Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0456

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
229270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of overeenkomst is ontbonden wordt bevestigend beantwoord; ontbindende voorwaarde met succes en op goede gronden ingeroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/229270 / HA ZA 12-306

Vonnis van 16 januari 2013

in de zaak van

[eisers]

eisers in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. A.H.A.J.M. Nouwen te Weert,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RESTAURANT THE HUNTING LODGE B.V.,

gevestigd te Rozendaal,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. R. Vissink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] (enkelvoud) en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 juli 2012

- de akte houdende aanvulling conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie

- het proces-verbaal van comparitie van 29 oktober 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van een onroerende zaak aan de [adres] in [woonplaats], bestaande uit een perceel met daarop een woonhuis. [eiser] heeft met [gedaagde] op 9 augustus 2011 een overeenkomst gesloten ter zake van de verkoop van dit perceel met woonhuis. De koopsom is daarin vastgesteld op € 725.000,00 en de leveringsdatum op uiterlijk 1 november 2011. In de overeenkomst is voorts bepaald dat een partij die ten aanzien van de feitelijke of juridische levering in verzuim is, ten gunste van de andere partij een boete verbeurt van 10 % van de koopsom, onverminderd diens recht op nakoming. Als ontbindende voorwaarde is in de overeenkomst het volgende opgenomen:

Mogelijkheden herontwikkeling:

20.1.3. Partijen zijn bekend met het huidige plan tot ontwikkeling van het te bouwen appartementencomplex ([het complex]) op het naastgelegen terrein. Als uit het door koper nader uit te voeren onderzoek naar de mogelijkheden om het verkochte mee te nemen in het thans voorliggende plan met betrekking tot de ontwikkeling van bedoeld appartementencomplex, niet uiterlijk op 15 oktober 2011 is gebleken, dat het verkochte kan worden meegenomen in het thans voorliggende plan kan deze overeenkomst worden ontbonden.

Inspanningsverplichting:

20.1.4. partijen verbinden zich jegens elkaar al het nodige en mogelijke te doen teneinde een beroep op een van de in deze overeenkomst geformuleerde ontbindende voorwaarden te voorkomen.

(…)

Beroep op ontbindende voorwaarde:

20.2 Vervulling van een in lid 1 opgenomen ontbindende voorwaarde leidt slechts tot ontbinding indien, voor wat betreft het in lid 1.3. genoemde geval, koper, en in het in lid 1.1. genoemd geval, de verkoper, zich daarop tijdig beroept.

Dit beroep moet geschieden door middel van een schriftelijke mededeling (met ontvangstbewijs) aan de notaris. Deze mededeling dient uiterlijk op de eerste werkdag na de voor de desbetreffende voorwaarde in lid 1 genoemde datum in het bezit van de notaris te zijn, op straffe van verval van de bevoegdheid zich op de voorwaarde te beroepen.

2.2. [gedaagde] heeft bij brief aan de notaris van 14 oktober 2011 verzocht om de in artikel 20.1.3 van de overeenkomst vermelde datum uit te stellen met een maand. In de brief is vermeld dat de gemeente [woonplaats] nog geen besluit had kunnen nemen over het meenemen van de onroerende zaak in het in artikel 20.1.3. vermelde plan [het complex]. Voorts is in de brief vermeld “indien dit niet akkoord is, zal de overeenkomst moeten worden ontbonden.”

2.3. De onder 2.2. vermelde brief is door de notaris op dezelfde dag doorgezonden aan [eiser]. [eiser] reageerde daarop op dezelfde dag als volgt:

Na overleg met onze adviseur kunnen wij instemmen met het verzoek van koper om een maand uitstel te verlenen, echter onder de volgende voorwaarden:

Verkoper krijgt inzicht in de plannen welke koper heeft voorgelegd aan de Gemeente [woonplaats] voor het perceel [adres] 1a te [woonplaats].

