Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0442

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
231699
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen ex-partners over de contractuele boete waartoe ieder van hen is veroordeeeld bij vonnis van de rechtbank Utrecht, wegens het niet afnemen van de door hen gekochte woning. De vrouw vordert nu betaling door de man van het bedrag dat zij aan de verkopers van de woning heeft voldaan en door haar gemaakte kosten. Vordering niet toewijsbaar op grond van onrechtmatige daad/wanprestatie, wel (deels) op grond van regres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: 231699 / HA ZA 12-460

Vonnis van 16 januari 2013

in de zaak van

[eiseres],

eiseres,

advocaat mr. W. van de Velde te Rhenen,

tegen

[gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. B.J. Stuiver te Tiel.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 oktober 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad.

2.2. Op 14 juli 2008 hebben [eiseres] en [gedaagde] een mondelinge koopovereenkomst gesloten met de heer en mevrouw [betrokkene] (verder: [betrokkene] c.s.) uit [woonplaats] aangaande de koop van het woonhuis van [betrokkene] c.s. gelegen aan de [adres] 181 te [woonplaats] (verder: de woning). [eiseres] en [gedaagde] zijn met [betrokkene] c.s. een koopprijs van € 535.000,-- kosten koper overeengekomen.

2.3. Op 23 juli 2008 hebben [eiseres], [gedaagde] en [betrokkene] c.s. de koopovereenkomst met betrekking tot de woning getekend. De transportdatum van de woning is bepaald op 14 april 2009.

2.4. Bij brief van 7 augustus 2008 hebben [eiseres] en [gedaagde] aan de makelaar van [betrokkene] c.s. bericht dat zij de voor de woning benodigde financiering niet rond kregen. Bij deze brief hebben [eiseres] en [gedaagde] twee afwijzingsbrieven van kredietverstrekkers gevoegd.

2.5. Bij brief van 13 augustus 2008 heeft de advocaat van [betrokkene] c.s. aan [eiseres] en [gedaagde] bericht dat [betrokkene] c.s. van mening waren dat geen sprake was van een rechtsgeldig beroep op het in de koopovereenkomst opgenomen financieringsvoorbehoud. [betrokkene] c.s. hebben [eiseres] en [gedaagde] gesommeerd tot nakoming van hun verplichtingen voortvloeiende uit de koopovereenkomst.

2.6. [eiseres] en [gedaagde] hebben de woning niet afgenomen.

2.7. [betrokkene] c.s. hebben [eiseres] en [gedaagde], ieder in een afzonderlijke procedure, in rechte betrokken. [betrokkene] c.s. hebben in verband hiermee conservatoir beslag doen leggen op de aan [eiseres] toebehorende woning aan de [adres] 69 te Rhenen.

2.8. Bij afzonderlijke vonnissen van 4 augustus 2010 heeft de rechtbank te Utrecht [eiseres] en [gedaagde] - ieder afzonderlijk - onder meer veroordeeld tot betaling aan [betrokkene] c.s. van een bedrag van € 53.500,00 (de contractuele boete), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 december 2009 en de proceskosten aan de zijde van [betrokkene] c.s., begroot op € 5.055,11.

2.9. De rechtbank te Utrecht heeft in de vonnissen overwogen dat wanneer [gedaagde] betaalt aan [betrokkene] c.s., [eiseres] tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd en vice versa.

2.10. In het tegen [eiseres] gewezen vonnis van de rechtbank te Utrecht d.d. 4 augustus 2010 zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

“2.3 In de koopovereenkomst (hierna: de overeenkomst), die door [betrokkene] c.s., [eiseres] en [gedaagde] op 23 juli 2008 is ondertekend, is onder meer het volgende bepaald:

“(…) Artikel 13

1. Deze overeenkomst zal, mits met inachtneming van het navolgende, ontbonden (kunnen) worden zonder vergoeding en/of compensatie van schade of kosten één der partijen in elk van de volgende gevallen:

a. (…)

b. als koper niet vóór 11 augustus 2008 een toezegging heeft verkregen voor het aangaan van één of meer geldleningen ter financiering van het bij deze gekochte tot een totale hoofdsom van ten minste € 320.000,- (zegge: drie honderd twintig duizend euro) onder de bij de grote geldverstrekkende instellingen gebruikelijke voorwaarden en bepalingen (…). Koper zal ter verkrijging van de financiering, al het hem mogelijke verrichten en kan op deze ontbindende voorwaarde alleen een beroep doen door aan verkoper tenminste twee schriftelijke afwijzingen te overleggen. (…)

Indien sprake is van 1 of meer kopers, dienen deze kopers alle, redelijkerwijs mogelijke, inspanningen te verrichten om - op eventueel beider cq. alle inkomens - de benodigde financiering te verkrijgen. Tevens zal koper de indien benodigde volledige overwaarde van de huidige woning De horst 69 te Achterberg gemeente Rhenen benutten om de financiering te verkrijgen.

