Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0850

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2013
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
06/950083-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt notaris tot maximale werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke celstraf van 6 maanden met een proeftijd voor 2 jaar wegens het verduisteren van €175.000,- van een derdengeldrekening. M.G. was notaris in Nunspeet en gebruikte het geld om de juridische procedures te betalen waarin hijzelf was verwikkeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/950083-11

Uitspraak d.d. 6 februari 2013

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1954],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

29 juni 2012 en 23 januari 2013.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 december 2009 tot en met 30 juni 2010 te Nunspeet, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk meerdere, althans een geldbedrag(en) (in totaal ongeveer EURO 175.000,00, althans EURO 110.000,00), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan meerdere, althans een rechthebbende(n) van een derdenrekening (met rekeningnummer [nummer]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke geldbedrag(en) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als notaris, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies

voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Daarvoor zijn volgens verdachte verschillende gronden aan te voeren.

Zo heeft het Openbaar Ministerie geweigerd om (ongeveer) 800 pagina's - naar de mening van de verdachte ontlastend - bewijsmateriaal aan het dossier toe te voegen. Naar het oordeel van verdachte is het voor hem, door het ontbreken van die stukken, niet mogelijk deugdelijk verweer te voeren tegen de aan hem tenlastegelegde strafbare feiten.

Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting mondeling en bij geschrift van 27 juni 2012 en

9 oktober 2012 ingekomen geschrift betoogd dat er in de diverse juridische procedures waarin hij is verwikkeld is en verwikkeld is geweest, sprake is van - zakelijk weergegeven - aan overheidszijde op velerlei wijze onrechtmatig handelen. Verdachte heeft een aantal voorbeelden van beweerdelijk onrechtmatig overheidshandelen ter sprake gebracht, waarvan verdachte heeft gemeend dat dit van invloed is geweest op de start en de inhoud van het strafrechtelijk onderzoek.

De rechtbank overweegt als volgt.

Van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan onder de omstandigheden van dit geval slechts sprake zijn indien het Openbaar Ministerie en/of de onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie handelende politie ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan.

In het dossier dienen te worden gevoegd stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin. Het voorgaande neemt niet weg dat de rechter hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het Openbaar Ministerie alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken kan gelasten (zie Hoge Raad d.d. 7 mei 1996, NJ 1996,687). Binnen redelijke grenzen kan een verdachte gelegenheid krijgen om zijnerzijds stukken toe te voegen aan het procesdossier indien deze relevant zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

Het verzoek van de verdachte om de betreffende stukken aan het dossier toe te voegen, wijst de rechtbank af. Tijdens het verhandelde ter terechtzitting is voor de rechtbank, uit de door de verdachte daarop gegeven toelichting, aannemelijk geworden dat de inhoud van de (ongeveer) 800 pagina's ziet op tuchtrechtelijke, civiele of bestuursrechtelijke procedures waarin verdachte partij is (geweest). Die verschillende procedures hebben gediend op verschillende tijdstippen en bij verschillende colleges tussen 1999 en 2012. Het is de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden, dat kennisneming van (een deel van) die stukken van belang is voor enig in deze zaak te nemen (bewijs)beslissing. Uit de toelichting van verdachte blijkt immers niet dat er enige relatie bestaat tussen het aan hem verweten tenlastegelegde strafbare feit en de genoemde juridische procedures waarin verdachte verwikkeld is of verwikkeld is geweest.

Dat verdachte door het verloop dan wel de uitkomst van al die procedures zich als het ware 'gedwongen' heeft gevoeld om te handelen zoals hij heeft gedaan, wil de rechtbank als stelling van verdachte op zichzelf wel aannemen. Daarvoor is kennisname van al die stukken niet een vereiste.