Koper neemt de extra kosten van verkoper voor haar rekening (hypotheek, voorschot gas, water en licht, verzekeringen) voor een bedrag van € 3.500,00 voor de maand uitstel welke verkoper verleent.

De ontbindende voorwaarde, geformuleerd in artikel 20 1.3. opgenomen in de door partijen getekende koopovereenkomst wordt in die zin aangepast dat de datum om een beroep te kunnen doen op de ontbindende voorwaarde verandert in 15 november 2011 en dat het onroerend goed voor 11 december 2011 door koper dient te worden afgenomen.

Ik neem aan dat, indien koper akkoord gaat, dat wij van u een schriftelijke bevestiging krijgen?

2.4. In een e-mail van [eiser] aan het kantoor van notaris Laumans van 3 november 2011 is het volgende vermeld:

Even een klein berichtje van verkopers. Inmiddels heeft de heer [betrokkene 1] op woensdag 26 oktober eindelijk telefonisch contact gehad met koper, The Hunting lodge B.V. namens deze Dhr. Th. [betrokkene 2]. Dhr. [betrokkene 2] deelde mij mede dat ons voorstel van 14 oktober niet integraal wordt aanvaard, met name de lopende kosten van verkopers wil Dhr. [betrokkene 2] niet voor zijn rekening nemen. Inzage in de planontwikkeling voor de [adres] 1a kunnen verkopers wel inzage krijgen. Volgens Dhr. [betrokkene 2] heeft de gemeente [woonplaats] hem gevraagd zijn plan op papier uit te werken. Volgens Dhr. [betrokkene 2] zou dat vorige week al klaar zijn, maar tot op heden hebben verkopers niets van de plannen ontvangen. Verkopers vragen zich wel af waarom nu pas een plan op papier is/wordt gezet, terwijl er al enkele maanden zijn verstrekken. Tussen partijen is een inspanningsverplichting opgenomen in de koopovereenkomst, met name voor koper om instemming te verkrijgen voor zijn plannen. Waarom dan nu pas een plan aan het papier toevertrouwen?

Wij hebben het voorstel van Dhr [betrokkene 2] in beraad en zullen, naar overleg met onze adviseur, daar op reageren.

2.5. In een brief van [gedaagde] aan [eiser] van 14 november 2011 is het volgende vermeld:

Middels dit schrijven verzoek ik u nogmaals om uitstel te verlenen. Het aangepaste plan is nagenoeg gereed om met de gemeente [woonplaats] besproken te worden. Wanneer de bespreking exact kan plaats vinden, is nu echter nog niet bekend.

Dit is de reden dat ik u wil verzoeken uitstel te verlenen en de termijn genoemd in de koopovereenkomst van het object [adres] 1a te [woonplaats], te verlengen tot 31 januari 2012. Indien dit voor u onacceptabel is, rest niets anders dan de eerder genoemde overeenkomst te ontbinden.

2.6. Op 6 december 2011 heeft op het kantoor van notaris Laumans een bespreking tussen partijen plaatsgevonden. In een e-mail van notaris Laumans van 21 februari 2012 aan de raadsman van [eiser] is daarover het volgende vermeld:

Gelet op de moeizame communicatie tussen partijen heeft op 6 december 2011 op mijn kantoor een bespreking tussen de beide partijen plaatsgevonden.

In die bespreking is uitdrukkelijk aan de orde geweest dat gelet op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard de koopovereenkomst volgens de heer [betrokkene 2] (vertegenwoordiger van gedaagde) is ontbonden aangezien partijen nimmer overeenstemming hebben bereikt over de verlenging van de termijn. Dit is door uw cliënten niet weersproken. Partijen zouden bekijken hoe ze eventueel met elkaar verder gaan. Nadien heb ik geen bericht ontvangen dat partijen nader contact hebben gehad c.q. nadere afspraken hebben gemaakt.