2. Op vervulling van een in lid 1 gemelde voorwaarde kan slechts koper zich beroepen. Dit beroep moet geschieden door middel van een schriftelijke mededeling aan de in artikel 1 genoemde notaris. Deze mededeling dient uiterlijk op de dag na de voor de betreffende voorwaarde in lid 1 genoemde datum in het bezit te zijn van de notaris en goed onderbouwd te zijn met bewijsmaterialen. (…)”

2.4 Bij brief van 7 augustus 2008 hebben [eiseres] en [gedaagde] de heer W. [makelaar], de verkopend makelaar, als volgt bericht:

“Tot onze spijt moeten wij u mededelen dat wij de financiering niet rond krijgen. Dit heeft te maken met een openstaande kredietrekening die onverwachts op tafel kwam. Daarnaast is het bedrijf nog te kort bezig en is er een grote achterstand in de betalingen die helaas niet zonder maatregelen worden betaald. Bijgaand bij deze brief zitten de afwijzingen voor de hypotheek.”

2.5 De inhoud van de bij de brief van 7 augustus 2008 gevoegde afwijzingsbrief van de Rabobank aan [eiseres] en [gedaagde] van 4 augustus 2008 luidt als volgt:

“Langs deze weg delen wij u mee dat wij de gevraagde financiering ad. € 299.500,00 niet kunnen verstrekken op basis van de door u gewenste uitgangspunten.

U heeft aangegeven de financiering alleen op het inkomen van mevrouw H. [eiseres] te willen baseren. De financiering is op basis hiervan door onze bank goedgekeurd met als voorwaarde dat de consumptieve financiering van de heer H. [gedaagde] wordt afgelost. In ons telefoongesprek heeft u aangegeven dit niet te kunnen/willen realiseren.

Voor de gevraagde financiering zijn wij ervan uitgegaan dat mevrouw H. [eiseres] enig eigenaar van de woning wordt en dat u beiden debiteur wordt. Tijdens het gesprek met [...] is gebleken dat er meerdere inkomensbestanddelen zijn op naam van u beiden. De mogelijkheden voor het verstrekken van de gevraagde financiering zijn op basis van deze gegevens niet nader onderzocht. Uiteraard zijn wij bereid om ook deze mogelijkheden voor u te onderzoeken.”

2.6 De inhoud van de bij de brief van 7 augustus 2008 gevoegde afwijzingsbrief van assurantie- en financieringskantoor A. Hommersom B.V. (hierna: Hommersom) aan [gedaagde] van 4 augustus 2008 luidt als volgt:

“Helaas moeten wij u meedelen dat wij voor de woning aan de [adres] te [woonplaats] voor u geen passende financiering hebben kunnen vinden. Wij zenden u hierbij de in ons bezit zijden stukken retour. (…)”

(…)

4.4 Ter beoordeling ligt allereerst voor of [eiseres] en [gedaagde] een rechtsgeldig beroep op het financieringsvoorbehoud hebben gedaan. Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 13 sub b van de overeenkomst betreffende kort gezegd de inspanningsverplichting van [eiseres] en [gedaagde] om de benodigde financiering te verkrijgen alsmede de verplichting om een beroep op de ontbindende voorwaarde goed te documenteren.

4.5 De rechtbank is met [betrokkene] c.s. van oordeel dat de brief van de Rabobank van 4 augustus 2008 niet de vereiste afwijzing in zich draagt. Uit de inhoud van deze brief, zoals aangehaald onder 2.5., blijkt dat [eiseres] en [gedaagde] hun financieringsaanvraag uitsluitend op het inkomen van [eiseres] hebben gebaseerd. De Rabobank heeft zich op basis daarvan bereid verklaard een financiering ad EUR 299.500,00 te verstrekken onder de voorwaarde dat de consumptieve financiering van [gedaagde] zou worden afgelost. [eiseres] en [gedaagde] hebben te kennen gegeven dit niet te kunnen/willen realiseren. De Rabobank heeft voorts aangegeven dat, nu haar gebleken is dat er meerdere inkomensbestanddelen op naam van [eiseres] en [gedaagde] zijn, zij bereid is de mogelijkheden voor het verstrekken van de gevraagde financiering op basis daarvan nader te onderzoeken. Uit het vorenstaande volgt dat [eiseres] en [gedaagde] in strijd met de contractuele afspraken hun aanvraag bij de Rabobank niet op beider cq. alle inkomens hebben gebaseerd en dat zij zich bovendien niet ten volle hebben ingespannen om een toezegging te verkrijgen voor het aangaan van één of meer leningen ter financiering van een bedrag van ten minste EUR 320.000,00. De Rabobank heeft immers aangeboden aan de hand van door [eiseres] en [gedaagde] te verstrekken nadere financiële gegevens de mogelijkheden verder te onderzoeken. Hier zijn [eiseres] en [gedaagde] niet op ingegaan. (…) Reeds om deze reden is het door [eiseres] en [gedaagde] gedane beroep op het financieringsvoorbehoud niet rechtsgeldig.

