Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0464

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
232442
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van gedaagde sub 1 op onbevoegdheid rechtbank slaagt; arbitragebeding in toelatingsovereenkomst; de latere vaststellingsovereenkomst hangt zodanig samen met de toelatingsovereenkomst dat wordt geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst voortvloeit uit de toelatingsovereenkomst zoals bedoeld in het arbitragebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2013/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/232442 / HA ZA 12-541

Vonnis in incident van 16 januari 2013

in de zaak van

[eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident]

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. T. Kressin te Amsterdam,

tegen

1. STICHTING RIJNSTATE ZIEKENHUIS,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat prof. mr. J.H. Hubben te Arnhem,

2. ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ VOOR INSTELLINGEN IN DE GEZONDHEIDSZORG MEDIRISK B.A.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident], het ziekenhuis en Medirisk genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord van het ziekenhuis tevens houdende de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring

- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van Medirisk

- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident].

Daarna is vonnis bepaald in het incident.

De vaststaande feiten

1.1. [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] was als orthopeed sinds februari 1991 middels een associatieovereenkomst en een toelatingsovereenkomst verbonden aan de maatschap orthopedie, thans de maatschap Chirurgie Orthopedie (hierna de maatschap), van het ziekenhuis. Op 31 oktober 2000 hebben [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] en het ziekenhuis een nieuwe toelatingsovereenkomst met elkaar gesloten. Daarin staat, voor zover van belang:

“Artikel 15 Meldingsplicht incidenten

(…)

15.3 De stichting (het ziekenhuis; de rechtbank) zal de medisch specialist van het verloop en afhandeling van aansprakelijkheidsinstellingen die jegens de medisch specialist zijn ingesteld op de hoogte houden.

(…).

Artikel 27 Geschillen

27.1 Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst, dan wel van nadere overeenkomsten die daaruit voortvloeien, zullen partijen in onderling overleg trachten tot een oplossing te brengen, zodanig en indien door partijen gewenst, met inschakeling van een daartoe in gezamenlijk overleg te benoemen bemiddelaar.

27.2 Indien met betrekking tot deze geschillen door partijen geen vergelijk wordt bereikt zullen deze geschillen worden beslecht door het Scheidsgerecht Gezondheidszorg overeenkomstig het reglement van dat Scheidsgerecht”.

1.2. De relatie tussen [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident], het ziekenhuis en de maatschap is per 1 januari 2008 beëindigd. In dat verband hebben deze partijen een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten. De op schrift gestelde overeenkomst is door hen ondertekend en gedateerd november 2007. Daarin staat, voor zover van belang:

“In aanmerking nemende:

dat partij 2 ([eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident]; de rechtbank) sedert 1 april 2007 tezamen met partij 1 de maatschap van algemeen chirurgen en orthopaedisch chirurgen van het ziekenhuis Rijnstate Arnhem vormt op basis van de voorwaarden en bedingen zoals vermeld in het tussen partij 1 en 2 gesloten associatiecontract, gedateerd 31 mei 2007, en in dat verband de praktijk van orthopedie uitoefent in het Ziekenhuis Rijnstate te Arnhem en het Ziekenhuis Velp te Velp op basis van de voorwaarden en bedingen zoals vermeld in de tussen partij 2 en partij 3 (het ziekenhuis; de rechtbank) gesloten toelatingsovereenkomst, gedateerd 31 oktober 2000;

dat partijen 1 en 2 in onderling overleg hebben besloten genoemd associatiecontract te beëindigen per 1 januari 2008;

dat partijen 2 en 3 in onderling overleg hebben besloten genoemde toelatingsovereenkomst te beëindigen per 1 januari 2008;

dat partijen bij elkaar te rade zijn gegaan en zich jegens elkaar aan de navolgende vaststelling van hun rechtsverhouding wensen te binden.

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

(…)

Artikel 9 - medewerking

9.1. Partij 2 zal partijen 1 en 3 onverwijld informeren over de tegen hem in verband met zijn werkzaamheden in het ziekenhuis ingestelde civiel-, straf- of tuchtrechtelijke procedures/vorderingen en de naar aanleiding daarvan gewezen uitspraken en op eerste verzoek van partij 1 en/of partij 3 zijn volledige medewerking verlenen aan de in verband daarmee door partij 1 en/of partij 3 noodzakelijk geachte acties”.

