd tegen deze gang van zaken en heeft zij gesteld dat de afspraken blijven zoals in het maatschapscontract vermeld.

2.12. [gedaagde] heeft het bankrekeningnummer van de maatschap op de facturen voor het boek ‘[boek A]’ gewijzigd in het bankrekeningnummer van haar eenmanszaak ‘Uitgeverij [Z]’.

2.13. Op 2 november 2012 heeft [gedaagde] een bedrag van € 33.973,- van de bankrekening van de maatschap overgemaakt naar het rekeningnummer [11111] van Uitgeverij [Z] met als omschrijving ‘Uitgeverij [Z] overboeking voor betaling drukker voor de 3e druk’.

2.14. Op 4 oktober 2012 heeft [gedaagde] een bedrag van € 570,58 van de bankrekening van de maatschap overgemaakt naar het rekeningnummer van [X]Media met als omschrijving ‘factuur 20127697 tbv flyers [het boek]’.

2.15. Op 14 september 2012 heeft [gedaagde] een bedrag van € 2.520,- van de bankrekening van de maatschap overgemaakt naar het rekeningnummer van de heer [.] [betrokkene I], de zoon van [gedaagde], met omschrijving ‘maken van 63 foto’s voor de 1e en 2e druk a 40,-’.

2.16. Op 20 september 2012 heeft [gedaagde] een bedrag van € 2.520,- van de bankrekening van de maatschap overgemaakt naar het rekeningnummer van Rejuvenal Europ BV met omschrijving ‘Kosten televisie opname en uitzending SBS 6 volgens overeenkomst met [betrokkene C]’.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiseres] vordert dat Stigt, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld:

I. om binnen 5 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis de toegangsgegevens van de e-mailaccount van de maatschap aan [eiseres] te verschaffen en deze niet te wijzigen zonder toestemming van [eiseres], onder verbeurte van een dwangsom van EUR 200,- per overtreding c.q. per dag c.q. per dagdeel dat de overtreding voortduurt met een maximum van EUR 15.000,-;

II. om binnen 5 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis de toegangsgegevens van de maatschap voor het portal van de Vrije Uitgevers en het portal van het Centraal Boekhuis aan [eiseres] te verschaffen en deze niet te wijzigen zonder toestemming van [eiseres], onder verbeurte van een dwangsom van EUR 200,- per overtreding c.q. per dag c.q. per dagdeel dat de overtreding voortduurt met een maximum van EUR 15.000,-;

III. binnen 2 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis [eiseres] weer toegang te geven tot het boekhoudprogramma van de maatschap alsmede deze toegang niet meer te belemmeren, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 200,- per overtreding c.q. per dag c.q. per dagdeel dat de overtreding voortduurt met een maximum van EUR 15.000,-;

IV. de bevoegdheidsafspraken zoals vervat in artikelen 9 en 10 van de maatschapsovereenkomst na te komen, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 500,- per overtreding c.q. per dag c.q. per dagdeel dat de overtreding voortduurt met een maximum van EUR 25.000,-;

V. om binnen 20 dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis een bedrag van EUR 21.077,08, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, terug te betalen op de maatschapsrekening, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 200,- per dag c.q. per dagdeel dat [gedaagde] in gebreke mocht blijven om aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van EUR 25.000,-;

VI. om zonder toestemming van [eiseres] geen reclamemateriaal op te nemen in de uitgave van ‘[boek A]’, danwel andere documenten daarin te voegen waarvoor [eiseres] niet haar uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 200,- per overtreding per boek c.q. per dag c.q. per dagdeel dat de overtreding voortduurt met een maximum van EUR 15.000,-;

VII. om binnen 5 dagen na dagtekening van het ten dezen te wijzen vonnis schriftelijk aan [eiseres] rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot de op het bankrekeningnummer van de eenmanszaak van [gedaagde] binnengekomen gelden die toebehoren aan de maatschap en het saldo (verschil tussen deze inkomsten en met toestemming van [eiseres] verrichte uitgaven) op de maatschapsrekening te storten, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 200,- per dag c.q. per dagdeel dat [gedaagde] in gebreke mocht blijven om aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van EUR 15.000,-;

