Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0478

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
215073
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:3901, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over dekking brandverzekering.

In het vonnis van 2 november 2011 heeft de rechtbank RVS’ conclusie onderschreven dat de brand door of met behulp van een sleutelhouder veroorzaakt moet zijn. Daarop heeft de rechtbank overwogen dat het vermoeden bestaat van betrokkenheid van eiser zelf bij de brandstichting en is hij toegelaten tot tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: 215073 / HA ZA 11-660

Vonnis van 23 januari 2013

in de zaak van

[woonplaats]]

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.C.M.J. van Kempen te Boxmeer,

tegen

de naamloze vennootschap

RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en RVS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 april 2012

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 5 september 2012, waar in enquête zijn gehoord [eiser], zijn zoon [zoon van eiser], mevrouw [betrokkene], [.] [betrokkene A] en J. [betrokkene B], waarbij laatstgenoemde tevens als partijdeskundige is gehoord,

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 oktober 2012, waar in contra-enquête G.J. [betrokkene C] is gehoord,

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 6 november 2012, waar in contra-enquête M. [betrokkene D] is gehoord,

- de conclusie na getuigenverhoor van RVS

- de conclusie na getuigenverhoor van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1. In het vonnis van 2 november 2011 heeft de rechtbank RVS’ conclusie onderschreven dat de brand door of met behulp van een sleutelhouder veroorzaakt moet zijn. Daarop heeft de rechtbank overwogen dat het vermoeden bestaat van betrokkenheid van [eiser] zelf bij de brandstichting en is hij toegelaten tot tegenbewijs. In het vonnis van 1 februari 2012 zijn de bewijsvragen besproken die in het vonnis van 2 november 2011 aan [eiser] voorgelegd waren. De rechtbank heeft overwogen dat [eiser] naar de op 1 februari 2012 bekende gegevens geen alibi had voor de tijd waarin de brandstichting heeft plaatsgevonden. In het bijzonder betreft dit de volgende omstandigheden.

Uit de feiten was slechts af te leiden dat [zoon van e[eiser] op 28 maart 2010 tussen 22.00 en 23.00 uur in zijn kamer in [instelling] gekomen is, maar niet dat [eiser] hem naar [instelling] gebracht heeft op die avond.

Naar aanleiding van het telefoongebruik is geconcludeerd dat het eigen betoog van [eiser] het mogelijk maakt dat hij niet op 28 maart 2010 naar [woonplaats] is gereden.

De informatie over de door [eiser] naar [woonplaats] gereden route is onduidelijk gebleven. Niet is gebleken dat de snelweg [eiser] meer vertraging zou hebben opgeleverd dan de omweg, maar wel dat [eiser]s verhaal over de omweg een paar keer veranderd is.

2.2. De conclusie van de rechtbank luidde dat [eiser]s eigen informatie de mogelijkheid openlaat dat hij op de bewuste avond niet naar [woonplaats] is gereden. Dit ontbreken van een alibi voor [eiser] heeft uiteindelijk ertoe geleid dat in het tussenvonnis van 11 april 2012 [eiser] is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs van het rechterlijk vermoeden dat hij bij de brandstichting betrokken is geweest.

2.3. De verklaringen die de getuigen in dit verband hebben afgelegd, veranderen naar het oordeel van de rechtbank niets aan het voorgaande. De enige toevoeging is dat [zoon van eiser]s vriendin, de getuige [betrokkene], verklaart dat zij op 28 maart 2010 [eiser] ’s avonds op of na 21.00 uur bij haar woning in Oud [woonplaats] (verklaring van [eiser]) of Nieuw [woonplaats] (volgens de personalia in [betrokkene]s verklaring) in zijn auto heeft zien zitten. Voor de rit naar [woonplaats] en de tijdstippen daarvan zijn het uitsluitend [eiser] en zijn zoon die over de aanwezigheid van [eiser] tijdens die rit verklaren. Het tijdstip van aankomst in [woonplaats] – dat van groot belang is als [eiser] inderdaad zijn zoon naar [woonplaats] heeft gebracht – is niet duidelijker geworden.

2.4. Steunbewijs voor de verklaringen van [eiser] is uitsluitend te vinden in die van zijn zoon. De rechtbank vindt dit, gelet op de verwantschap tussen beiden, onvoldoende om te kunnen concluderen dat het tegenbewijs ten aanzien van [eiser]s alibi geleverd is.

