Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0668

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
C/08/123869 HA ZA 11-673
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omdat tussen partijen geen non-concurrentiebeding is afgesproken, mochten de voormalig werknemers in beginsel concurreren met hun voormalig werkgever. De bevoegdheid om onbeperkt te concurreren kan evenwel worden beperkt door specifieke omstandigheden van het geval. Concurrentie wordt ongeoorloofd indien en voorzover de voormalig werknemer gebruik maakt van kennis en gegevens omtrent klanten, opgedaan bij de voormalige werkgever, waarmee hij stelselmatig en substantieel duurzaam handelsdebiet van de voormalige werkgever afbreekt. Niet is gebleken dat sprake is van ongeoorloofde concurrentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/123869 HA ZA 11-673

datum vonnis: 23 januari 2013

Vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

inzake:

de stichting

STICHTING WERKGELEGENHEIDSINITIATIEVEN NOORDOOST TWENTE,

gevestigd te Oldenzaal,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

verder te noemen Werkwijzer,

advocaat mr. S.J.M. Masselink te Almelo,

en

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X],

gevestigd te [plaats],

2. [gedaagde sub 2],

verder te noemen [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3],

verder te noemen [gedaagde sub 3],

4. [gedaagde sub 4],

verder te noemen [gedaagde sub 4],

allen wonende te [plaats],

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

advocaat mr. D.G. Geerdink te Oldenzaal.

1. Het procesverloop

Het procesverloop in de onderhavige procedure blijkt uit de navolgende processtukken:

- de inleidende dagvaarding van 30 september 2011 met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie met

producties;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens van antwoord in reconventie met

producties;

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens van repliek in reconventie met producties;

- een akte uitlating producties in conventie en tevens conclusie van dupliek in

reconventie.

Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. Het vonnis wordt uitgesproken per heden.

2. Vaststaande feiten

2.1 Werkwijzer is een leerwerkbedrijf waarbinnen op verschillende locaties activerende dagbesteding wordt geboden. Eén van die locaties was de kwekerij met opstallen aan de Postweg te Oldenzaal, die door Werkwijzer werd gehuurd van [gedaagde sub 2]. De deelnemers aan de activiteiten van Werkwijzer beschikken veelal over een PGB, waaruit de aan Werkwijzer verschuldigde vergoeding wordt bekostigd.

2.2 [gedaagde sub 2] was niet slechts verhuurder van de kwekerij, doch trad bovendien per 16 december 2002 bij Werkwijzer in loondienst. Dit loondienstverband is beëindigd per 1 juni 2011. Ook [gedaagde sub 3] was een ruim aantal jaren bij Werkwijzer in loondienst. Haar loondienstverband eindigde per 1 oktober 2011. [Gedaagde sub 3] is de echtgenote van [gedaagde sub 2]. Gedaagde [gedaagde sub 4] was bij Werkwijzer in loondienst vanaf 16 december 2001. Zijn arbeidsovereenkomst eindigde door ontslag, namelijk per 30 mei 2011. De arbeidsovereenkomsten met [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn door de kantonrechter ontbonden. De arbeidsovereenkomsten met de drie genoemde gedaagden kenden geen beding van non-concurrentie.

2.3 Bij notariële akte van 31 mei 2011 hebben [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] gezamenlijk opgericht de besloten vennootschap [X], derhalve de gedaagde sub 1 in deze procedure. Het doel van de vennootschap is onder meer de exploitatie van een zorgboerderij, mede inhoudende dagbesteding.

2.4 [Gedaagde sub 2] heeft aan Werkwijzer bij brief van 30 mei 2011 de huurovereenkomst van de kwekerij met opstallen aan de Postweg opgezegd tegen 1 september 2011. Werkwijzer heeft die huuropzegging aanvaard en heeft bij brief van 25 juli 2011 bevestigd dat zij op 31 augustus 2011 het gehuurde pand zou verlaten.