VIII. per direct te staken en gestaakt te houden van het zonder toestemming van [eiseres] vermelden van een ander bankrekeningnummer op de facturen van de maatschap dan het maatschapsrekeningnummer, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 200,- per overtreding c.q. per dag c.q. per dagdeel dat aan deze veroordeling niet wordt voldaan met een maximum van EUR 15.000,-

IX. in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [eiseres] te veroordelen om aan [gedaagde] bij wijze van voorschot voor de duur van de procedure in de bodemzaak, een bedrag te betalen, conform mondeling en aan de hand van stukken uit de bodemprocedure onderbouwd, (zulks binnen 2 dagen na vonnis in deze) 40.000,- euro (50% daarvan) (gemeenschapsaandeel) = € 20.000,-, opgebouwd uit:

A. € 20.000,- voor netto 1000 minimaal door [gedaagde] extra gewerkte uren voor de maatschap in 2012, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen redelijk ander voorschot;

B. € 20.000,- wegens totale minderomzet in 2012 in de eigen praktijk ten opzichte van genormaliseerde omzetontwikkeling volgens opgaaf van de accountant (onder overlegging van een dergelijke officiële verklaring, gelijktijdig dan wel voorafgaand.

[eiseres] te veroordelen in de proceskosten in reconventie

4.2. [eiseres] voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. [gedaagde] heeft zich beroepen op artikel 16 van de maatschapsovereenkomst, waarin partijen zijn overeengekomen dat geschillen die uit de maatschapsovereenkomst zouden mogen voortvloeien, zullen worden beslecht door een viertal scheidslieden en heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is van dit geschil kennis te nemen. De voorzieningenrechter acht zich op grond van artikel 1022 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd van deze vordering kennis te nemen. De partijen zijn overigens niet expliciet overeengekomen dat het scheidsgerecht bevoegdheid heeft om binnen de grenzen van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vonnis te wijzen en [eiseres] heeft betwist dat partijen dit met artikel 16 van de maatschapsovereenkomst hebben beoogd te regelen. Voor een verwijzing naar een arbitraal kort geding bestaat dus geen grond.

5.2. Het spoedeisend belang van de vorderingen I tot en met IV en VI tot en met VIII vloeit voort uit de stellingen van [eiseres].

5.3. In de verdere beoordeling staat voorop dat een maatschap een overeenkomst is tot samenwerking van twee of meer personen die is gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel van alle vennoten door middel van inbreng van iedere vennoot. De vennoten zijn daarbij verplicht tot samenwerking en moeten zich tegenover elkaar gedragen zoals een goed vennoot betaamt. Verder kan worden vastgesteld dat de maatschapsovereenkomst door geen van beide partijen is opgezegd en ook niet in onderling overleg is beëindigd. Op 7 januari 2013, dus twee dagen voor de behandeling van het onderhavige kort geding, heeft [gedaagde] [eiseres] gedagvaard voor een bodemprocedure bij de rechtbank Alkmaar, waarin zij vordert dat de rechtbank de maatschapsovereenkomst ontbindt en bepaalt dat [gedaagde] bevoegd is de activiteiten van de maatschap voort te zetten. Zelfs als die vordering zou worden toegewezen, dan zou dat in beginsel leiden tot ontbinding op het moment van de uitspraak door die rechtbank. Het uitgangspunt in dit kort geding is dus dat de partijen in beginsel nog zijn gebonden aan de maatschapsovereenkomst. Met inachtneming van dit uitgangspunt wordt over de verschillende vorderingen als volgt geoordeeld.