2.7. In een e-mail van [.] [betrokkene 3] (adviseur van verkopers) aan de raadsman van [eiser] is over de hiervoor vermelde bespreking de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

Tijdens het overleg op 6 december 2011 ten kantore van notaris Laumans te Arnhem is onder meer gesproken over de status van de koopovereenkomst tussen [eiser] voor het object [adres] te [woonplaats] en de voortgang in de planontwikkeling door de heer [betrokkene 2].

(…)

Tijdens het overleg op 6 december 2011 heeft de heer [betrokkene 2] zijn plannen toegelicht en daarbij niet alleen het oorspronkelijke aan [eiser] voorgehouden plan (waarop de koopovereenkomst overigens was gebaseerd) om het verkochte mee te nemen in het plan met betrekking tot de ontwikkeling van het appartementencomplex Residence Roosendael gepresenteerd maar ook een kennelijk eerder door [betrokkene 2] ontwikkeld plan voor de realisatie van een galerie gepresenteerd; [betrokkene 2] heeft ons daarbij voorts nog gewezen op een website waarop een impressie van het object en de omgeving kon worden bekeken (www.defilmmaker.nl, rubriek vastgoed en vervolgens onder overige objecten: Residence Roosendael). [betrokkene 2] heeft daarbij medegedeeld dat zijn beoogd kandidaat-koper (een partij uit het Midden oosten) voor deze ontwikkeling was afgehaakt.

2.8. De leveringsakte is nooit gepasseerd, noch heeft [gedaagde] om een nader uitstel voor levering verzocht.

2.9. Bij brief van de raadsman van [eiser] aan [gedaagde] van 17 februari 2012 is [gedaagde] in gebreke gesteld en is haar gelegenheid gegeven alsnog haar medewerking te verlenen aan de levering. [gedaagde] gaf daaraan geen gehoor waarop [eiser] [gedaagde] nogmaals in gebreke heeft gesteld bij brief van 24 februari 2012 en aanspraak heeft gemaakt op een contractuele boete van 10 procent van de hoofdsom, derhalve € 72.500,00.

2.10. [eiser] heeft beslag doen leggen op aan [gedaagde] in eigendom toebehorende percelen “2163 en 2164”. Deze percelen zijn naast het door [eiser] aan [gedaagde] verkochte perceel gelegen. Klok Ontwikkeling B.V. ontwikkelt op die percelen het plan [het complex]. In verband daarmee heeft [gedaagde] een overeenkomst tot verkoop aan Klok Ontwikkeling B.V. gesloten. Die overeenkomst verplicht tot de overdracht van de genoemde percelen vrij van beslagen indien van drie kopers van de in het kader van het plan te realiseren appartementen een kooptoezegging is ontvangen. In artikel 6.1 van de overeenkomst is hierover meer specifiek het volgende bepaald:

(…) zodra er drie woonappartementen waaronder in ieder geval begrepen de begane grond zijnde bouwnummer 1 en/of het penthouse zijnde bouwnummer 6 onherroepelijk verkocht zijn of zoveel eerder of later als partijen nader mochten overeenkomen op het door de notaris te bepalen tijdstip.

In artikel 18.3 van de overeenkomst met Klok Ontwikkeling B.V. is bepaald dat, voor zover hier van belang, bij een verzuim dat betrekking heeft op de feitelijke of juridische levering de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een boete zal verbeuren van 10% van de koopsom.

2.11 Bij brief van 3 april 2012 van Klok Ontwikkeling B.V. aan [gedaagde] is vermeld dat van drie kopers een kooptoezegging is ontvangen en wordt [gedaagde] verzocht een afspraak te maken voor het notarieel transport “op of omstreeks 1 juni 2012”

2.12. Bij brief van 8 juni 2012 van Klok Ontwikkeling B.V. is [gedaagde] met betrekking tot de uitblijvende levering in gebreke gesteld en is de contractuele boete, als onder 2.10 vermeld, aangezegd.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] vordert – samengevat – [gedaagde] te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de overdracht van de onroerende zaak op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde] vanaf 5 dagen na betekening van het hierop betrekking hebbende vonnis in gebreke zal blijven, betaling van de koopsom van € 725.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2012, betaling van een contractuele boete van € 72.500,00, betaling van de maandelijks doorlopende lasten van € 2.470,54 te vermeerderen met € 2.092,47 per maand of gedeelte van een maand vanaf 1 maart 2012 tot aan de dag dat de koopovereenkomst volledig wordt nagekomen, betaling van € 1.788,00 in verband met door hem gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure waaronder die van het beslag.