(…)

Artikel 11 - mededelingen

11.1. Partijen zullen zich niet negatief over elkaar uitlaten”.

(…)

11.3. Het bepaalde in lid 1 laat onverlet de verantwoordelijkheid die partij 1 en/of partij 3 op grond van wettelijke voorschriften of anderszins op grond van professionele standaarden draagt/dragen”.

1.3. In december 2007 heeft de Raad van Bestuur van het ziekenhuis aan [betrokkene], als orthopedisch chirurg verbonden aan het UMC te Groningen, verzocht een expertise te verrichten. Daarbij is hem de vraag voorgelegd of het medisch handelen van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] de toets der professionele kritiek kan doorstaan. De beantwoording van die vraag achtte het ziekenhuis van belang om (onder meer) te kunnen vaststellen of er reden is de betrokken patiënten van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] te informeren over de mogelijkheid om over de opgetreden schade in overleg te treden met de aansprakelijkheidsassuradeur van het ziekenhuis.

1.4. Bulstra heeft, samen met [betrokkene], eveneens orthopedisch chirurg aan het UMC te Groningen, op 5 november 2008 zijn rapport aan het ziekenhuis uitgebracht.

1.5. Medirisk is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] en van het ziekenhuis.

Het geschil in de hoofdzaak en in het incident

2. [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] heeft gevorderd:

a. te verklaren voor recht dat het ziekenhuis en Medirisk ieder voor zich zijn tekort geschoten in hun contractuele verplichtingen jegens [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident], dan wel te verklaren voor recht dat zij jegens [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] onrechtmatig hebben gehandeld,

b. het ziekenhuis en Medirisk hoofdelijk te veroordelen aan [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] te betalen een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en vermeerderd met de gemaakte buitengerechtelijke kosten.

3. [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] heeft aan zijn vorderingen jegens het ziekenhuis ten grondslag gelegd, verkort weergegeven, dat het ziekenhuis toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst omdat het ziekenhuis, in strijd met de artikelen 9 en 11 van die overeenkomst, uit eigen beweging en zonder [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] daarin te kennen deskundigen heeft benaderd met het verzoek een oordeel te geven over het medisch handelen van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] op basis van tien door het ziekenhuis uitgezochte dossiers. De uitkomst van dat onderzoek is door het ziekenhuis zonder overleg met [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg en aan de aansprakelijkheidsverzekeraar Medirisk gezonden.

Voorts heeft [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat het ziekenhuis toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de toelatingsovereenkomst door, in strijd met artikel 15.3 van die overeenkomst [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] onkundig te houden van de door haar - middels het verzoek aan vorenbedoelde deskundigen - geïnitieerde aansprakelijkstellingen.

Het voormelde handelen van het ziekenhuis is volgens [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] tevens, onder de door hem in de dagvaarding onder 96 t/m 115 beschreven omstandigheden, onrechtmatig jegens hem.

Als gevolg van dit handelen stelt [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] inkomens- en reputatieschade te hebben geleden waarvoor hij het ziekenhuis (en Medirisk, hoofdelijk) aansprakelijk houdt.

4. Aan zijn vorderingen tegen Medirisk heeft [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] ten grondslag gelegd, verkort weergegeven, dat Medirisk jegens hem toerekenbaar is tekort geschoten in haar verplichtingen die zij jegens [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] heeft door hem, na binnenkomst van de aansprakelijkstellingen, niet in de gelegenheid te stellen daarop inhoudelijk een reactie te geven en hem zelfs niet te informeren over de acties van Medirisk (het sturen van brieven naar patiënten van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident]). Dat had Medirisk volgens haar eigen procedureregels, zoals die zijn neergelegd op haar website onder het hoofdstuk “Procedure bij claims”, wel behoren te doen. Dit handelen is volgens [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] ook in strijd met de “Gedragscode Verzekeraars 2011”, kernwaarde 11, waarin staat dat verzekeraars in het schadebehandelingsproces zorgdragen voor een voortvarende en zorgvuldige afhandeling met oog voor alle betrokkenen.

