Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0940

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
638199 VV 12-106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Kort geding. Vordering tot doorbetaling van loon na ontslag op staande voet. Verwerping verweer dat werknemer de verkeerde vennootschap als werkgever heeft gedagvaard, waarbij onder meer is betrokken het gegeven dat het ontslag is gegeven onder gebruikmaking van het briefpapier van de gedagvaarde vennootschap. Samengestelde dringende reden, waarvan al één verweten feitelijkheid onvoldoende gewicht heeft om als dringende reden te worden aangemerkt. In dit geval is niet aannemelijk dat het overige voldoet aan de voor een samengestelde dringende reden te stellen eisen als bedoeld in HR 1 september 2006, JAR 2006, 228. Volgt toewijzing van het gevorderde loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer : 638199 VV 12-106

datum : 23 januari 2013

Vonnis in het kort geding van:

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eisende partij, hierna te noemen: ‘[eiser]’,

gemachtigde mr. A.F.R. Avis, verbonden aan SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

tegen

de besloten vennootschap [GEDAAGDE],

gevestigd en kantoorhoudende te [plaats],

gedaagde partij, hierna te noemen: ‘[gedaagde]’

procederend bij haar directeur, de heer [naam].

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 28 december 2012 met bijlagen houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 januari 2013. Verschenen zijn:

- [eiser], bijgestaan door mr. Avis voormeld, en

- namens [gedaagde] de heer [naam] voormeld.

[Eiser] en [gedaagde] hebben op deze zitting hun standpunten doen toelichten respectievelijk toegelicht en geantwoord op vragen van de kantonrechter.

Het geschil

De vordering van [eiser] strekt ertoe dat [gedaagde] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van:

a. € 2.275,45 bruto per maand vanaf 1 november 2012, onder afgifte van een loonstrook, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

b. de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige loon;

c. de wettelijke rente vanaf de verschuldigdheid daarvan;

d. € 341,25 aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

onder veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

[Gedaagde] heeft de vordering bestreden en de afwijzing daarvan bepleit.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.

a. [Eiser], geboren op [geboortedatum], is per 1 oktober 2008 in dienst getreden bij de besloten vennootschap [gedaagde] in de functie van monteur verlichting. Op de arbeidsovereenkomst is toepasselijk de CAO voor het Technisch Installatiebedrijf. Het laatst door hem verdiende loon bedraagt € 2.275,45 bruto per maand exclusief bijkomende vergoedingen.

b. Per brief van 22 november 2012 is op briefpapier van [gedaagde] het volgende aan [eiser] medegedeeld:

‘Hiermee bevestigen wij het onderhoud dat wij hedenmiddag met u hadden. Hierbij is vastgesteld dat u een opdracht van uw leidingegevende, de heer [naam], niet heeft opgevolgd.

U verklaarde telefonisch tegenover uw leidinggevende dat u er ‘helemaal klaar mee bent’.

Daarnaast heeft u het bedrijf [gedaagde] verlaten zonder u leidinggevende hiervan op de hoogte te stellen.

Deze gedragingen en feiten vormen voor ons dringende redenen voor ontslag op staande voet. Wij beëindigen het dienstverband met u dan ook met onmiddellijke ingang.

Deze brief is ondertekend door [naam] namens ‘directie [gedaagde]’

c. Per brief van 3 december 2012 heeft [eiser] tegen het aan hem gegeven ontslag met onmiddellijke ingang doen protesteren en de nietigheid daarvan doen inroepen. Bij die brief heeft [eiser] zich beschikbaar gesteld voor het verrichten van arbeid en aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.

d. Per brief van 5 december 2012 is op briefpapier van [gedaagde] gereageerd op voormelde brief van 3 december 2012. In die brief is vermeld:

‘(…) Met uw verweer zijn wij het oneens. Dhr. [eiser] heeft zich onvoldoende van zijn taak gekweten.

In de historie hebben wij voldoende gegevens opgebouwd die dit ontslag op staande voet rechtvaardigen. Het laatste gesprek inzake zijn functioneren heeft dhr. [eiser] zelf afgebroken en is zonder opgave van reden vertrokken. Als werkgever is er voldoende geïnvesteerd teneinde een beter resultaat te bewerkstelligen. Dhr. [eiser] heeft d.m.v. deze actie te kennen gegeven niet open te staan voor kritiek en/of verandering. Ook geeft dhr. [eiser] er blijk van geen opdrachten van zijn leidinggevende te accepteren.

Door deze houding is er door dhr. [eiser] een onwerkbare situatie gecreëerd en is een vertrouwensbreuk ontstaan. [Gedaagde] moet vaststellen dat er geen ziekmelding van dhr. [eiser] is binnengekomen. Dhr. [eiser] heeft kennelijk zelf contact gelegd met de bedrijfsarts. De procedure binnen [gedaagde] is dat de werknemer zich ziek meldt bij zijn /haar leidinggevende. In deze dhr. [naam]. Ook hier heeft dhr. [eiser] zich niet gehouden.

[Gedaagde] is van mening dat er om bovengenoemde redenen terecht een ontslag op staande voet is gedaan.’