De rechtbank overweegt voorts dat het niet aan haar is om te oordelen over beweerdelijk gepleegde onrechtmatigheden van overheidszijde binnen andere procedures dan de onderhavige strafrechtelijke procedure. Daarvoor dienen door de verdachte andere juridische wegen bewandeld te worden.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is geweest van ernstige inbreuken op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Het verzoek van de verdachte het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren wordt dan ook afgewezen.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Mevrouw mr. [aangeefster] is in januari 2010 benaderd om het notariskantoor van [verdachte] over te nemen. Enkele weken voor de overnamedatum van 1 juli 2010 kreeg zij een signaal van de kandidaat-notaris van het kantoor [verdachte] dat de bewaringspositie mogelijk negatief was. Op 8 november 2010 heeft [aangeefster] (hierna: aangeefster) aangifte tegen [verdachte] (hierna: verdachte) gedaan ter zake verduistering van € 175.000,-- van een derdenrekening. Er is vervolgens een opsporingsonderzoek gestart.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Ter zitting heeft de officier van justitie in haar requisitoir de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte

Door de verdachte is aangevoerd dat, dat - zo verstaat de rechtbank - wanneer het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, hij, verdachte, moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde nu het bestanddeel 'wederrechtelijk' als genoemd in artikel 321 Wetboek van Strafrecht niet bewezen kan worden.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [aangeefster] is sinds 1 juli 2010 ambtshalve waarnemer van het te Nunspeet gevestigde notariskantoor [verdachte].2 Enkele weken voor de overnamedatum van 1 juli 2010 kreeg aangeefster van mr. [naam], kandidaat-notaris van het notariskantoor [verdachte], het signaal dat de bewaringspositie mogelijk negatief was. Dit is door [aangeefster] kenbaar gemaakt aan het Buro Financieel Toezicht (hierna: BFT).3 Na onderzoek door het BFT bleek dat er op 30 juni 2010 sprake was van een negatieve bewaringspositie van ruim € 175.000,--. Met bewaringspositie wordt bedoeld het saldo op de derdengeldrekeningen (ook wel kwaliteitsrekening(en) genoemd) minus de verplichtingen aan derden.4 Dit negatieve saldo is ontstaan door het door verdachte onttrekken van gelden van de Rabobank derdengeldrekening met nummer [nummer] op verschillende tijdstippen in de periode

1 december 2009 tot en met 30 juni 2010. Uit onderzoek bleek het BFT dat de onttrokken gelden waren aangewend ten behoeve van de exploitatie van het notariskantoor en van verdachte privé.5 Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat het op zichzelf wel juist is dat door hem de kwaliteitsrekening is aangesproken. Dit heeft hij naar eigen zeggen gedaan om de kosten voor zijn kantoor, waartoe hij ook alle procedure- en advocaatkosten rekende, te kunnen betalen.6 Bij deze verklaring is hij ter terechtzitting gebleven.

De rechtbank is van oordeel dat het onttrekken van de gelden zonder toestemming van de rechthebbenden heeft plaatsgevonden. Daartoe het volgende.

De verdachte heeft aangevoerd dat er bij gebreke van de bewijsbaarheid van het in artikel 321 Wetboek van Strafrecht genoemde bestanddeel 'wederrechtelijk' vrijspraak moet volgen. De verdachte heeft daartoe twee gronden aangevoerd.

In de eerste plaats heeft verdachte een beroep gedaan op de disculpatiegrond genoemd in het slot van artikel 25 lid 3 van de Wet op het notarisambt, welk artikel luidt:

"Het vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening behoort toe aan de gezamenlijke rechthebbenden. Het aandeel van iedere rechthebbende wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag dat te zijnen behoeve op de bijzondere rekening is gestort. De notaris of, indien het een gezamenlijke rekening als bedoeld in het eerste lid, zesde volzin betreft, iedere notaris, is verplicht een tekort in het saldo van de bijzondere rekening terstond aan te vullen, en hij is ter zake daarvan aansprakelijk, tenzij hij aannemelijk kan maken dat hem ter zake van het ontstaan van het tekort geen verwijt treft."