3.2. Aan de vordering wordt ten grondslag gelegd dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de onder 2.1. vermelde overeenkomst. In dat verband vordert [eiser] naast nakoming, schadevergoeding in verband met doorlopende vaste lasten en een contractuele boete, gesteld op 10% van de koopsom.

3.3. Het verweer van [gedaagde] is dat de overeenkomst met de onder 2.2. vermelde brief van 14 oktober 2011 door haar voorwaardelijk is ontbonden, namelijk onder de voorwaarde dat [eiser] niet akkoord ging met de verlenging van de termijn voor ontbinding. [gedaagde] heeft diverse besprekingen gevoerd met de verantwoordelijk wethouder van de gemeente [woonplaats] en naar aanleiding daarvan haar plannen aangepast waarna haar plannen nog steeds geen goedkeuring van de gemeente kregen, waaruit volgt dat zij aan de in artikel 20.1.4. van de overeenkomst bepaalde inspanningsverplichting heeft voldaan.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [gedaagde] vordert samengevat - veroordeling van [eiser], hoofdelijk, tot betaling van de aan Klok Ontwikkeling B.V. verbeurde c.q. te verbeuren contractuele boete, tot betaling van de doorlopende hypotheeklasten ten bedrage van € 2.662,85 per maand en de doorlopende rente, beide te rekenen vanaf de dag waarop [gedaagde] de percelen 2163 en 2164 vrij van beslagen aan Klok Ontwikkeling B.V. had moeten leveren tot aan de dag van opheffing van de beslagen, de kosten van een door Willemsen Makelaars uitgevoerde taxatie van € 3.451,00 en de kosten van een door De Rooij Makelaars uitgevoerde taxatie van € 5.559,56, alsmede de buitengerechtelijke kosten van € 4.000,00.

3.6. [eiser] voert verweer. Onder meer wijst hij op een ondertekeningsdatum van 20 januari 2012 die niet is te rijmen met de datum van een in artikel 11.3 van de overeenkomst met Klok Ontwikkeling B.V. vermelde kadastrale uittreksels van 25 mei 2012. Voorts vindt hij opvallend dat gelet op deze laatste datum Klok Ontwikkeling B.V. al op 3 april 2012 verzoekt om levering.

3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. In conventie staat de vraag centraal of met de onder 2.2. vermelde brief van [gedaagde] van 14 oktober 2011 de overeenkomst is ontbonden. De brief bevat een verzoek om de termijn van artikel 20.1.3. van de overeenkomst om de ontbindende voorwaarde met betrekking tot de planontwikkeling betreffende het te bouwen appartementencomplex [het complex] te verlengen met een maand. Die brief is beantwoord met een brief van dezelfde datum van [eiser] waarin hij akkoord gaat met de termijnverlening maar daaraan een aantal voorwaarden verbindt. Die voorwaarden zijn door [gedaagde] niet aanvaard, althans niet volledig zoals volgt uit de onder 2.4. vermelde e-mail van [eiser] aan de notaris van 3 november 2011. [eiser] vermeldt daarin bovendien dat hij op zijn beurt “het voorstel nog in beraad heeft” waarmee kennelijk is bedoeld dat hij zich nog wilde beraden over de toen ontstane situatie waarin [gedaagde] zijn voorstel niet geheel had aanvaard. Nadien is van een aanvaarding door [eiser] van het tegenvoorstel van [gedaagde] niet gebleken. Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat door de brief van 14 oktober 2011 de ontbindende voorwaarde door [gedaagde] is ingeroepen.

