Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0937

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
230354
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:6485, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Centraal in het betoog van ML Investments staat dat de curator met een aantal handelingen een onomkeerbare frustratie van haar pandrecht zou hebben bewerkstelligd. Dit leidt tot vragen naar de toelaatbaarheid van het door de curatorgevoerde beleid, vooral waar het gaat om het aanvragen van het faillissement van Hama Rent.

De slotsom is dat de enige van de gewraakte beslissingen van de curator die werkelijk de waarde van de aandelen Hama Rent had kunnen beïnvloeden wanneer zij uitgevoerd werd, namelijk de beslissing tot het aanvragen van haar faillissement, toelaatbaar was, ook tegenover de pandhouder ML Investments, omdat zij binnen de beleidsvrijheid viel die de curator als curator toekwam. Dit betekent dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2013/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: 230354 / HA ZA 12-374

Vonnis van 30 januari 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ML INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Zevenaar,

eiseres,

advocaat mr. C.W. Reintjes te Duiven,

tegen

[curator]

(mede) in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

Body Control Concepts Holding B.V.,

kantoorhoudend te Nijmegen,

gedaagde,

advocaat mr. E.M. van Orsouw te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ML Investments en mr. [curator] genoemd worden. Body Control Concepts Holding B.V. zal als BCC Holding aangeduid worden, terwijl de letters BCC steeds voor Body Control Concepts gebruikt zullen worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 september 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 21 november 2012

- de akte van ML Investments

- de antwoordakte van mr. [curator].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Aandeelhouders en bestuurders van ML Investments zijn M.C.P. [betrokkene 1] en B.I. [betrokkene 2].

2.2. Hagebosch Beheer B.V. verkoopt en levert op 11 juni 2008 27 aandelen BCC Holding aan ML Investments voor € 225.000,00. De 27 aandelen vertegenwoordigen 15% van het aandelenkapitaal van BCC Holding. Hagebosch Beheer B.V. houdt de overige 85%.

2.3. BCC Holding houdt zich bezig met gewichtsverlies en -behoud via een franchiseorganisatie. Zij werkt via haar dochter Body Control Franchise B.V., die met de franchisenemers contracteert.

2.4. Op 20 januari 2009 richten Hagebosch Beheer B.V. en ML Investments Hama Rent B.V. (hierna: Hama Rent) op. Deze koopt apparaten in ten behoeve van de franchisenemers, die deze vervolgens huren. Elke oprichter neemt voor 50% in haar aandelenkapitaal deel. ML Investments wordt benoemd tot bestuurder van HAMA Rent.

2.5. Hagebosch Beheer B.V. en ML Investments dragen op 30 juni 2011 de aandelen Hama Rent aan BCC Holding over voor € 400.000,00. Ten aanzien van deze aan ML Investments te betalen koopprijs wordt tussen alle betrokkenen overeengekomen dat BCC Holding het desbetreffende bedrag verklaart schuldig te zijn aan ML Investments uit geldlening. Aflossing zal vanaf 1 augustus 2011 in zestig maandelijkse termijnen plaatsvinden. De aandelen Hama Rent worden aan ML Investments verpand tot zekerheid van haar vordering uit de koopovereenkomst op BCC Holding.

2.6. BCC Holding betaalt de eerste termijn van rente en aflossing, verschuldigd op 1 augustus 2011, niet en op 3 augustus 2011 stelt ML Investments BCC Holding ter zake in gebreke, waarbij wordt aangekondigd dat ingevolge de overeenkomst van 30 juni 2011 de geldlening in haar geheel opeisbaar is als BCC Holding niet binnen acht dagen haar verplichtingen nakomt.

2.7. BCC Holding wordt surseance van betaling verleend op 27 januari 2012 met benoeming van mr. [curator] tot bewindvoerder. Onder intrekking van de surséance verklaart de rechtbank te Arnhem bij beschikking van 3 februari 2012 BCC Holding failliet. Mr. [curator] wordt benoemd tot curator.

2.8. Mr. [curator] kondigt als curator direct aan dat hij overweegt de faillissementen van dochtervennootschappen van BCC Holding, waaronder Body Control Franchise B.V. en Hama Rent, aan te vragen omdat hun inkomsten wegvallen, terwijl zij wel verplichtingen hebben. Op dat moment is Hama Rent de enige dochter die over noemenswaardig actief beschikt, maar zij verkrijgt haar inkomsten hoofdzakelijk uit de huurcontracten met de franchisenemers. Bovendien wijst mr. [curator] erop dat de Body Control-groep mogelijk geconsolideerd afgewikkeld moet worden omdat vorderingen en schulden over en weer gebruikt zijn om schuldeisers te betalen; er is dus sprake van een groepsschuldenlast.