Verder heeft [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] gesteld dat Medirisk jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Medirisk heeft, aldus [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident], een eigen zelfstandige zorgverplichting jegens [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] als verzekerde onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering die het ziekenhuis met Medirisk heeft gesloten. Die zorgverplichting heeft Medirisk volgens [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] geschonden hetgeen, onder de in de dagvaarding onder de 119 t/m 132 omschreven omstandigheden, onrechtmatig is.

Als gevolg van voormeld handelen stelt [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] inkomens- en reputatieschade te hebben geleden waarvoor hij Medirisk (en het ziekenhuis, hoofdelijk) aansprakelijk houdt.

5. Voor alle weren heeft het ziekenhuis gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren van het onderhavige geschil kennis te nemen. [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] heeft de vordering in het incident gemotiveerd weersproken. Op de stellingen en verweren van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] en het ziekenhuis wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling van het geschil

In het incident

6. Volgens het ziekenhuis is de rechtbank onbevoegd van het onderhavige geschil jegens haar kennis te nemen, omdat in de toelatingsovereenkomst een arbitragebeding is overeengekomen. [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] heeft dat gemotiveerd betwist. Hij heeft allereerst opgeworpen dat in de vaststellingsovereenkomst geen arbitragebeding staat.

7. De vorderingen van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] tegen het ziekenhuis zijn, zo volgt uit hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen, gegrond op zowel de toelatingsovereenkomst als de vaststellingsovereenkomst. In artikel 27.2 van de toelatingsovereenkomst is een arbitragebeding opgenomen, inhoudende dat het Scheidsgerecht Gezondheidszorg bevoegd is kennis te nemen van geschillen tussen het ziekenhuis en [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] “welke mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst, dan wel van nadere overeenkomsten die daaruit voortvloeien”. Daaruit volgt dat de rechtbank niet bevoegd is van de vorderingen van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] kennis te nemen voor zover die zijn gegrond op de toelatingsovereenkomst.

8. De vraag is vervolgens of de rechtbank al dan niet bevoegd is van de vorderingen van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] kennis te nemen voor zover die hun grondslag vinden in de vaststellingsovereenkomst. Het komt daarbij, gelet op de tekst van het in de toelatingsovereenkomst neergelegde arbitragebeding, aan op de vraag of de vaststellingsovereenkomst een nadere overeenkomst is die voortvloeit uit de toelatingsovereenkomst. Als dat zo is, dan is de rechtbank evenmin bevoegd van de op de vaststellingsovereenkomst gegronde vorderingen van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] kennis te nemen.

9. Met de vaststellingsovereenkomst hebben partijen de toelatingsovereenkomst beëindigd en de gevolgen van de beëindiging geregeld. In de vaststellingsovereenkomst wordt met zoveel woorden verwezen naar de toelatingsovereenkomst. De beide overeenkomsten hebben ook betrekking op dezelfde materie, namelijk het regelen van de verhouding tussen (onder andere) het ziekenhuis en [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident]. Daaruit volgt dat de toelatingsovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst zo nauw met elkaar samenhangen, dat geoordeeld moet worden dat de vaststellingsovereenkomst een overeenkomst is die voortvloeit uit de toelatingsovereenkomst zoals bedoeld in het arbitragebeding.

10. Het enkele feit dat in de vaststellingsovereenkomst de toelatingsovereenkomst is beëindigd en geen arbitraal beding is opgenomen oordeelt de rechtbank als een onvoldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat partijen bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst voor ogen hadden dat geschillen in verband met die vaststellingsovereenkomst niet aan het scheidsgerecht zouden worden voorgelegd. Daarbij is van belang dat, zoals overwogen, de vaststellingsovereenkomst wat betreft de inhoud op dezelfde materie ziet als de toelatingsovereenkomst en partijen bij het sluiten van deze overeenkomst aanleiding zagen het scheidsgerecht de bevoegdheid te geven over geschillen in verband daarmee te beslissen. De conclusie is dat de rechtbank ook onbevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] die zijn gebaseerd op de vaststellings-overeenkomst.