4.2. Aan het voorgaande doet niet af dat [gedaagde] bij brief van 14 november 2011 andermaal heeft verzocht om een verlenging van de termijn, immers was een verlenging van de termijn gelet op de eerder ingeroepen ontbindende voorwaarde toen niet meer mogelijk. Indien echter uit de brief van 14 november 2011 moet worden afgeleid dat [gedaagde] daarmee niet langer vasthield aan de ontbindende voorwaarde als eerder door haar ingeroepen – in de brief gaat zij er immers van uit dat de overeenkomst nog bestond – is van belang dat ook van een tijdige aanvaarding van dit laatste verzoek om een termijnverlenging niet is gebleken, waardoor de overeenkomst ingevolge de slotzin van dezelfde brief - indien dit voor u onacceptabel is, rest niets anders dan de eerder genoemde overeenkomst te ontbinden - alsnog per die datum als ontbonden moet worden aangemerkt. Gelet op het eerdere verzoek om een verlenging van de termijn tot 15 oktober 2011 had [eiser] het tweede verzoek van [gedaagde] om een termijnverlenging uiterlijk op 15 oktober 2011 moeten aanvaarden, hetgeen niet is gebeurd.

4.3. Dan resteert de vraag of [gedaagde] de overeenkomst had mogen ontbinden gelet op de in artikel 20.1.4. vermelde verplichting dat partijen het nodige zullen doen om een beroep op de ontbindende voorwaarde te voorkomen. [gedaagde] heeft toegelicht dat de gemeente geen goedkeuring aan haar plannen gaf, en ook na aanpassing van die plannen haar goedkeuring niet heeft gegeven. [eiser] stelt dat [gedaagde] niet het nodige heeft gedaan om deze goedkeuring te verkrijgen, maar zij licht niet toe wat [gedaagde] dan wel had moeten doen om die vereiste goedkeuring te verkrijgen. Weliswaar stelt zij dat [gedaagde] veel eerder met een tekening had moeten komen, echter is [gedaagde] uiteindelijk wel met een tekening gekomen, maar kreeg zij ook daarna de gewenste toestemming van de gemeente niet. Van enig verband tussen een verlate aanlevering van een tekening en de geweigerde toestemming door de gemeente is dus niet gebleken.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] op 14 oktober 2011 dan wel op 14 november 2011 op goede gronden de ontbindende voorwaarde als in artikel 20.1.3. van de overeenkomst heeft ingeroepen en daarmee in ieder geval vanaf 15 november 2011 niet meer aan de overeenkomst was gebonden. De vordering wordt daarom afgewezen.

4.5. Als in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden begroot op € 3.621,00 in verband met het griffierecht en

€ 5.160,00 als (geliquideerd) advocatensalaris (2 punten x tarief 7).

in (voorwaardelijke) reconventie

4.6. Voor het geval de vorderingen in conventie worden afgewezen, vordert [gedaagde] vergoeding van haar schade als gevolg van de alsdan onrechtmatig gelegde beslagen. Nu de vorderingen in conventie worden afgewezen, wordt toegekomen aan de vordering in reconventie.

4.7. Met betrekking tot de boete die [gedaagde] stelt te verbeuren jegens Klok Ontwikkeling B.V. heeft [eiser] gevraagd om een nadere onderbouwing c.q. bewijs van de onheroepelijke verkoop door Klok Ontwikkeling B.V. van drie appartementen zoals bepaald in artikel 6.1 van de overeenkomst. [gedaagde] heeft deze niet gegeven omdat, naar zij stelt, zij deze onderbouwing c.q. dit bewijs ook niet van Klok Ontwikkeling B.V. heeft gekregen. De daarop gerichte vordering dient daarom als onvoldoende feitelijk onderbouwd te worden afgewezen.