2.9. De advocaat van ML Investments richt zich in reactie hierop bij brief van 6 februari 2012 tot mr. [curator]. Hij wijst erop dat een faillissement van Hama Rent tot gevolg zal hebben dat de door BCC Holding aan ML Investments verpande aandelen voordat zij uitgewonnen kunnen worden, hun waarde verliezen, en schrijft onder meer:

Het feit dat u zich op het standpunt stelt dat Hama Rent de facto failliet is, kan tot geen andere conclusie leiden dan dat, gezien die overweging, de aandelen van Hama Rent B.V. niet of nauwelijks enige waarde hebben. Deze situatie zal alleen maar erger worden indien het faillissement van Body Control Franchise B.V. zou worden uitgelokt/uitgesproken.

U weet dat de aandelen Hama Rent aan mijn cliënte zijn verpand. Het uitlokken van het faillissement van Hama Rent door u betekent direct schade voor mijn cliënte, omdat zij de aandelen Hama Rent niet meer kan uitwinnen.

2.10. Bij mail van 6 februari 2012 wijst mr. [curator] de advocaat van ML Investments er op dat hij ‘“alles” nog in onderzoek heeft’, mogelijk de Body Control-groep geconsolideerd wil afwikkelen en niet uitsluit dat het vermogen van Hama Rent moet worden aangewend om de totale groeps-schuldenlast te delgen.

2.11. Mr. [curator] schrijft op 7 februari 2012 aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onder meer:

Omdat de contracten tussen HAMA Rent en de franchisenemers gekoppeld zijn aan de franchisecontracten, en deze laatste opgezegd kunnen worden als Body Control Franchise B.V. in staat van faillissement komt te verkeren (welk faillissement ik – als aandeelhouder – gezien het bovenstaande voornemens ben om zelf aan te vragen), staat gezien de onrust onder de franchisenemers vast dat zij, die de contracten met Body Control Franchise B.V. hebben opgezegd, ook de contracten met HAMA Rent B.V. zullen opzeggen als daartoe de mogelijkheid bestaat. Datzelfde zal hoogstwaarschijnlijk ook (gaan) gelden voor de franchisenemers die de contracten nog niet hebben opgezegd, nu zij geen gebruik meer kunnen maken van “de voordelen” van de franchisecontracten als Body Control Franchise B.V. in staat van faillissement komt te verkeren. Met andere woorden: Inkomsten bij HAMA Rent B.V. zullen er in de nabije toekomst niet meer zijn (voor zover ze er nu wel zijn), terwijl zij wel schulden heeft die zij uit haar liquide middelen niet kan betalen. daarmee staat vast dat ook zij verkeert in een toestand dat ze heeft opgehouden te betalen en dat het gerechtvaardigd is om haar faillissement aan te vragen.

Met betrekking tot dit laatste punt besef ik mij dat ik daardoor mogelijk M.L. Investments B.V. voor de voeten loop, nu zij een pandrecht stelt te hebben gekregen op de aandelen in HAMA Rent B.V. Nog los van het feit dat ik de rechtsgeldigheid van zowel het pandrecht als de hele aandelenverkoop moet onderzoeken (…) staat volgens mij zo goed als vast dat de inkomsten van HAMA Rent B.V. werden aangewend voor de betaling van zowel haar schulden als die van de andere Body Control-vennootschappen (…). (…) lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het faillissement van BCCH en de faillissementen van haar dochtervennootschappen (…) geconsolideerd afgewikkeld moeten worden, met als gevolg dat het te liquideren vermogen van de betreffende vennootschappen ten goede dient te komen aan alle schuldeisers (…).

2.12. In een bespreking op 9 februari 2012 wordt mr. [curator] namens ML Investments meegedeeld dat executie van de verpande aandelen wordt voorbereid.

2.13. Bij verzoekschrift van 10 februari 2012 vragen vijf dochters van BCC Holding, waaronder HAMA Rent, hun faillissement aan. Het verzoekschrift tot faillietverklaring luidt onder meer als volgt.

De curator heeft toestemming gekregen van de rechter-commissaris in het faillissement van BCC Holding om onderhavig verzoek in te dienen en de curator heeft op zijn beurt mr. C.F.H. Donners mondeling gevolmachtigd om onderhavig verzoek namens het bestuur van de vennootschappen te doen.