Vordering IV: nakoming bevoegdheidsafspraken in artikel 9 en 10 van de maatschapsovereenkomst

5.4. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] zich besluiteloos en incompetent toonde en ontwijkingsgedrag vertoonde, waardoor een onwerkbare situatie was ontstaan. Daar kwam bij dat [eiseres] volgens [gedaagde] 120 boeken heeft achtergehouden. Daarmee was voor [gedaagde] de maat vol. Zij heeft bij email van 2 november 2012 aan [eiseres] geschreven dat zij – [gedaagde] – de volledige verantwoordelijkheid en beslissingsbevoegdheid op zich zou nemen voor de maatschap, dat zij alleen, zonder [eiseres], de bedrijfsvoering zou doen en dat zij de autorisaties van [eiseres] intrekt. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat zij op grond van een vorm van zaakwaarneming vervolgens het roer van de maatschap heeft overgenomen.

5.5. Hierover wordt als volgt overwogen. Partijen verschilden van mening over welke uitgeverij de derde druk van het boek ‘[Z] [.]’ zou uitgeven. [gedaagde] wilde dat graag via haar eigen nieuw op te zetten uitgeverij ‘Uitgeverij [Z]’ doen en [eiseres] via een externe uitgeverij. Ook was er een meningsverschil over de te werken uren in de maatschap, wie welke werkzaamheden zou doen en over de rol van de partner van [gedaagde] in de maatschap en zijn vergoeding daarvoor. Partijen waren over deze punten nog in onderhandeling. Per e-mail van 26 oktober 2012 heeft de partner van [gedaagde] een aantal voorstellen aan [eiseres] gedaan. Bij e-mail van 29 oktober 2012 heeft [eiseres] geantwoord dat ze nog even over deze voorstellen wilde nadenken, mede omdat haar zoon op vakantie was en ze een en ander met hem wilde bespreken. Bij e-mail van 2 november 2012 heeft [gedaagde] meegedeeld dat zij erachter is gekomen dat [eiseres] nog 120 boeken thuis heeft, dat zij geen vertrouwen in [eiseres] heeft, dat voor haar de maat vol is, dat zij de maatschap niet opzegt maar dat zij in haar eentje de bedrijfsvoering van de maatschap en alles wat daar bij hoort op zich zal nemen en alle autorisaties van [eiseres] zal intrekken.

5.6. Vooropgesteld zij dat uit deze omstandigheden blijkt, en dat [gedaagde] dat ook had moeten begrijpen, dat [eiseres] er niet mee akkoord was dat [gedaagde] de bedrijfsvoering alleen zou gaan voeren en alle autorisaties van [eiseres] zou intrekken. Dat heeft [eiseres] bij email van 3 november 2012 ook aan [gedaagde] medegedeeld. Aan de voorwaarden voor zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:198 BW is daarom niet voldaan. Belangenbehartiging tegen de wil van degene wiens belang wordt behartigd, kan niet gelden als zaakwaarneming in de zin der wet, behoudens uitzonderlijke omstandigheden die zich in deze zaak niet voordoen. Van een noodsituatie van de maatschap waarin direct gehandeld moest worden, is niet gebleken. De omstandigheid dat [eiseres], zoals [gedaagde] stelt, door de handelwijze van [gedaagde] alleen maar bevoordeeld is omdat hierdoor de derde druk van het boek snel is verschenen, de verkoop daarvan goed gaat en inkomen voor de maatschap genereert, doet daar niet aan af. Ook al zou dit handelen van [gedaagde] [eiseres] materiële voordelen opleveren, toch kan van zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 BW geen sprake kan zijn omdat daartoe geen redelijke grond bestond.

Het lijkt er echter op dat [gedaagde] met het begrip ‘zaakwaarneming’ op een ruimer begrip doelt dan zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 BW. Zij lijkt daarmee (ook) te bedoelen dat zij de ‘zaak’ in de zin van ‘het bedrijf’ waarneemt. Dat kan, gezien de maatschapsovereenkomst, echter alleen als daar een grondslag voor bestaat. [gedaagde] kan niet eenzijdig bepalen dat zij voortaan alleen de exploitatie van het boek zal verrichten, behoudens wellicht uitzonderlijke omstandigheden. De omstandigheden die [gedaagde] naar voren heeft gebracht, zijn naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende zwaarwegend. Nu de maatschapsovereenkomst niet is opgezegd en ook nog niet is ontbonden zal de voorzieningenrechter de vordering van [eiseres] tot nakoming van de bevoegdheidsafspraken zoals vervat in artikel 9 en 10 van de maatschapsovereenkomst, dan ook toewijzen.