Het betoog van verdachte ter terechtzitting komt er in de kern op neer dat de Staat der Nederlanden en diverse namens de Staat functionerende bestuursorganen en instanties zich in het (recente) verleden tijdens juridische procedures onrechtmatig jegens hem hebben gedragen. Om zich te kunnen verweren tegen dit onrechtmatig overheidshandelen heeft hij aanzienlijke proceskosten moeten maken. In het bijzonder valt hem, aldus verdachte, geen verwijt te maken nu het onrechtmatig handelen en nalaten van overheidszijde een zware aanslag heeft gepleegd op de financiële middelen van verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat de juridische procedures in de eerste plaats ertoe geleid hebben dat hij minstens € 250.000,-- aan proceskosten heeft moeten spenderen. Tegenover de politie heeft verdachte verklaard daarvoor de kwaliteitsrekening van het notariskantoor aangesproken te hebben.7 Voorts heeft verdachte verklaard dat de juridische procedures ook tot een claim van circa € 1.500.000,-- op de Staat der Nederland heeft geleid, waarbij de vergoeding van de eerder genoemde proceskosten nog opgeteld moeten worden. De verdachte heeft deze nog te verzilveren claim geduid als buffer, waarbij verdachte tot doel heeft gehad deze buffer deels te gebruiken voor het ontstane tekort in het saldo van de derdengeldrekening.

In de tweede plaats heeft verdachte aangevoerd dat wil van 'wederrechtelijk' gesproken kunnen worden als bedoeld in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht, sprake moet zijn van (rechts)personen die daadwerkelijk benadeeld zijn. Dat is, aldus verdachte, in casu niet het geval geweest.

De rechtbank verwerpt beide verweren als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte geduide buffer, zijnde een claim op de Staat der Nederlanden, geen vorderingsrecht vormt als bedoeld in artikel 25 lid 3 van de Wet op het Notarisambt. Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Zelfs al zou verdachte gevolgd worden in zijn redenering dat een "claim" op de Staat der Nederland een vorderingsrecht kan vormen, de rechtbank treedt daar niet in, dan nog staat artikel 25 lid 3 van de Wet op het notarisambt eraan in de weg het tekort pas op een moment aan te vullen op een moment dat het verdachte uitkomt. Immers bezwaarlijk kan uit de term 'terstond' worden afgeleid dat het tekort wordt aangevuld op het moment dat de beweerdelijk gestelde claim op de Staat daadwerkelijk geïncasseerd is geworden.

Bovendien komt uit de stukken naar voren dat het geld dat op de derdenrekening stond, niet aan de Staat toebehoorde, maar aan derden, die geheel buiten het dispuut tussen verdachte en de Staat staan en stonden. Dat geld kan dus nimmer door verdachte worden aangewend om alvast een deel van zijn claim jegens de Staat te verzilveren.

In de tenlastelegging is het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' gebezigd in de betekenis die daaraan in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht toekomt. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. Hoge Raad 24 oktober 1989, NJ 1990/256). De wet schrijft niet voor dat eerst van wederrechtelijkheid in de zin van artikel 321 Wetboek van Strafrecht gesproken kan worden als er één of meer partijen zijn die daadwerkelijk benadeeld zijn. Voldoende is dat met betrekking tot het bestanddeel 'wederrechtelijk' bewezen kan worden dat verdachte niet gerechtigd was over de goederen te beschikken. Dat de gelden aan een ander dan aan verdachte, te weten derden, toebehoren kan worden vastgesteld op grond van artikel 25 lid 1 van de Wet op het notarisambt. Immers deze luidt voor zo ver van belang:

"De notaris is verplicht bij een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen een of meer bijzondere rekeningen aan te houden op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden, die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Gelden die aan de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op die rekening worden gestort. (...)"

De rechtbank stelt, gelet op wettekst vast, dat de derdenrekening waarop de tenlastelegging ziet betreft een bijzondere rekening als bedoeld in artikel 25 lid 1 eerste volzin Wet op het notarisambt.

Artikel 25 lid 2 van Wet op het notarisambt luidt:

"De notaris is bij uitsluiting bevoegd tot het beheer en de beschikking over de bijzondere rekening. Hij kan aan een onder zijn verantwoordelijkheid werkzame persoon volmacht verlenen. Ten laste van deze rekening mag hij slechts betalingen doen in opdracht van een rechthebbende."