2.5 Elf deelnemers van Werkwijzer aan wie op de locatie aan de Postweg alle dagdelen zorg werd verleend, hebben hun zorgovereenkomst met Werkwijzer beëindigd en gemeld te zullen overstappen naar [X].

3. Standpunten van partijen

In conventie:

Standpunt Werkwijzer

3.1 Werkwijzer stelt dat op de arbeidsovereenkomst met gedaagden van toepassing was de CAO Welzijn. Die CAO stelt een verbod op aanvaarding van nevenfuncties die strijdig zijn met of schadelijk voor het werk van de werknemer bij werkgeefster. Ook de gedragscode van Werkwijzer die op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, stelt een verbod op het vervullen van nevenfuncties die in strijd zijn met de belangen van Werkwijzer. Naar het oordeel van Werkwijzer hebben gedaagden in strijd met die bepalingen gehandeld door oprichting van [X] tijdens hun dienstverband met Werkwijzer. Dit maakt gedaagden schadeplichtig.

3.2 Bovendien zijn gedaagden hoofdelijk schadeplichtig nu zij zich schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatige concurrentie. Gedaagden hebben stelselmatig alle deelnemers van Werkwijzer aan de Postweg benaderd om over te stappen waarbij zij gebruik hebben gemaakt van bij Werkwijzer opgedane kennis. Daarbij moet, naar Werkwijzer stelt, worden bedacht dat [gedaagde sub 2] het als verhuurder van de locatie aan de Postweg in zijn macht had om Werkwijzer van die locatie te weren door opzegging van de huurovereenkomst. De deelnemers aan het project aan de Postweg behoren tot een kwetsbare groep en kunnen de identiteit van de beide ondernemingen niet uit elkaar houden. Werkwijzer heeft destijds alle opstartkosten van het project gedragen doordat zij de kwekerij van [gedaagde sub 2] is gaan huren, na een proefperiode de kwekerij heeft omgezet naar een locatie waar dagbesteding kan worden aangeboden en aan [gedaagde sub 2] een loondienstverband heeft aangeboden.

3.3 Ondanks het ontbreken van een beding van non-concurrentie is naar Werkwijzer stelt derhalve niettemin sprake van onrechtmatige concurrentie op basis van het leerstuk dat is gebouwd op het arrest Boogaard/Vesta (HR 9 december 1955, NJ 1956/157). Gedaagden hebben gebruik gemaakt van kennis en gegevens omtrent klanten opgedaan bij Werkwijzer waardoor zij stelselmatig en substantieel een duurzaam debiet van Werkwijzer hebben afgebroken. Gedaagden zijn dan ook schadeplichtig. Werkwijzer berekent haar schade op een hoofdsom van € 148.507,20 en vordert dan ook de hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en geliquideerde kosten.

Standpunt gedaagden

4.1 Gedaagden betwisten dat de oprichting van [X] tijdens het loondienstverband bij Werkwijzer moet worden aangemerkt als aanvaarding of vervulling van een nevenfunctie die in strijd is met het belang van Werkwijzer. Gedaagden hebben, naar zij stellen, tijdens hun dienstverband met Werkwijzer geen strijdige nevenfunctie uitgeoefend.

4.2 Ook van onrechtmatige concurrentie is geen sprake. De verhouding tussen Werkwijzer en gedaagden was om diverse redenen verstoord geraakt. Het stond gedaagden vrij om een eigen concurrerend bedrijf op te richten. Gedaagden zijn op geen enkele wijze actief wervend opgetreden jegens de deelnemers van Werkwijzer. Gedaagden hebben echter in de loop der jaren een persoonlijke band opgebouwd met de deelnemers aan de Postweg hetgeen in ieder geval voor een groep van elf deelnemers reden is geweest om uit eigen wil gedaagden naar elders te volgen. Van belang daarbij is, volgens gedaagden, dat het de deelnemers geheel vrij staat zelf te bepalen bij wie zij zorg willen inkopen.