Deze brief is ondertekend namens ‘directie [gedaagde]’.

e. Op de salarisstroken van [eiser] tot en met oktober 2012 is de besloten vennootschap [gedaagde] als werkgever vermeld.

De standpunten van partijen

Op wat [eiser] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd en [gedaagde] in reactie daarop heeft aangevoerd, zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan.

De beoordeling

1.

Wat betreft de ontvankelijkheid van de vordering geldt het volgende.

1.1

Het is voldoende aannemelijk dat aan de vordering van [eiser] een spoedeisend belang moet worden toegekend.

1.2

Anders dan door [gedaagde] is aangevoerd, is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] haar ten onrechte als zijn werkgever aanmerkt en in rechte heeft betrokken. Onomstreden is dat [eiser] in dienst is getreden bij de besloten vennootschap [gedaagde]. Dat die vennootschap per 1 oktober 2012 haar statutaire naam heeft gewijzigd in [naam bedrijf] en haar zetel heeft verplaatst naar [plaats], zoals uiteen is gezet, is niet gebleken, in ieder geval niet uit het ter zitting getoonde uittreksel uit het handelsregister. Ter zitting is voorts gesteld dat [gedaagde] haar activiteiten opnieuw heeft gestructureerd en dat in dat kader haar (commerciële) activiteiten op het gebied van ‘licht’ zijn ondergebracht in [gedaagde]. Dat daarbij haar werknemers, waaronder [eiser], zijn achtergebleven in [gedaagde]/ [naam bedrijf] is echter niet gebleken en staat voorts op gespannen voet met het vaststaande feit dat de brieven van 22 november 2012 en 5 december 2012 het briefhoofd hebben van [gedaagde] en haar gegevens vermelden en op geen enkele wijze de indruk wekken geschreven te zijn voor [naam bedrijf]. Er dient dan ook vanuit te worden gegaan dat [eiser] door [gedaagde] is ontslagen. De kantonrechter neemt dan ook vooralsnog tot uitgangspunt dat [eiser] met [gedaagde] zijn werkgever heeft gedagvaard.

1.3

[Eiser] kan daardoor in zijn vordering worden ontvangen.

2.

Kern van het geschil tussen partijen is het antwoord op de vraag of de dringende reden, die [gedaagde] ten grondslag heeft gelegd aan het aan [eiser] met onmiddellijke ingang verleende ontslag van 22 november 2012, in een eventueel aan te spannen bodemprocedure stand zal houden en of [gedaagde] dientengevolge aan [eiser] salaris dient door te betalen.

3.

De kantonrechter stelt voorop dat, wil een beroep op een ontslag op staande voet slagen, er (onder meer) voldaan moet worden aan de eisen van het aanwezig zijn van een reden die, gegeven de omstandigheden, zowel objectief als subjectief voldoende dringend is om een ontslag met onmiddellijke ingang te rechtvaardigen. Het is daarbij aan de partij die zich op een dringende reden beroept om bij betwisting te bewijzen dat er een dringende reden is en dat aan de vereisten voor een beroep daarop is voldaan.

4.

Daarbij moet, wat betreft de tussen partijen in geschil zijnde feiten, voorts voorop worden gesteld dat, gelet op de aard van deze procedure, voor een verhoor van getuigen, al dan niet op basis van artikel 186 e.v. Rv, en/of voor een onderzoek door een door de kantonrechter benoemde deskundige in deze procedure geen plaats is. De kantonrechter kan het geschil dan ook slechts beoordelen aan de hand van de feiten die naar zijn oordeel op basis van de voorliggende stukken en wat daarover ter zitting is aangevoerd, in voldoende mate aannemelijk zijn geworden.

5.

Tegen de achtergrond van het voorgaande beantwoordt de kantonrechter de hiervoor onder punt 2. weergegeven vraag ontkennend. Daartoe dient het volgende.

5.1.

Anders dan [gedaagde] kennelijk met haar brief van 5 december 2012 voor ogen heeft gehad, kunnen eerdere gedragingen van [eiser] waarmee [gedaagde] stelt op 22 november 2012 rekening te hebben gehouden bij haar beslissing om [eiser] met onmiddellijke ingang te ontslaan niet meetellen bij de beoordeling van de gegrondheid van dat ontslag. Die eerdere gedragingen hadden dan tegelijk met de opzegging genoemd moet worden als mede redengevend dan wel [eiser] had zulks moeten begrijpen (zie het arrest van de Hoge Raad van 12 december 1986, NJ 1987, 905). In de brief van 22 november 2012 worden de door [gedaagde] nadien aangehaalde feitelijkheden niet genoemd. [Gedaagde] heeft daarnaast geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan blijken dat [eiser] had moeten begrijpen dat die in de brief van 5 december 2012 genoemde feitelijkheden op 22 november 2012 hebben meegewogen bij de beslissing van [gedaagde] tot ontslagverlening met onmiddellijke ingang. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de ontslaggrond met de inhoud van de brief van 22 november 2012 is gefixeerd.