De rechtbank stelt vast dat gelet op de inhoud van de stukken en het verhandelde op de terechtzitting van een dergelijke opdracht van een rechthebbende als bedoeld in de laatste volzin van artikel 25 lid 2 van de Wet op het notarisambt geen sprake is. Verdachte was, bij gebreke van een opdracht van een rechthebbende, dan ook niet gerechtigd om de gelden te gebruiken voor het voldoen van processuele of anderszins administratieve kosten.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op tijdstippen in de periode van 01 december 2009 tot en met 30 juni 2010 te Nunspeet, telkens opzettelijk geldbedragen (in totaal ongeveer EURO 175.000,00, die toebehoorden aan meerdere rechthebbenden van een derdenrekening (met rekeningnummer [nummer]), en welke geldbedragen verdachte als notaris, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Verduistering, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een algemene proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van notaris misbruik gemaakt van zijn positie door gelden van de derdengeldrekening aan te wenden om met name juridische procedures te financieren waarin hij was verwikkeld. Juist een derdengeldrekening zorgt ervoor dat beroepshalve gelden van derden gescheiden worden van het eigen vermogen van het notariskantoor. De rechthebbenden, alsook de samenleving, moeten er op kunnen vertrouwen dat een notaris geen misbruik maakt van de door hem op de derdengeldrekening gestorte gelden. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zijn ambt op een dergelijke wijze heeft misbruikt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het omtrent verdachte opgemaakt rapport van de reclassering d.d. 29 februari 2012.

Blijkens het strafblad van verdachte d.d. 26 oktober 2012 is hij niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

Gelet op het feit dat verdachte in zijn hoedanigheid van notaris een ernstig feit heeft gepleegd komt - vanuit generaal preventief oogpunt - in beginsel alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking.

Gelet echter op de bijzondere omstandigheden van het geval, zal de rechtbank daar niet toe over gaan. Verdachte is immers een man van 58 jaar die voor het eerst met politie en justitie in aanraking is gekomen en hij heeft in verband met de onderhavige kwestie zijn ambt al moeten verlaten. Hij zal daarom niet in dezelfde positie terecht kunnen komen als die waarin hij de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd.

Het is echter niet ondenkbaar dat gelet op verdachtes financiële problemen hij wederom in de verleiding komt om een vermogensdelict te plegen. Om die verleiding te weerstaan is een voorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats. De rechtbank zal daarom de vrijheidsstraf geheel voorwaardelijk opleggen.

Niettemin dient - gelet op de hiervoor overwogen ernst van de feiten - ook een onvoorwaardelijke straf te worden opgelegd. De rechtbank overweegt dat een geldboete niet aan de orde is gelet op de financiële draagkracht van de verdachte.

Uit dit alles volgt dat als onvoorwaardelijke straf alleen een taakstraf rest. De rechtbank is zich er terdege van bewust dat de reclassering heeft geadviseerd aan verdachte geen taakstraf op te leggen.

De rechtbank kiest daar, alles afwegende, toch voor en overweegt daarbij nadrukkelijk dat als de verdachte zich bij de tenuitvoerlegging van zijn taakstraf zodanig gedraagt dat zulks leidt tot mislukking van die straf, het als zijn eigen keuze gezien kan worden als hij dan de vervangende hechtenis dan maar moet uitzitten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Verduistering, meermalen gepleegd

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

* bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Aldus gewezen door mrs. Kleinrensink, voorzitter, Ouweneel en O.E. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Koster, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

6 februari 2013.

Mr. O.E. de Jong buiten staat mede te ondertekenen.

Eindnoten

1Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0617 2010175024, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, District Noordwest Veluwe Team Elburg-Oldebroek, gesloten en ondertekend op 24 november 2011

2 P. 37

3 P. 38

4 P. 42

5 P. 44

6 P. 170

7 P. 170