2.5. De getuigenverklaringen waarop de rechtbank dit oordeel baseert, luiden, voor zover thans van belang, als volgt.

Partijgetuige [eiser]:

(…). In [woonplaats] ben ik korte tijd gebleven. Ik ben uit de auto gestapt en ik heb nog even met mijn zoon gesproken. Ook hebben wij nog even met een medebewoner, die thans niet meer in [instelling] is, gesproken. Ook over de vertrektijd uit [woonplaats] heb ik, voor zover ik weet, consistent verklaard. Ik kan niet met zekerheid zeggen of ik ook op die avond met hem naar binnen ben gelopen. Ik sluit dat niet geheel uit omdat hij in die periode met krukken liep. Ik weet niet meer of dat ook op 28 maart nog het geval was.

Mijn zoon [zoon van eiser] was in het weekend altijd bij ons of bij zijn vriendin (…). Wij vertrokken op de zondagavond meestal rond 21:00 uur uit Oud [woonplaats], de woonplaats van de vriendin van [zoon van eiser]. Direct voordat ik hem ophaalde had ik soms telefonisch contact maar soms was dit niet nodig omdat wij over het vertrek op de zondag dan al wel op zaterdag hadden gesproken (…). Mijn vrouw bracht [zoon van eiser] nooit terug. Dat deed ik altijd.

De werkzaamheden aan de A50 duurden al maanden. Op 28 maart was ik met mijn zoon [zoon van eiser] aan de late kant waardoor ik ervoor heb gekozen om binnendoor te rijden. Mijn ervaring met de A50 in die tijd was dat er veel snelheidsbeperkingen waren in verband met een gefreesd wegdek. De wegwerkzaamheden hielden tevens verband met vorstschade. Mij is achteraf gebleken dat nu juist in het betreffende weekend er kennelijk geen werkzaamheden werden uitgevoerd. In de weekenden voorafgaand aan het betreffende weekend heb ik in verband met drukte soms ook wel binnendoor gereden. Met binnendoor bedoel ik dat ik over [X] reed.

Op vragen van mr. Van Buul:

Op de betreffende dag heb ik geen mensen bij de wegwerkzaamheden gezien, maar dat neemt niet weg dat er wel snelheidsbeperkingen waren. Die snelheidsbeperkingen waren voor mij toen al zichtbaar (…).

[eiser]s zoon [zoon van eiser]:

Ik werd altijd gehaald uit [instelling] door mijn vader en soms door mijn moeder. Terugbrengen deed mijn vader altijd. Hij haalde mij dan altijd op van het adres van mijn vriendin (…). Over het terugbrengen naar [instelling] had ik soms telefonisch contact met mijn vader maar dat was niet standaard. Soms hadden we daarover al eerder in dat weekend gesproken.

Op 28 maart ben ik met mijn vader binnendoor gereden, dat wil zeggen via [X]. Dat was toen min of meer de gebruikelijke route in verband met de rompslomp met de infrastructuur in die tijd. Dat wil dus niet zeggen dat wij in die tijd altijd die route namen. Ik weet dat we op die avond wat laat waren waardoor de route over de snelweg geen goede optie was. Wij zagen namelijk dat de weg al behoorlijk vol begon te lopen. Er waren nog geen wegwerkzaamheden zichtbaar. Wellicht waren er toen al wel snelheidsbeperkingen maar dat weet ik niet zeker. Wel weet ik dat op dat wegvak, dat wil zeggen op die plaats, in die tijd regelmatig snelheidsbeperkingen waren in verband met werkzaamheden.

Over het afscheid van mijn vader in [woonplaats] kan ik mij weinig herinneren. In dat verband wijs ik er op dat ik pas twee jaar na het voorval voor het eerst een verklaring in deze kwestie heb afgelegd (…). In die tijd heb ik op krukken gelopen, maar ik weet niet of dat op

28 maart het geval was. Toen ik op krukken liep bracht mijn vader mij wel eens tot aan de voordeur. Ook toen ik niet op krukken liep, liep mijn vader wel eens tot aan de voordeur of zelfs naar binnen. Als we op tijd waren dan dronken we nog een kop koffie. Meestal liep ik echter zelf naar de voordeur.