De vorderingen I tot en met III: toegang tot e-mailaccount maatschap, portal Vrije Uitgevers, portal Centraal Boekhuis en boekhoudprogramma

5.7. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij geen toegang meer tot het e-mailadres van de maatschap wil verlenen omdat dat e-mailadres ook wordt gebruikt ten behoeve van haar eenmanszaak ‘Uitgeverij [Z]’. Hetzelfde geldt voor de portal van de Vrije Uitgevers en het Centraal Boekhuis en de toegang tot het boekhoudprogramma, [eiseres] zou dan volgens [gedaagde] ook inzage krijgen in haar privé e-mail, informatie over ‘Uitgeverij [Z]’ en inzage hebben in de verkoopcijfers van haar eigen boek ‘[Z] het jaar rond’. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Zolang de maatschap nog in stand is, heeft [eiseres] er als beherend vennoot recht op en belang bij toegang te hebben tot de e-mailaccount van de maatschap. Datzelfde geldt voor de toegangsgegevens van de maatschap van de portal van de Vrije Uitgevers en het Centraal Boekhuis en de toegang tot het boekhoudprogramma van de maatschap. [eiseres] moet immers kunnen zien hoe de maatschap reilt en zeilt en moet ook goed geïnformeerd kunnen meebeslissen over aangelegenheden die de maatschap aangaan. Met het belang van [gedaagde] om haar privégegevens te waarborgen zal geen rekening worden gehouden nu [gedaagde] deze situatie zelf in het leven heeft geroepen door de e-mailaccount en de accounts van de Vrije Uitgevers en het Centraal Boekhuis van de maatschap te gaan gebruiken voor haar uitgeverij en eigen boek, dan wel te koppelen aan het verkoopbestand in de boekhouding van de maatschap. Deze vorderingen van [eiseres] zullen dan ook worden toegewezen. De termijn waarbinnen [gedaagde] [eiseres] weer toegang moet geven tot het boekhoudprogramma zal op vijf dagen worden gesteld, net als bij de overige vorderingen.

Vordering V: betaling van € 21.077,08, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag.

5.8. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. [eiseres] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gesteld omtrent de spoedeisendheid van dit onderdeel van de vordering, daarom wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen.

Vordering VI: het zonder toestemming geen reclamemateriaal opnemen in de uitgave van ‘[boek A]’

5.9. Volgens [gedaagde] doet zij de maatschap geen concurrentie aan door flyers die haar eigen boek ‘[Z] het jaar rond’ promoten, op te nemen in de verkochte boeken van ‘[Z] het jaar rond’. [gedaagde] voert daartoe aan dat de boeken complementair zijn en niet concurrerend, omdat zij een andere opzet en doelgroep hebben. Wat daar ook van zij, zolang partijen op dit punt geen overeenstemming hebben bereikt, dient [gedaagde] zonder toestemming van [eiseres] geen reclamemateriaal in de uitgave van ‘[boek A]’ op te nemen. De vordering is dus toewijsbaar.

Vordering VII: binnen 5 dagen rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot de op het bankrekeningnummer van de eenmanszaak van [gedaagde] binnengekomen gelden die toebehoren aan de maatschap en het saldo (verschil tussen deze inkomsten en met toestemming van [eiseres] verrichte uitgaven) op de maatschapsrekening te storten