4.8. Wat betreft de doorlopende hypotheeklasten en de doorlopende rente wordt het volgende overwogen. Los van de vraag of en wanneer Klok Ontwikkeling op grond van artikel 6.1. van de overeenkomst een afdwingbare aanspraak heeft op de notariële overdracht van de percelen, volgt uit de onder 2.11 en 2.12 vermelde brieven in ieder geval de wens van Klok Ontwikkeling B.V. om deze te verkrijgen. Het uitgangspunt is daarom dat zonder de door [eiser] gelegde beslagen de percelen konden worden overgedragen per de in de brief van Klok Ontwikkeling B.V. van 3 april 2012 vermelde datum van 1 juni 2012.

4.9. [eiser] is aansprakelijk voor de schade in verband met het uitblijven van de notariële overdracht, immers was die overdracht door de door hem gelegde beslagen niet mogelijk, althans niet vrij van beslagen waartoe [gedaagde] zich had verbonden. [gedaagde] heeft te dien aanzien aanspraak gemaakt op vergoeding van haar doorlopende hypotheeklasten en rente vanaf 1 juni 2012. De door [gedaagde] gestelde hoogte van de maandelijkse hypotheek van € 2.662,85 is door [eiser] niet betwist. Uit de door [gedaagde] overgelegde productie 27 blijkt dat de hypotheeklast uitsluitend rente en geen aflossing betreft, zodat van dit volledige bedrag als maandelijkse schade zal worden uitgegaan. Daarbij wordt nog overwogen dat, anders dan door [eiser] bepleit, op [gedaagde] geen verplichting rustte tot het stellen van vervangende zekerheid ter opheffing van de beslagen en daarmee beperking van haar schade. Het niet nemen van schadebeperkende maatregelen is alleen dan aan een benadeelde toe te rekenen indien op grond van de omstandigheden van het geval zou moeten worden geoordeeld dat het nemen van zodanige maatregelen van hem kan worden gevergd. De schade als hier aan de orde is een rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige beslaglegging door [eiser]. [eiser] heeft het thans als onrechtmatig aangemerkte beslag gelegd en heeft ervoor gekozen dit te handhaven en heeft daarmee welbewust het risico van een aansprakelijkheid voor deze schade op zich genomen. Het lag niet op de weg van [gedaagde] dit risico te verzachten door vervangende zekerheid aan te bieden aan [eiser], nog daargelaten of daarvoor toen voor [gedaagde] een redelijke mogelijkheid bestond.

4.10. Over de hoogte van de doorlopende rente over de netto verkoopopbrengst (opbrengst minus hypotheeksom) heeft [gedaagde] niets gesteld. [gedaagde] specificeert de door haar te dien aanzien geleden schade niet. De daarop betrekking hebbende vordering moet daarom als onvoldoende bepaald, worden afgewezen. Ook de noodzaak van de in opdracht van [gedaagde] uitgevoerde taxaties van de percelen is door haar onvoldoende toegelicht zodat ook de daarop betrekking hebbende vordering wordt afgewezen. Van buitengerechtelijke werkzaamheden buiten werkzaamheden die direct vooruit hebben gelopen op een gerechtelijke procedure is niet gebleken zodat een daarop betrekking hebbende vergoeding, zoals door [gedaagde] gevorderd, zal worden afgewezen.

4.11. Nu een aanzienlijk deel van de vorderingen wordt afgewezen, is geen van de partijen als overwegend in het (on)gelijk gestelde partij aan te merken. De proceskosten worden daarom gecompenseerd in die zin dat ieder partij de eigen kosten van de procedure draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] ieder hoofdelijk de dat de een heeft betaald de ander is bevrijd, in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 8.781,00,

5.3. verklaart het onder 5.2. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie:

5.4. veroordeelt v[eiser] hoofdelijk des dat de een heeft betaald de ander is bevrijd tot betaling aan [gedaagde] van € 2.662,85 voor iedere maand dat de beslagen op de percelen 2163 en 2164 vanaf 1 juni 2012 niet door [eiser] zijn opgeheven,

5.5. verklaart het onder 5.4. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.