4.3 [X] heeft haar activiteiten niet voortgezet op de plaats waar Werkwijzer die activiteiten verrichtte. Gedaagden achten van belang dat Werkwijzer de huuropzegging door [gedaagde sub 2] onmiddellijk heeft aanvaard hoewel zij op grond van wettelijke en/of contractuele bepalingen nog geruime tijd had kunnen doorhuren. Gedaagden verklaren dit door het feit dat Werkwijzer moest reorganiseren en bezuinigen.

4.4 Gedaagden concluderen dan ook dat er geen sprake is van overtreding van contractuele bepalingen of van onrechtmatig handelen zodat de vorderingen van Werkwijzer moeten worden afgewezen.

In reconventie:

4.5 Gedaagden vorderen in reconventie de veroordeling van Werkwijzer tot opheffing van de voorafgaand aan deze procedure gelegde beslagen, waaronder het beslag op de aan [gedaagde sub 3] uit hoofde van de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst toegekende beëindigingsvergoeding van € 10.000,- bruto. [Gedaagde sub 3] vordert dat Werkwijzer wordt veroordeeld tot betaling van die som aan haar.

4.6 [Gedaagde sub 2] vordert daarnaast betaling door Werkwijzer van een bedrag van € 2.635,85. Het gaat daarbij om door hem gestelde schade die Werkwijzer heeft toegebracht aan het gehuurde, welke schade zij bij haar vertrek niet heeft hersteld.

4.7 Werkwijzer voert verweer tegen de vordering in reconventie. Zij ontkent schade aan het gehuurde te hebben toegebracht en stelt dat [gedaagde sub 2] de oplevering van het gehuurde heeft goedgekeurd.

5. De beoordeling

In conventie:

5.1 Het onderhavige geschil vindt zijn basis in het vaststaande gegeven dat de gedaagden [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] bij Werkwijzer in loondienst zijn geweest, tegen het einde van hun loondienstverbanden de met Werkwijzer concurrerende onderneming [X] hebben opgericht en laatstgenoemde vennootschap vervolgens in ieder geval met elf deelnemers die voorheen zorg in de vorm van activerende dagbesteding van Werkwijzer ontvingen, zelfstandige zorgovereenkomsten heeft afgesloten. Beantwoord moet worden de vraag of, conform de stellingen van Werkwijzer, gedaagden 2 t/m 4 contractbreuk hebben gepleegd en de gedaagden zich tezamen onrechtmatig jegens Werkwijzer hebben gedragen.

5.2 De vordering uit hoofde van contractbreuk baseert Werkwijzer op het feit dat [X] is opgericht tijdens de loondienstverbanden die gedaagden sub 2 t/m 4 met haar hadden. Dit zou in strijd zijn met het verbod op strijdige nevenfuncties, zoals omschreven in de toepasselijke CAO Welzijn en de gedragscode van Werkwijzer. De rechtbank volgt Werkwijzer in dit standpunt niet. Het is juist dat [X] is opgericht tijdens de dienstverbanden van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en daags nadat de arbeidsovereenkomst met [gedaagde sub 4] was beëindigd, doch niet is gebleken dat één of meer van de gedaagden sub 2 t/m 4 tijdens hun dienstverbanden enige met het doel van Werkwijzer strijdige functie heeft vervuld. Het louter oprichten van een vennootschap, ook als die vennootschap blijkens haar doelstelling beoogt concurrerende werkzaamheden uit te gaan voeren, kan niet worden aangemerkt als het aanvaarden van een nevenfunctie die strijdig is met het werk voor Werkwijzer.