Op vragen van mr. Van Buul:

Op [instelling] is er een avondklok om 22:00 uur. Ik ben op de betreffende avond om 22:10 uur gebeld door [instelling] met de vraag waar ik bleef. Zodoende herinner ik mij nog dat wij te laat waren en, concluderend, kan ik wel zeggen dat we rond 22:30 uur in [instelling] zijn aangekomen. Daarbij zou ik een speling van tien minuten willen aanhouden.

[zoon van eiser]s vriendin [betrokkene]:

(…). [zoon van eiser] was altijd het gehele weekend bij mij. Af en toe ging hij naar zijn ouders. Hij bleef dan niet overnachten. Soms ging ik met hem mee.

[zoon van eiser] werd altijd rond 21:00 uur door zijn vader opgehaald van mijn adres. Soms werd hij door zijn moeder opgehaald. Het brengen op vrijdag gebeurde ook door zijn vader of zijn moeder, maar meestal zijn vader. In het weekend werd er wel eens gebeld met de ouders van [zoon van eiser] voor nadere afspraken over het ophalen op de zondag.

Op 28 maart werd [zoon van eiser] opgehaald door zijn vader. Ik heb dat gezien en ook mijn ouders zouden dat kunnen bevestigen. Ik weet dat de vader van [zoon van eiser] wat later was en ook dat [zoon van eiser] nog niet klaar was met zijn spullen. De vader van [zoon van eiser] is op die avond in de auto gebleven.

Ik weet niets over de route die op 28 maart is afgelegd naar [instelling]. Ik weet ook niets over de route die doorgaans werd afgelegd. Ik ben wel eens meegereden maar ik lette eigenlijk nooit op de weg. Ik durf niet te zeggen of wij dan binnendoor reden. Ik kan mij wel landwegen herinneren maar we reden ook altijd een stuk over de snelweg. Ik reed ongeveer één tot twee keer in de maand mee. Dat was soms ook wel met het ophalen (…).

De maatschappelijk werker Van [betrokkene A]:

Van [betrokkene E], die de dienst op zondagavond altijd om 22.30 uur overdraagt, hoorde ik een aantal dagen na het voorval dat [zoon van eiser] aanwezig was bij de groepsbespreking die altijd op zondagavond 22.30 uur wordt gehouden. Ik had [betrokkene E] daarnaar gevraagd omdat ik wilde uitsluiten dat [zoon van eiser] op enige wijze met de brand, waarvan ik toen had vernomen, in verband werd gebracht (…).

[zoon van eiser] moest om 22.00 uur binnen zijn. Als een bewoner van [instelling] na dat tijdstip nog niet binnen is wordt hij soms gebeld. Of er wordt gebeld hangt af van het profiel, in strafrechtelijke zin, van de betrokkene. [zoon van eiser] viel buiten het profiel dat wordt gebeld. Concluderend ga ik ervan uit dat [zoon van eiser] niet is gebeld, immers was hij tijdens de groepsbespreking aanwezig. Voorts merk ik op dat er met de 22.00 uur wel een marge is, ook afhankelijk van de aanreistijd. Als [zoon van eiser] nu niet tijdens de groepsbespreking aanwezig zou zijn geweest, dan zou ik wel thuis zijn gebeld. Ik was op die avond thuis, althans op afstand bereikbaar. In ieder geval worden om 23.00 uur de koppen geteld door de nachtdienst waarna het alarm wordt ingeschakeld (…).

Op een aanvullende vraag van mr. Van der Kolk antwoord ik:

(…). De dienst wordt weliswaar om 22.30 uur overgedragen maar in de praktijk loopt het gesprek wel eens uit. Het gesprek begint ook meestal wat eerder dan 22.30 uur, maar wij hebben hier wel te maken met mensen. Zo vast liggen die tijden dan ook niet. Om 22.30 uur meldt zich in ieder geval wel de nachtdienst en deze sluiten de boel om 23.00 uur af (…).