2.14. De faillissementen worden dezelfde dag uitgesproken. Een verzoek van ML Investments om de faillietverklaring achterwege te laten, wordt afgewezen.

2.15. De rechtbank beveelt eveneens op 10 februari 2012 in het faillissement van BCC Holding een afkoelingsperiode van twee maanden. Dit wordt niet aan ML Investments of haar advocaat meegedeeld.

2.16. Op 23 februari 2012 vernietigt de rechtbank in een verzetprocedure het faillissementsvonnis van 10 februari 2012. Zij overweegt onder meer dat er geen sprake was van een toestand van te hebben opgehouden te betalen. De eigen aangifte is bovendien niet door de daartoe bevoegde bestuurder gedaan. Voorts luidt het vonnis onder meer:

Het feit dat de curator de apparaten van Hama Rent noodzakelijk achtte voor de doorstart heeft kennelijk de doorslag gegeven voor zijn besluit die eigen aangifte met spoed door te zetten, hetgeen met zich brengt dat deze is gedaan met een ander doel dan waarvoor de eigen aangifte ex artikel 1 Fw dient (…). Sinds de eigen aangifte van Hama Rent zijn als gevolg van het faillissement van Body Control Franchise B.V. de franchiseovereenkomsten en daarmee ook de huurovereenkomsten kennelijk geëindigd, maar daarmee is nog niet gezegd dat de vennootschap niet meer levensvatbaar is.

2.17. Van deze uitspraak wordt hoger beroep ingesteld.

2.18. Op 24 februari 2012 verzoekt ML Investments de rechter-commissaris in het faillissement van BCC Holding verlof de verpande aandelen Hama Rent tegen betaling van € 5.000,00 aan haar te laten verblijven. De rechter commissaris wijst dit verzoek op 7 maart 2012 af.

2.19. Op 1 maart 2012 vindt een gesprek plaats tussen de rechter-commissaris, ML Investments en mr. [curator] over de vraag wat er met de aandelen Hama Rent moet gebeuren. Als vervolgens de notaris op 5 maart 2012 de tegen 9 maart 2012 voorgenomen executie bekend maakt, komt naar voren dat op 10 februari 2012 de afkoelingsperiode afgekondigd is.

2.20. Op 6 maart 2012 verzoekt ML Investments de rechter-commissaris in het faillissement van BCC Holding een machtiging om haar pandrecht uit te oefenen en de aandelen te veilen. De rechter commissaris wijst dit verzoek op 7 maart 2012 af.

2.21. Het hof te Arnhem verwerpt het hoger beroep tegen het vonnis van 23 februari 2012 bij arrest van 23 maart 2012 in zaak 200.102.930 (LJN:BW3806). Het hof overweegt onder meer dat mr. [curator] als curator van BCC Holding niet bevoegd was namens Hama Rent aangifte van haar eigen faillissement te doen. Er is geen beroep in cassatie ingesteld.

2.22. De aandelen Hama Rent brengen bij executoriale verkoop op 5 april 2012 € 7,50 op.

3. Het geschil

3.1. ML Investments vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat mr. [curator] ten aanzien van haar onrechtmatig heeft gehandeld en veroordeling om aan ML Investments te voldoen de door haar geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2. ML Investments stelt dat mr. [curator] met het aanvragen van het faillissement van Hama Rent althans met het verzoek een afkoelingsperiode af te kondigen een onomkeerbare frustratie van haar pandrecht heeft bewerkstelligd, althans de levensvatbaarheid van de onderneming van Hama Rent en daarmee de waarde van haar aandelen – en dus van de zekerheid voor pandhouder ML Investments – negatief heeft beïnvloed.

De mr. [curator] verweten handelingen zijn, samengevat, het (laten) afkondigen van een afkoelingsperiode en het niet meedelen daarvan, het aanvragen van Hama Rents faillissement, het (laten) instellen van hoger beroep en de wijze van corresponderen met de salonhouders. Bij dit laatste zou mr. [curator] de salonhouders hebben aangeboden de apparatuur voor een zacht prijsje over te nemen. ML Investments stelt schade te hebben geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van mr. [curator].

3.3. Mr. [curator] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank, voor zover van belang, nader ingaan.

4. De beoordeling

4.1. Centraal in het betoog van ML Investments staat dat mr. [curator] met een aantal handelingen een onomkeerbare frustratie van haar pandrecht zou hebben bewerkstelligd. Dit leidt tot vragen naar de toelaatbaarheid van het door mr. [curator] gevoerde beleid, vooral waar het gaat om het aanvragen van het faillissement van Hama Rent.