5.3 Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van onrechtmatige concurrentie door gedaagden moet primair het navolgende worden overwogen. Tussen Werkwijzer en de drie gedaagden sub 2 t/m 4, is geen beding van non-concurrentie overeengekomen. Dat brengt met zich mee dat het uitgangspunt is dat gedaagden na hun vertrek bij Werkwijzer in beginsel concurrentie aan Werkwijzer mogen aandoen. Die concurrentie kan ook met zich meebrengen dat gedaagden werkzaam worden ten behoeve van deelnemers die voorheen hun zorg inkochten bij Werkwijzer. De bevoegdheid om onbeperkt te concurreren kan evenwel worden beperkt door specifieke omstandigheden van het geval waarvan de criteria in hoofdlijnen door de Hoge Raad zijn vastgelegd in het standaard arrest Boogaard/Vesta (HR 9 december 1955, NJ 1956-157) welk arrest in de jaren daarna zijn verdere invulling in de rechtspraak heeft gevonden. In hoofdlijnen komt het erop neer dat concurrentie ongeoorloofd wordt indien en voorzover de voormalige werknemer gebruik maakt van kennis en gegevens omtrent klanten opgedaan bij de voormalige werkgever waarmee hij stelselmatig en substantieel duurzaam handelsdebiet van de voormalige werkgever afbreekt. Het handelen in strijd met die uitgangspunten kan de concurrentie derhalve onrechtmatig doen zijn en de voormalig werknemer schadeplichtig maken.

5.4 Werkwijzer is van mening dat gedaagden met toepassing van voornoemde criteria onrechtmatig concurreren. Als leidinggevenden binnen de locatie aan de door Werkwijzer gehuurde kwekerij aan de Postweg in Oldenzaal, kenden zij als geen ander de deelnemers aldaar. Werkwijzer stelt dat gedaagden die deelnemers allemaal en stelselmatig hebben benaderd in een poging hen te doen overstappen naar [X]. Daarbij moet, zoals Werkwijzer stelt, worden bedacht dat het gaat om kwetsbare zorgontvangers die kennelijk eenvoudig te beïnvloeden zijn. Met name de gedaagde [gedaagde sub 2] kon bovendien profiteren van het feit dat hij verhuurder was, zodat hij het door huuropzegging in zijn macht had om Werkwijzer verder van de locatie aan de Postweg te weren. Dat laatste moge, naar de rechtbank overweegt, in beginsel juist zijn, maar de opzegging van de huurovereenkomst beïnvloedt niet de vraag of het aan gedaagden vrij stond met Werkwijzer in concurrentie te treden. Nu tussen partijen vaststaat dat bovendien [X] niet werkt vanuit het voorheen door Werkwijzer gehuurde, acht de rechtbank de opzegging van de huurovereenkomst in dit geval geen relevant feit voor de beantwoording van de vraag of van onrechtmatige concurrentie sprake is.

5.5 Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] tijdens het loondienstverband met Werkwijzer de deelnemers op de locatie aan de Postweg hebben begeleid. Zoals gedaagden uitleggen en Werkwijzer in feite onderschrijft, is dan ook een nauwe persoonlijke band tussen hen en de deelnemers ontstaan. Ook Werkwijzer verduidelijkt in haar processtukken dat de deelnemers behoren tot een kwetsbare groep en slecht bestand zijn tegen veranderingen. Gedaagden benadrukken dat zij geen deelnemers hebben trachten over te halen om hun zorg voortaan bij [X] in te kopen. Het vertrek van gedaagden 2 t/m 4 heeft, naar gedaagden stellen, bij de onderhavige elf deelnemers en hun ouders of begeleiders kennelijk dusdanig veel emotie veroorzaakt, dat die deelnemers zelf hun zorgcontract met Werkwijzer hebben beëindigd om onder begeleiding van gedaagden te kunnen blijven. Door gedaagden zijn bij conclusie van antwoord overgelegd verklaringen van de deelnemers en hun ouders alsmede van een externe begeleider van Aveleijn waarin wordt verklaard dat deelnemers/ouders uit eigen beweging hebben besloten het toegekende PGB verder te besteden bij [X]. De handgeschreven verklaring van één van de moeders (productie 18) getuigt van de grote emotie aan de zijde van haar zoon toen duidelijk werd dat gedaagden als begeleiders niet langer in loondienst van Werkwijzer zouden blijven. Tegenover die schriftelijke verklaringen is door Werkwijzer geen enkele verklaring gesteld of nadere onderbouwing gegeven van haar stelling dat gedaagden actief onder de deelnemers hebben geworven. Werkwijzer herhaalt in haar processtukken op diverse plaatsen dat er onder de deelnemers geworven is en zij volstaat met een algemeen en niet geconcretiseerd bewijsaanbod dienaangaande. Gelet op de door gedaagden overgelegde verklaringen en gegeven uitleg had van Werkwijzer echter meer mogen en moeten worden verwacht. Het lijkt erop dat Werkwijzer vooral aan gedaagden verwijt dat zij aan de deelnemers kenbaar hebben gemaakt bij Werkwijzer te zullen vertrekken. De rechtbank oordeelt dat Werkwijzer niet anders van gedaagden mocht verwachten en dat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat er actief onder de deelnemers is geworven.