11. Anders dan [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] heeft opgeworpen, maakt het feit dat de vorderingen deels zijn gegrond op onrechtmatige daad het voorgaande niet anders, omdat het gestelde onrechtmatig handelen volgens [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] zijn oorsprong vindt in het tekortschieten van het ziekenhuis in de nakoming van haar verplichtingen uit de voornoemde overeenkomsten.

Het (subsidiair) afstand doen van het recht zich ten aanzien van de toerekenbare tekortkoming te beroepen op artikel 15 lid 3 van de toelatingsovereenkomst kan [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] niet baten, reeds omdat, zo volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, de vaststellingsovereenkomst moet worden beschouwd als voortvloeiend uit de toelatingsovereenkomst.

12. Ook de omstandigheid dat [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] en het ziekenhuis volgens [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] nimmer een bemiddelaar hebben ingeschakeld, zoals in artikel 27.1 van de toelatingsovereenkomst is voorgeschreven, kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat zulks niet de bevoegdheid raakt, maar eventueel de ontvankelijkheid.

13. [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] heeft ten slotte opgeworpen dat een beroep van het ziekenhuis op het arbitragebeding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Hij stelt er belang bij te hebben dat de procedures tegen het ziekenhuis en Medirisk in één procedure worden behandeld, omdat aan die vorderingen hetzelfde feitencomplex en een door gedaagden gezamenlijk gepleegde onrechtmatige daad ten grondslag ligt. Het zou de processuele positie van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] schaden wanneer dat gezamenlijk handelen van het ziekenhuis en Medirisk niet in één procedure kan worden beoordeeld, aldus [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident].

14. Van het buiten toepassing laten van een tussen partijen geldig overeengekomen arbitragebeding kan slechts sprake zijn als het beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De hiervoor genoemde omstandigheden zijn onvoldoende om dat oordeel in dit geval te kunnen rechtvaardigen. Immers, uit hetgeen hiervoor onder de feiten en het geschil is weergegeven, volgt dat de gestelde toerekenbare tekortkoming en onrechtmatige daad van het ziekenhuis, als (ex) werkgever van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident], op andere feitelijke gronden berust dan de gestelde toerekenbare tekortkoming en onrechtmatige daad van Medirisk. Dat vloeit met name voort uit de omstandigheid dat de relatie tussen [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] en het ziekenhuis een geheel andere is dan de relatie tussen [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] en Medirisk. Reeds daarom valt niet in te zien dat [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] door een splitsing van de procedures in zijn (processuele) belangen zou worden geschaad en/of dat het onrechtmatig handelen van de beide gedaagden niet meer deugdelijk zou kunnen worden beoordeeld, zoals [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] ook nog heeft gesteld. De enkele omstandigheid dat de vorderingen van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] tegen de beide gedaagden deels berusten op dezelfde feiten is onvoldoende voor een ander oordeel. De conclusie is dat het beroep van het ziekenhuis op het arbitragebeding naar maatsteven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.

In de hoofdzaak tussen [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] en het ziekenhuis en in het incident

15. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] in de kosten van de procedure van het ziekenhuis worden veroordeeld.

In de hoofdzaak tussen [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] en Medirisk

16. De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

17. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

18. De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

19. In beginsel zal ter comparitie niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

20. Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

21. De partijen wordt verzocht de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk twee weken tevoren aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.

De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak en in het incident

In de zaak tussen [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] en het ziekenhuis

verklaart zich onbevoegd van de vordering van [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] in de hoofdzaak tegen het ziekenhuis kennis te nemen,

veroordeelt [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] in de kosten van de procedure, aan de zijde van het ziekenhuis tot op heden begroot op € 904,-- wegens salaris in de hoofdzaak en in het incident en op € 575,-- wegens griffierecht in de hoofdzaak,

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak voorts

in de zaak tussen [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] en Medirisk

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. S.C.P. Giesen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

bepaalt dat [eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Medirisk dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 januari 2013 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op vrijdagen in de maanden februari tot en met april 2013, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

bepaalt dat de in de overwegingen genoemde stukken uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartij moeten zijn toegestuurd,

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

wijst partijen er op, dat voor de zitting drie uur zal worden uitgetrokken,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.

Coll.: ED