2.6. De andere getuigen wier verklaringen relevant zijn, hebben voornamelijk over het uitgevoerde technische onderzoek verklaard. Hierbij is van belang dat het onderzoek waarover de getuige [betrokkene B] verklaart, ruim twintig maanden na de brand is uitgevoerd. De verklaring van [betrokkene B] in zijn rapport “Voor zover na te gaan waren geen nadrukkelijke wijzigingen in de situatie opgetreden” betekent dan ook dat bij elk onderdeel van zijn verklaring, voor zover die gebaseerd is op waarnemingen ter plaatse, meespeelt dat hij pas lange tijd na de brand, de blussingswerkzaamheden en het eerdere onderzoek ter plaatse is geweest. Het I-Tek rapport daarentegen, waarover de getuige [betrokkene D] verklaart, is opgemaakt op 11 juni 2010 na onder meer onderzoek ter plaatse dat al enkele dagen na de brand, op 31 maart 2010, uitgevoerd is.

2.7. De getuige [betrokkene B], directeur schade onderzoeksbureau, tevens partijdeskundige, heeft verklaard:

Ik geef de volgende toelichting op de fotomap in mijn rapport. Met roetsporen is het een kwestie van afsluiten en afdekken. Staat een raam maar een beetje open dan krijgt roet de kans om op te wervelen. Het zoekt als het ware de ruimte op. Wij hebben het raam in geopende toestand aangetroffen, zoals ook in het rapport vermeld. Op foto 9 ziet u een hendel met een palletje. Dat palletje is bedoeld om het kantelgedeelte van het raam te klemmen aan het vaste kozijn. De stand van de hendel is de maximaal haalbare stand. De hendel kan niet verder naar beneden. Indien het raam tijdens de brand dicht had gestaan, dat wil zeggen dat de hendel zodanig omlaag was bewogen dat het palletje op het vaste kozijn zou klemmen, dan zou je daarvan een niet beroete afdruk op het vaste kozijn moeten zien. Die afdruk is op foto 9 en foto 10 niet te zien en zo’n afdruk heb ik ook niet waargenomen. Op foto 9 en 10 is een witte streep te zien. Dit is kennelijk een andere vervuiling. Mogelijk is door de hitte iets gaan lekken. Je ziet duidelijk dat iets naar beneden is gelopen. Het gaat kennelijk om een lekspoor. Het palletje op de hendel is in ieder geval niet zo lang en breed als de vermelde witte streep. Ik merk op dat het palletje ook niet in het verlengde van die witte streep zou kunnen zijn bewogen. De hendel kan immers niet verder naar beneden. Aan de hand van de foto’s, met name foto 11 en 12, stel ik vast dat de binnenruit van de dubbele beglazing eruit ligt en dat de buitenruit kennelijk nog in tact is. Op foto 13 is het vaste gedeelte van het kozijn te zien. Het is de bedoeling dat het kantelraam valt in de sponning, die op die foto is te zien. De sponning en de omliggende gedeeltes zijn met roet bevuild waardoor ik moet concluderen dat het raam tijdens de brand openstond. Dat de binnenruit is gesprongen kan verband houden met de hitte die zich heeft gevormd. Het zegt echter niets over een gesloten of geopende positie van het raam. Ook bij een geopende positie kan de hitte dusdanig zijn geweest dat de ruit daardoor is gesprongen. Op foto 14 ziet u dat de linker bovenhoek van het kantelgedeelte is vervormd. In een gesloten positie zou dit niet mogelijk zijn geweest. Dan zou het vaste gedeelte op eenzelfde wijze als het kantelgedeelte moeten zijn vervormd.

U houdt mij voor dat de sporen van braakschade, waarvan ook foto’s zijn overgelegd, mogelijk na de brand zijn ontstaan. Ik heb echter geen sporen in het huis gezien die duiden op vandalisme in dat verband.

Naar aanleiding van een vraag van mr. Van Buul:

De schoensporen op foto 3 en 4 betreffen het kozijn van de begane grond, te zien op foto 2. Op foto 17 en 19 is een behoorlijke vervuiling over de braakschade heen te zien. De braaksporen moeten dus vóór de brand zijn ontstaan.