5.10. Nu ter zitting is komen vast te staan dat inderdaad gelden die voor de maatschap bestemd zijn, zonder toestemming van [eiseres] zijn binnengekomen op het bankrekeningnummer van de eenmanszaak van [gedaagde] en [gedaagde] ter zitting heeft toegelicht dat zij deze gelden vanwege het ontstane conflict met [eiseres] ook niet heeft doorgestort naar de bankrekening van de maatschap, zal ook deze vordering worden toegewezen, met dien verstande dat het verschil tussen de inkomsten ten bate van de maatschap en uitgaven ten behoeve van de maatschap op de maatschapsrekening dient te worden gestort, ongeacht of de uitgaven met of zonder toestemming van [eiseres] zijn gedaan. Het is thans onduidelijk of er tot de datum van dit vonnis (afgezien van de bedragen waarop de vordering onder V ziet) uitgaven zijn gedaan zonder toestemming van [eiseres] en zo ja welke, terwijl de voorzieningenrechter geen reden ziet om in dit kort geding te beslissen over de vraag welke rechtsgevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat [eiseres] geen toestemming heeft gegeven. Daarom zal worden bepaald dat het positieve saldo van de rekening en verantwoording op de maatschapsrekening dient te worden gestort. De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding om de termijn waarbinnen rekening en verantwoording moet worden afgelegd en het saldo op de rekening van de maatschap dient te zijn gestort, te bepalen op 14 dagen na betekening van dit vonnis.

Vordering VIII: te staken en gestaakt te houden van het zonder toestemming van [eiseres] vermelden van een ander bankrekeningnummer op de facturen van de maatschap dan het maatschapsrekeningnummer

5.11. Ook deze vordering zal worden toegewezen nu [eiseres] geen toestemming heeft gegeven om de betalingen via de eenmanszaak van [gedaagde] te laten lopen en voorts is niet gebleken van zwaarwichtige redenen die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

5.12. De gevorderde dwangsommen zullen worden beperkt als hierna te melden.

5.13. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 95,92

- griffierecht 821,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.732,92

6. De beoordeling in reconventie

6.1. Ook hier overweegt de voorzieningenrechter dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gesteld omtrent de spoedeisendheid van de vordering, daarom wordt de vordering afgewezen.

6.2. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00) wegens salaris advocaat.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis de toegangsgegevens van de e-mailaccount van de maatschap aan [eiseres] te verschaffen en deze niet te wijzigen zonder toestemming van [eiseres], onder verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze hoofdveroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,00,

7.2. veroordeelt [gedaagde] om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis de toegangsgegevens van de maatschap voor het portal van de Vrije Uitgevers en het portal van het Centraal Boekhuis aan [eiseres] te verschaffen en deze niet te wijzigen zonder toestemming van [eiseres], onder verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze hoofdveroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,00,

7.3. veroordeelt [gedaagde] om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis [eiseres] weer toegang te geen tot het boekhoudprogramma van de maatschap alsmede deze toegang niet meer te belemmeren, onder verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze hoofdveroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,00,

7.4. veroordeelt [gedaagde] om de bevoegdheidsafspraken zoals vervat in de artikelen 9 en 10 van de maatschapsovereenkomst na te komen, onder verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per overtreding, met een maximum van € 25.000,00,

7.5. veroordeelt [gedaagde] om zonder toestemming van [eiseres] geen reclamemateriaal op te nemen in de uitgave van ‘[boek A]’, danwel andere documenten daarin te voegen waarvoor [eiseres] niet haar uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven, onder verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per overtreding per boek, met een maximum van € 5.000,00,

7.6. veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis schriftelijk aan [eiseres] rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot de op het bankrekeningnummer van de eenmanszaak van [gedaagde] binnengekomen gelden die toebehoren aan de maatschap en het saldo (verschil tussen deze inkomsten en de uitgaven ten behoeve van de maatschap) op de maatschapsrekening te storten, onder verbeurte van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze hoofdveroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,00,

7.7. gebiedt [gedaagde] het zonder toestemming van [eiseres] vermelden van een ander bankrekeningnummer op de facturen van de maatschap dan het maatschapsrekeningnummer per direct te staken en gestaakt te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per overtreding, met een maximum van € 5.000,00.

7.8. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.732,92,

7.9. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.10. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.11. wijst de vorderingen af,

7.12. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 408,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.

Coll. MBR