5.6 De stelling van gedaagden dat de deelnemers hun zijn gevolgd ten gevolge van de in jaren opgebouwde persoonlijke band, dat deelnemers en hun ouders uit eigen beweging een zorgcontract met Werkwijzer hebben beëindigd en nieuwe zorgcontracten met [X] zijn aangegaan en dat er derhalve geen sprake is van afbraak van het debiet van Werkwijzer door actief stelselmatig en substantieel onder de deelnemers van Werkwijzer te werven, acht de rechtbank niet onbegrijpelijk en voldoende aannemelijk, mede gelet op alle overgelegde schriftelijke verklaringen. Daarbij komt bovendien het navolgende. Werkwijzer stelt zelf bij conclusie van repliek dat zij in totaal over verschillende projecten en locaties de begeleiding verzorgde van 172 deelnemers. Door gedaagden is onweersproken gesteld (Werkwijzer bevestigt slechts dat er aan de Postweg meer deelnemers waren ondergebracht dan de elf deelnemers die naar gedaagden zijn overgestapt) dat aan de Postweg 29 deelnemers werden begeleid waarvan er, als gezegd, 11 zijn overgestapt naar [X]. De rechtbank is van oordeel dat het wegvallen van 11 deelnemers binnen een locatie waar 29 deelnemers worden begeleid en dit alles op een totaalbestand van 172 deelnemers reeds uit dien hoofde niet kan leiden tot de vaststelling dat er door gedaagden stelselmatig en substantieel duurzaam debiet van Werkwijzer is afgebroken. In deze procedure is niet gesteld, noch gebleken, dat meer deelnemers van Werkwijzer naar [X] zijn overgestapt.

5.7 Op grond van het hiervoor gestelde oordeelt derhalve de rechtbank dat niet is gebleken dat gedaagden, aan wie het vrijstond om met Werkwijzer in concurrentie te treden, verweten kan worden dat zij die concurrentie op dusdanige wijze hebben ingevuld dat van ongeoorloofde concurrentie sprake is.

5.8 Het dispuut zoals dat overigens door partijen in dit geschil is gevoerd, behoeft, gelet op het hiervoor gestelde, geen nader oordeel van de rechtbank. Of gedaagden destijds al dan niet door verstoorde verhoudingen zijn vertrokken, of met [gedaagde sub 2] ooit op enig moment is afgesproken dat hij weer voor zichzelf zou kunnen beginnen, of partij [gedaagde sub 3] al dan niet de facto bij [X] in loondienst is en of [X] een eigen positie in dit geding heeft en naast gedaagden sub 2 t/m 4 ook zelf hoofdelijk schadeplichtig zou zijn, het zijn door partijen opgeworpen vraagpunten die het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet beïnvloeden.