Op vragen van mr. Van der Kolk antwoord ik:

Het klopt dat op foto 17, bij de punten 10 en 14 witte afdrukken zijn te zien. Je kunt discussiëren over wat wit is. Maar mogelijk zijn deze punten minder vervuild omdat deze dieper zijn gelegen en het roet er als het ware overheen gegaan is. De deformatie op foto 15 wordt veroorzaakt door grote hitte die alleen ontstaat indien er een luchtstroom langs gaat. Die luchtstroom trekt de hitte aan. In een gesloten positie is deze deformatie niet mogelijk omdat de genoemde luchtstroom er dan niet is. Op foto 16 is geen deformatie door brand te zien, hetgeen te verklaren is door het feit dat dit de buitenzijde van het raam is in geopende toestand. Het is eigenlijk de onderzijde, maar u begrijpt wat ik bedoel. Ik heb ook de rechterbovenzijde van het raam onderzocht maar dat gedeelte is niet gedeformeerd. Als deskundige weet ik dat de hitte altijd een bepaalde hoek opzoekt, maar welke hoek dat is en hoe dat kan worden verklaard, zou ik niet weten. Het heeft in ieder geval te maken met de ventilatie c.q. luchtstroom.

Overigens zie je wel sporen van inbranding van de rechter bovenhoek op een foto die bij de dagvaarding als productie 13 is overgelegd. Het gaat om de zesde foto van die productie (…).

2.8. De getuige [betrokkene C], onderzoeker in dienst bij I-Tek, heeft niets verklaard dat thans relevant is.

2.9. [betrokkene D], toedrachtsonderzoeker bij I-Tek, heeft verklaard:

(…). Het onderzoek van Custos dateert van 20 maanden na het voorval. Mogelijk zijn de schoensporen die Custos heeft gezien in die 20 maanden, althans na ons onderzoek, ontstaan. Ik heb in ieder geval geen schoensporen gezien, terwijl ik daar wel aandacht voor had gelet op het feit dat in diezelfde tijd sprake was van brandstichting in dezelfde buurt.

Op foto acht van Custos is een aftekening te zien die moet zijn veroorzaakt door een op het raam gemonteerde sluitkast. Deze aftekening kan alleen ontstaan indien het raam tijdens de brand gesloten was. De heer [betrokkene B] verklaart over een palletje aan de sluithendel en komt tot de conclusie dat bij een gesloten stand een afdruk van palletje op het kozijn te zien moet zijn. Deze conclusie is niet juist. Het palletje dient namelijk niet voor de afsluiting van het kozijn maar om het raam in een vaste kierstand te zetten. Op mijn foto 20 is die kleine kierstand te zien. Overgelegd is een zwart/wit foto. Ik laat u een kleurenfoto zien waarop dit duidelijker is afgebeeld.

Voorts laat ik u een niet in de procedure overgelegde foto zien waarop een roetspoor, in een soort slinger, op het raam is te zien. Die slinger begint niet onderaan het raam. Deze foto bevestigt mijn conclusie dat het raam gesloten moet zijn geweest. Tijdens de brand trekt de hitte naar boven. De ervaring leert dat hoe hoger in de ruimte hoe meer schade er is. Bij het gesloten raam heeft de hitte naar boven willen gaan en zich, waarschijnlijk, uit de kieren aan de bovenzijde van het raam geperst.

Bij foto negen van Custos stelt Custos dat het om een gefixeerde stand van de hendel gaat, de hendel zou niet verder naar beneden kunnen. Maar ook indien dit een gefixeerde stand zou zijn, is het raam niet zonder schade vanaf buitenaf te openen, immers staat het palletje daaraan in de weg.

Dat de bovenzijde van het raam is vervormd ondanks een gesloten toestand, waardoor deze thans niet meer kan worden dichtgetrokken, verklaart zich door de spanning die op het kozijn is ontstaan door vervorming. Door het openen van het raam heeft het raam zich kunnen ontzetten.

Verder wijs ik op foto 20 van Custos waarop een beschadiging is te zien. Op mijn foto 20 is deze beschadiging niet te zien. Ik hoor mr. Van Buul overigens zeggen dat op mijn foto 20 wel een kleine vervorming is te zien, welke mogelijk dezelfde is als die op foto 20 van Custos. Ik zie dat niet, maar kennelijk kun je je erover van mening verschillen.

Gesuggereerd wordt nog dat het raam weliswaar gesloten kon zijn maar niet vergrendeld tijdens de brand. Uiteraard kan ik dat niet uitsluiten, maar dit zou dan wel in strijd zijn met de verklaring van de heer [eiser], tot tweemaal toe, dat hij alle ramen en deuren had afgesloten.