4.2. De curator geniet de nodige vrijheid: hij dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. De norm van het Maclou-arrest (HR 19 april 1996, NJ 1996/727, m.nt. WMK), die hier moet worden toegepast, ziet op de persoonlijke aansprakelijkheid van de curator wegens een onjuiste taakuitoefening in een geval waarin de hier bedoelde vrijheid voor hem bestond. Bij de toepassing van deze norm heeft de rechter de vraag te beantwoorden of, uitgaande van bedoelde vrijheid, een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij deze toetsing past, zoals uit de norm van het arrest naar haar aard volgt, terughoudendheid. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is immers vereist dat de curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen. Daarvoor is vereist dat hij gehandeld heeft terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien.

4.3. De rechtbank heeft op 23 februari 2012 overwogen dat er geen sprake was van een toestand waarin Hama Rent had opgehouden te betalen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat mr. [curator], gezien het gemotiveerde verweer dat ML Investments op dit punt had gevoerd, onvoldoende heeft aangevoerd om zijn stelling te onderbouwen dat met het faillissement van Hama Rent – nog daargelaten of op dit moment reeds sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen – vermogensrechtelijke belangen van de boedel worden gediend.

4.4. De vraag in de onderhavige zaak is echter of mr. [curator] gelet op het Maclou-criterium en de noodzaak terughoudend te zijn bij de toepassing daarvan, een persoonlijk verwijt valt te maken van zijn besluit met spoed te trachten tot het faillissement van Hama Rent te komen. Hierbij weegt mee dat de behandeling van een faillissementsaanvraag onrust veroorzaakt die de waarde van de aandelen van de vennootschap wier faillissement wordt aangevraagd, ernstig kan beïnvloeden.

4.5. De rechtbank acht het gelet op dit criterium en deze omstandigheden, niet onzorgvuldig dat mr. [curator] het faillissement van Hama Rent wilde aanvragen met het uiteindelijke doel de apparaten binnen het concern te kunnen verkopen. De rechtbank acht dit toelaatbaar – mits mr. [curator] er ook vanuit mocht gaan dat Hama Rent verkeerde in een toestand waarin zij had opgehouden te betalen, waarop de rechtbank hieronder ingaat –, mede gelet op de aan de curator direct bij zijn aantreden gebleken verstrengeldheid van de vennootschappen die binnen BCC-verband actief waren. In het kader van de afwikkeling van de faillissementen binnen het concern was het genoemde doel als zodanig valide. Uit de aard der zaak eiste de situatie voortvarend optreden van de curator.

4.6. Wat betreft de vraag of het pandrecht door het streven naar een faillissement van Hama Rent zijn waarde heeft verloren danwel eerder – vrijwel – waardeloos was geworden, stelt mr. [curator] uitdrukkelijk dat hij en zijn kantoorgenoot Donners op 30 januari 2012 een gesprek hebben gehad met de heer en mevrouw [betrokkene 1] waarin de heer [betrokkene 1] zou hebben gezegd dat de administratie van Hama Rent geheel bijgewerkt was en dat de aandelen Hama Rent naar zijn mening niets meer waard waren. [betrokkene 1] zou er hooguit € 1.500,00 voor hebben willen geven ‘voor de moeite’. Noch ter comparitie noch in de akte na comparitie is weersproken dat deze mededeling tegenover mr. [curator] gedaan is.

4.7. Voorts onderschrijft de rechtbank op grond van de stukken die zich in het dossier bevinden het op 23 februari 2012 uitgesproken oordeel, dat na de eigen aangifte van Hama Rent en als gevolg van het faillissement van Body Control Franchise B.V. de franchiseovereenkomsten en daarmee ook de huurovereenkomsten kennelijk geëindigd zijn. Daarmee is de visie die mr. [curator] in zijn brief van 7 februari 2012 heeft neergelegd, bevestigd.

4.8. De vraag of mr. [curator] er zonder nader onderzoek vanuit mocht gaan dat de rechtbank zou oordelen dat Hama Rent in een toestand verkeerde van te hebben opgehouden te betalen, beantwoordt de rechtbank op grond van het voorgaande bevestigend. Uiteindelijk is zijn visie bevestigd dat het faillissement van Body Control Franchise B.V. – waarvan gesteld noch gebleken is dat er geen grond voor bestond – tot het einde van de franchiseovereenkomsten en de huurovereenkomsten leidde.