5.9 De rechtbank oordeelt derhalve dat de vorderingen van Werkwijzer in deze zaak niet voor toewijzing vatbaar zijn. Als in het ongelijk gestelde partij moet Werkwijzer de kosten van de procedure in conventie dragen.

In reconventie:

6.1 In reconventie vorderen gedaagden Werkwijzer te veroordelen tot opheffing van alle voorafgaand aan deze procedure gelegde conservatoire beslagen, waaronder begrepen het beslag op de aan gedaagde [gedaagde sub 3] toegekende vergoedingssom uit hoofde van ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. Gelet op het oordeel van de rechtbank in conventie staat vast dat zij oordeelt dat tenminste summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door Werkwijzer ingeroepen recht is gebleken zodat, gelet op het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv., de vordering tot opheffing van de gelegde beslagen zal worden toegewezen.

6.2 De vordering van gedaagde [gedaagde sub 3] om Werkwijzer te veroordelen aan haar de vergoedingsom van € 10.000,- te betalen, is niet voor toewijzing vatbaar. De opheffing van het beslag op de haar toekomende vergoedingssom impliceert immers dat gedaagde [gedaagde sub 3] de executoriale titel die in de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter is begrepen, ten uitvoer kan doen leggen.

6.3 Voorts vordert de gedaagde sub 2 de veroordeling van Werkwijzer tot betaling van een som van € 2.635,85. Het gaat om de herstelkosten van schade die Werkwijzer aan het gehuurde heeft toegebracht en die zij niet heeft hersteld. De rechtbank oordeelt dat dit deel van de vordering betrekking heeft op de beëindigde huurrelatie en bovendien een bedrag betreft dat behoort tot de competentie van de kantonrechter. Waar naar het oordeel van de rechtbank de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie in onvoldoende mate aanwezig is, zal de zaak waar het gaat om dit deel van de vordering conform het bepaalde in artikel 94 lid 2 en lid 3 Rv. worden verwezen naar de sector kanton in Enschede.

6.4 Als grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient Werkwijzer de kosten van de procedure in reconventie te dragen.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Wijst af de vorderingen van Stichting Werkgelegenheidsinitiatieven Noordoost Twente.

II. Veroordeelt Stichting Werkgelegenheidsinitiatieven Noordoost Twente tot betaling aan gedaagden tezamen van de kosten van deze procedure tot na te noemen omvang. De kosten aan de zijde van gedaagden tezamen worden begroot op € 3.529,- aan verschotten (griffiegeld) en € 2.842,- (2 punten x € 1.421,-) aan advocaatkosten.

In reconventie:

III. Veroordeelt Stichting Werkgelegenheidsinitiatieven Noordoost Twente om binnen vijf dagen na betekening van het onderhavige vonnis op te heffen de door haar ten laste van ieder der gedaagden gelegde conservatoire beslagen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom vanaf € 1.000,- voor iedere dag dat de Stichting nalatig blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met dien verstande dat de dwangsom wordt gemaximeerd op € 100.000,-.

IV. Verwijst de zaak met betrekking tot de vordering van € 2.635,85 in de stand waarin deze zich thans bevindt naar de sector kanton, locatie Enschede, alwaar partijen in persoon of bij gemachtigde kunnen verschijnen.

V. Bepaalt dat de zaak bij de sector kanton, locatie Enschede zal worden afgeroepen ter rolle van dinsdag 12 februari 2013.

VI. Beveelt dat [gedaagde sub 2 c.s.] deze roldatum bij exploot aan de Stichting zullen aanzeggen onder betekening van dit vonnis.

VII. Veroordeelt Stichting Werkgelegenheidsinitiatieven Noordoost Twente tot betaling aan gedaagden in conventie van de kosten van deze procedure in reconventie tot na te noemen omvang. De kosten aan de zijde van gedaagden tezamen worden begroot op € 768,- aan salaris van de advocaat.

Zowel in conventie als in reconventie:

VIII. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IX. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Vermeulen en op woensdag 23 januari 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.