5.2

Uit de brief van 22 november 2012 blijkt dat [gedaagde] drie redenen zag om [eiser] te ontslaan, te weten het niet opvolgen van een opdracht, het door [eiser] verklaren dat hij ‘er helemaal klaar mee was’ en het door [eiser] zonder toestemming verlaten van het bedrijf van [gedaagde]. Het gaat in dit geval dan om een zogenaamde ‘samengestelde dringende reden’. Dit betekent dat alle afzonderlijke verwijten dienen komen vast te staan, wil geoordeeld kunnen worden dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven.

5.3

Ook indien juist zou zijn, zoals [gedaagde] stelt, dat [eiser] kennelijk in de discussie over het al dan niet (juist) uitgevoerd hebben van de opgedragen werkzaamheden tegenover zijn leidinggevende zou hebben uitgesproken dat hij - [eiser] - ‘er helemaal klaar mee was’, levert geen grovelijke belediging of ernstige bedreiging op in de zin van artikel 7:678 lid 2, aanhef en sub e. BW en is van onvoldoende gewicht om anderszins als dringende reden te worden aangemerkt.

5.4

Gelet op het voorgaande dient er vooralsnog vanuit te worden gegaan dat ten minste één gedeelte van de opgegeven redenen voor het ontslag op staande voet - namelijk het verklaren dat hij ‘er helemaal klaar mee was’ - niet aannemelijk is geworden, in die zin dat zij niet kan worden aangemerkt als een dringende reden. De vraag moet dan worden beantwoord of het gedeelte dat mogelijk wel kan komen vast te staan op zichzelf kan leiden tot het oordeel dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven.

5.5

Op grond van vaste rechtspraak omtrent de 'samengestelde dringende reden' zal het ontslag ondanks een niet komen vaststaan van een gedeelte van het aan het ontslag op staande voet ten grondslag liggende feitencomplex kunnen gelden als te zijn verleend om een dringende, onverwijld medegedeelde reden, indien a) het vorenbedoeld gedeelte op zich zelf beschouwd wel kan gelden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, b) de werkgever heeft gesteld en ook aannemelijk is, dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen, indien hij - anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende - daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en c) dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest (zie HR 1 september 2006, JAR 2006, 228 en HR 16 juni 2006, JAR 2006, 171).

[Gedaagde] heeft op geen enkele wijze gesteld dat aan deze - cumulatieve - vereisten ten aanzien van het overige gedeelte van het feitencomplex is voldaan. Het kantonrechter zal er daarom van uitgaan dat aan deze vereisten niet is voldaan.

Dit betekent dat in het kader van dit kort geding niet hoeft te worden besproken of [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan werkweigering en/of aan ongeoorloofd verzuim, zoals [gedaagde] heeft gesteld en [eiser] gemotiveerd heeft bestreden.

6.

Uit het voorgaande volgt dat er vooralsnog vanuit moet worden gegaan dat het ontslag op staande voet in een bodemprocedure geen stand zal houden en dat [gedaagde] om die reden gehouden is om na 22 november 2012 het loon aan [eiser] door te betalen.

7.

Wat betreft de omvang van de loonbetalingsverplichting geldt dat die door [eiser] is gesteld op een bedrag van € 2.275,45 bruto per maand. Dit bedrag is niet weersproken. Het toe te wijzen loon zal dan ook op dat bedrag worden gebaseerd.

8.

[Gedaagde] heeft erkend dat zij het loon van [eiser] over de periode van 1 tot 22 november 2012 evenmin heeft betaald, zodat dat eveneens toewijsbaar is.

9.

De door [eiser] gevorderde afgifte van een loonstrook voor iedere periodieke (loon)betaling is eveneens voor toewijzing vatbaar.

10.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is onvoldoende zeker dat in de bodem-procedure een wettelijke verhoging over de achterstallige loonbedragen zal worden toegewezen met omvang als gevorderd. Dit deel van de vordering zal vooralsnog worden beperkt tot 10% van wat achterstallig is.

11.

De over de achterstallige loonbedragen gevorderde wettelijke rente is als niet afzonderlijk weersproken voor toewijzing vatbaar.

12.

Het voorgaande geldt eveneens voor de door [eiser] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ad € 341,25.

13.

Wellicht ten overvloede zij nog opgemerkt dat wat wordt toegewezen tot voorschot strekt op wat [gedaagde] in een eventuele hoofdzaak verschuldigd zal blijken.

14.

[Gedaagde] zal in de proceskosten worden veroordeeld als nader te melden.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen:

a. een bedrag van € 2.275,45 bruto per maand vanaf 1 november 2012 totdat de arbeidsovereenkomst zal zijn geëindigd;

b. een bedrag van € 227,55 bruto aan wettelijke verhoging voor ieder bedrag aan maandloon dat niet is betaald op de eerste dag van de maand volgend op die waarop dat maandloon betrekking heeft;

c. de wettelijke rente over ieder afzonderlijk bedrag vanaf de verschuldigdheid daarvan tot de dag van algehele voldoening;

d. een bedrag van € 341,25 aan vergoeding van buitengerechtelijke kosten;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

• € 400,00 voor salaris gemachtigde (2,0 punten × tarief € 200,00)

• € 101,12 voor explootkosten

• € 213,00 voor griffierecht;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 23 januari 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.