Op foto 16 van Custos zie je dat de bovenzijde van het vaste gedeelte van het kozijn meer beroet is dan de onderkant. Dit bevestigt mijn verklaring van zojuist dat de hitte zich naar boven trekt en daardoor vooral hoger in de ruimte schade cq beroeting ontstaat.

Op vragen van mr. Van Buul antwoord ik:

Eigenlijk begrijp ik niet goed waarom het raam niet meer kan worden gesloten omdat je aan de buitenzijde ervan nauwelijks een vervorming ziet (…).

2.10. De conclusies in het rapport van I-Tek worden naar het oordeel van de rechtbank niet op losse schroeven gezet door de bevindingen van de partijdeskundige. Zijn bevindingen komen niet overeen met die van I-Tek/[betrokkene D]. Met name de verklaring van [betrokkene D] ten aanzien van het ‘palletje’ en de roetvorming en vervorming van het kozijn acht de rechtbank aannemelijker dan de verklaring die [betrokkene B] hierover geeft. De verklaring van [betrokkene D] is op die onderdelen beter onderbouwd dan die van [betrokkene B].

2.11. Hier komt bij dat de rechtbank niet is gebleken dat de partijdeskundige in voldoende mate rekening heeft gehouden met het aanzienlijke tijdsverloop tussen de brand en zijn onderzoek ter plaatse.

2.12. [betrokkene B]s verklaring “Op foto 17 en 19 is een behoorlijke vervuiling over de braakschade heen te zien. De braaksporen moeten dus vóór de brand zijn ontstaan” is niet voldoende als uitleg van gebeurtenissen na de brand. De volgorde tussen het ontstaan van braakschade en vervuiling zegt immers op zichzelf nog niets over het moment van ontstaan van die braakschade.

2.13. Voorts acht de rechtbank de mededeling in het rapport van Custos van 22 december 2011 dat ‘voorzover na te gaan’ er ‘geen nadrukkelijke wijzigingen in de situatie opgetreden’ waren na de brand zonder verdere toelichting, in het bijzonder over de reden van de hier bedoelde wetenschap, onbruikbaar.

2.14. De slotsom moet luiden dat het aangebrachte tegenbewijs aan het rechterlijk vermoeden niets veranderd heeft. Niet is aannemelijk geworden dat de brand heeft kunnen ontstaan buiten betrokkenheid van de sleutelhouder [eiser] zelf, die daarmee als verzekerde op negatieve wijze bij het ontstaan van de brand betrokken is geweest.

voorts in conventie

2.15. Het voorgaande betekent dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. RVS is niet gehouden dekking te verlenen en ook niet om [eiser] schade te vergoeden.

2.16. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van RVS worden begroot op:

- griffierecht € 568,00

- getuigenkosten 0,00

- salaris advocaat 2.486,00 (5,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 3.054,00

2.17. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

voorts in reconventie

2.18. RVS grondt haar vordering in reconventie op de stelling dat [eiser] heeft gehandeld in strijd met zijn polisverplichtingen en daarmee RVS, die niet tot uitkering verplicht was, op kosten heeft gejaagd, die voornamelijk bestaan in onderzoekskosten.

2.19. Hiertegen verweert [eiser] zich uitsluitend met het ook in conventie gehouden en hierboven onder 2.1-2.14 verworpen betoog, dat er geen sprake is van eigen betrokkenheid van hem bij de brandstichting. Dat hij, wanneer dit betoog niet opgaat, hij aansprakelijk is voor de door RVS geleden schade, bestrijdt hij niet.

2.20. De rechtbank acht dan ook de vordering in reconventie toewijsbaar.

2.21. [eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van RVS worden begroot op € 452,00 voor salaris advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00).

2.22. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van RVS tot op heden begroot op € 3.054,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3. veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.4. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.5. veroordeelt [eiser] om aan RVS te betalen een bedrag van € 15.285,55 (vijftienduizendtweehonderdvijfentachtig euro en vijfenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 29 maart 2010 tot de dag van volledige betaling,

3.6. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van RVS tot op heden begroot op € 452,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.7. veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.8. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.