4.9. Mr. [curator] had bovendien van [betrokkene 1] te horen gekregen dat de aandelen een verwaarloosbare waarde hadden, zodat hij erop mocht vertrouwen dat het pandhoudersbelang niet aan zijn handelen in de weg stond. Ook in dit opzicht valt mr. [curator] dus geen verwijt te maken.

4.10. Daarmee is niet gezegd dat het faillissement ook uitgesproken had moeten worden. Het gaat er in dit verband slechts om dat de gegevens waarover mr. [curator] beschikte, zijn beleid binnen de vrijheid die hem als curator toekwam, rechtvaardigden.

4.11. De rechtbank sluit zich aan bij de redenering van het hof te Arnhem, in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.5-3.11, in het arrest van 23 maart 2012 in zaak 200.102.930 (LJN:BW3806) die tot de conclusie leidt dat mr. [curator] als curator in het faillissement van BCC Holding niet bevoegd was het faillissement van Hama Rent aan te vragen.

4.12. Dit komt erop neer dat mr. [curator] als curator van BCC Holding wel de rechten en verplichtingen van BCC Holding als aandeelhouder Hama Rent toekwamen, maar niet de rechten en verplichtingen van een bestuurder van Hama Rent. De aandelen Hama Rent behoorden immers tot het vermogen van de gefailleerde BCC Holding en daarvoor geldt dat de curator bij het vervullen van zijn taak in het algemeen dezelfde vermogensrechtelijke rechten en verplichtingen heeft als de schuldenaar voor zijn faillissement toekwamen. Weliswaar was BCC Holding tot bestuurder van Hama Rent benoemd, maar deze functie vormt een onderdeel van de zelfstandige organisatie van de rechtspersoon Hama Rent, niet van het vermogen van BCC Holding.

4.13. Blijkens de statuten van Hama Rent, waar het hof in genoemd arrest naar verwijst, wordt Hama Rent slechts vertegenwoordigd door het bestuur. Er zijn in die statuten geen bijzondere bepalingen ten aanzien van de bevoegdheid tot het aanvragen van het eigen faillissement opgenomen. De algemene vergadering van aandeelhouders van Hama Rent kan dus wel beslissen dat haar faillissement aangevraagd moet worden, maar de vertegenwoordigingshandeling die nodig is om tot de eigen aangifte over te gaan, kan alleen verricht worden door een bestuurder.

4.14. Uit het feit dat BCC Holding alle aandelen in Hama Rent houdt, vloeit derhalve nog niet het recht voort om het faillissement van Hama Rent aan te vragen. Hoewel het niet ondenkbaar is dat de aandeelhouder BCC Holding, voor wie de curator zelf moest optreden, mr. [curator] tot bestuurder van Hama Rent had benoemd, is daarvan geen sprake geweest.

4.15. Mr. [curator] was dus niet bevoegd tot de eigen aangifte van het faillissement van Hama Rent, maar had wel, via zijn benoeming tot bestuurder van Hama Rent door de aandeelhouder, de failliete BCC Holding, die bevoegdheid zelf kunnen creëren. Het gaat hier om een handeling ter uitvoering van het hierboven toelaatbaar geachte besluit het faillissement van Hama Rent te bewerkstelligen. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat mr. [curator] niet door op een formeel onjuiste wijze dit besluit te gaan uitvoeren, onzorgvuldig handelde tegenover de pandhouder ML Investments.

4.16. Dat het faillissement van Hama Rent nadelige gevolgen voor de pandhouder kon hebben, was – ondanks de mededeling van [betrokkene 1] over de geringe waarde van de aandelen – evident. Mr. [curator] wist dit en hij had erover gesproken met (de advocaat van) ML Investments. Aan de andere kant wist ML Investments al snel na het uitspreken van het faillissement van BCC Holding dat mr. [curator] overwoog het faillissement van haar dochters, waaronder Hama Rent, aan te vragen.

4.17. Gelet op de onder 2.8-2.11 vermelde feiten deed zich al vóór 6 februari 2012 de situatie voor waarin ML Investments, een professionele partij met juridische bijstand, als een gewaarschuwd rechtspersoon mocht gelden. Hierbij laat de rechtbank overigens in het midden of zij, gelet op deze onder 2.8-2.11 bedoelde feiten, niet ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat een afkoelingsperiode afgekondigd zou worden en daarnaar had moeten informeren.

4.18. Het uitspreken van het faillissement van BCC Holding moet in combinatie met het faillissement van Body Control Franchise B.V. dat kennelijk leidde tot beëindiging van de franchise- en de huurovereenkomsten de waarde van de aandelen Hama Rent – nog daargelaten de juistheid van de opmerking van [betrokkene 1] dat deze slechts € 1.500,00 was en van de opmerking van mr. [curator] ter comparitie dat niemand erin geïnteresseerd was – de genadeslag gegeven hebben. Al voordat Body Control Franchise B.V. failleerde echter wist ML Investments wat haar te wachten stond en had zij reeds de executie van de aandelen Hama Rent voorbereid (2.12). Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het ontbreken van wetenschap omtrent de afkoelingsperiode op zichzelf of in combinatie met de faillissementsaanvraag van Hama Rent ML Investments schade heeft berokkend.

4.19. Vervolgens is aan de orde dat het instellen van hoger beroep door mr. [curator] tegen het vonnis van 23 februari 2012 volgens ML Investments onrechtmatig is.

4.20. De rechtbank volgt het hof wat betreft het oordeel over de bevoegdheid van mr. [curator] dit hoger beroep in te stellen. Op grond van de statuten van Hama Rent was de bestuurder van BCC Holding als bestuurder van Hama Rent bevoegd haar te vertegenwoordigen. Nu de bestuurder van Hama Rent geen opdracht had gegeven aan mr. Donners om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 23 februari 2012, heeft mr. Donners Hama Rent onbevoegd vertegenwoordigd.

4.21. Dat het instellen van hoger beroep op zichzelf schade heeft toegebracht aan ML Investments, wordt in zoverre onderbouwd door ML Investments, dat zij stelt dat het ten onrechte ingestelde hoger beroep de uitwinning van het pandrecht heeft vertraagd. De rechtbank ziet echter niet in hoe deze vertraging de reeds vóór 10 februari 2012 voorbereide uitwinning, nadat de faillissementen van Hama Rent en Body Control Franchise B.V. uitgesproken waren, de waarde van de aandelen nog beïnvloed kan hebben.

4.22. ML Investments maakt mr. [curator] een verwijt van zijn wijze van corresponderen met de salonhouders. Hierbij zou hij de indruk hebben gewekt dat Hama Rent in feite failliet was en dat er geen overeenkomsten meer met haar gesloten moesten worden omdat dit zinloos was. Bovendien heeft mr. [curator] de salonhouders aangeboden de apparatuur voor een zacht prijsje over te nemen. Ook hiermee zou hij de waarde van de aandelen Hama Rent negatief beïnvloed hebben

4.23. Wat de salonhouders betreft blijkt uit de overgelegde stukken – onder meer correspondentie van mr. [curator] met (een van) de salonhouders – dat mr. [curator] deze geïnformeerd hield over zijn activiteiten en voorgenomen stappen. Dat daarbij zijn mening als curator naar voren komt, is onvermijdelijk. Gelet op de nauwe betrokkenheid van de salonhouders bij BCC Holding en bij BCC in het algemeen en hun daaruit voortvloeiende zakelijke belang bij goede informatie is dit optreden van een curator gerechtvaardigd. Dat daarbij Body Control Franchise B.V. en Hama Rent in een ongunstig daglicht komen te staan is een gevolg hiervan dat, gelet op het grote belang van informatie voor de salonhouders, op de koop toe moet worden genomen en dat het handelen van de curator niet onrechtmatig maakt tegenover de pandhouder ML Investments.

4.24. De voorgestelde overname tegen een zacht prijsje, waarbij ML Investments de woorden ‘zacht prijsje’ tussen haakjes heeft geplaatst, lijkt geen zelfstandige rol te spelen naast het voorgaande. ML Investments werkt de terzake gemaakte opmerking niet uit en verbindt er geen consequenties aan. De rechtbank passeert deze opmerking dan ook.

4.25. De slotsom is dat de enige van de gewraakte beslissingen van mr. [curator] die werkelijk de waarde van de aandelen Hama Rent had kunnen beïnvloeden wanneer zij uitgevoerd werd, namelijk de beslissing tot het aanvragen van haar faillissement, toelaatbaar was, ook tegenover de pandhouder ML Investments, omdat zij binnen de beleidsvrijheid viel die mr. [curator] als curator toekwam. Dit betekent dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

4.26. ML Investments zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van mr. [curator] worden begroot op:

- griffierecht € 821,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.056,00

4.27. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt ML Investments in de proceskosten, aan de zijde van mr. [curator] tot op heden begroot op € 3.056,00,

5.3. veroordeelt ML Investments in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat ML Investments niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2013.