4.6 Overigens is de rechtbank van oordeel dat ook de brief van Hommersom van 4 augustus 2008 niet de vereiste afwijzing in zich draagt. Uit de summiere inhoud van deze brief, zoals weergegeven onder 2.6, is namelijk niet op te maken dat [eiseres] en [gedaagde] na het doen van een financieringsaanvraag gebaseerd op hun beider cq. alle inkomens geen toezegging hebben verkregen voor het aangaan van één of meer leningen ter financiering van een bedrag van ten minste EUR 320.000,00. Daaraan doet niet af hetgeen nadien door Hommersom schriftelijk is toegelicht. Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het beroep op het financieringsvoorbehoud komt het immers aan op de inhoud van de afwijzingsbrieven, zoals deze bij het inroepen van de ontbindende voorwaarde zijn overgelegd.

4.7 De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de overeenkomst door [eiseres] en [gedaagde] niet rechtsgeldig is ontbonden. (…)”

2.11. Aan [betrokkene] c.s. is inmiddels een bedrag van € 43.031,46 voldaan. Van dit bedrag is € 33.031,46 voldaan door [eiseres]. [gedaagde] heeft € 10.000,00 voldaan middels beslaglegging (onder derden) door [betrokkene] c.s.

2.12. [betrokkene] c.s. hebben aan [eiseres], maar uitdrukkelijk niet aan [gedaagde], het

restantbedrag van de vordering kwijt gescholden.

2.13. [eiseres] heeft in het kader van het geschil tussen haarzelf en [gedaagde] enerzijds en [betrokkene] c.s. anderzijds kosten moeten maken.

2.14. Op 9 mei 2012 heeft de advocaat van [eiseres] een brief gezonden aan [gedaagde]. Hierin staat, voor zover van belang:

“(…) Aangezien cliënte en u de verplichten uit de koopovereenkomst niet zijn nagekomen, bent u beiden in een afzonderlijke procedure door [betrokkene] in rechte betrokken en vervolgens door de Rechtbank Utrecht bij twee afzonderlijke vonnissen gewezen op 4 augustus 2010 ieder afzonderlijk veroordeeld tot betaling aan [betrokkene] van een bedrag van €. 53.500,= met de wettelijke rente over dit bedrag van 16 december 2009 tot de voldoening alsmede bent u ieder afzonderlijk veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van €. 5.055,11.

Cliënte heeft in totaal aan [betrokkene] voldaan een bedrag van €. 33.031,46. Daarnaast heeft cliënte zich genoodzaakt gezien (veel) kosten te moeten maken, welke direct verband houden met het gerezen geschil tussen cliënte en u enerzijds en [betrokkene] anderzijds, te weten een bedrag van €. 20.794,24 in totaal. Cliënte heeft in totaal aldus een bedrag van €. 53.825,70 uitgegeven terzake het geschil met [betrokkene]. (…)

Gezien het vorengaande verzoek ik u hiermee en - voor zover nodig - sommeer ik u hiermee thans voormeld bedrag ad €. 53.825,70 binnen 10 dagen na heden over te maken naar mijn derdengeldrekening onder bankrekeningnummer 68.15.02.045 (ING Bank) ten name van de Stichting Derdengelden Heerenstaete Advocaten, onder vermelding van dossiernummer [000] en de zaaknaam [eiseres] - [gedaagde], bij gebreke waarvan ik u reeds nu voor alsdan - voor zover nog vereist - uitdrukkelijk in gebreke stel. (…)”

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen:

- primair tot betaling aan haar van een bedrag van € 55.610,70 (bestaande uit een hoofdsom van € 53.825,70 en € 1.785,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 mei 2012,

- subsidiair tot betaling aan haar van een bedrag van € 39.094,97, (bestaande uit een hoofdsom van € 37.309,97 en € 1.785,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 mei 2012,

- primair en subsidiair tot vergoeding van de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

3.2. De primaire vordering van [eiseres] is gegrond op een onrechtmatige daad dan wel wanprestatie aan de zijde van [gedaagde]. [eiseres] stelt dat zij onjuist is voorgelicht door [gedaagde], zowel voorafgaand aan het tekenen van de koopovereenkomst als in de fase rondom het inroepen van het financieringsvoorbehoud. [eiseres] stelt door het handelen van [gedaagde] € 53.825,70 aan schade te hebben geleden (het aan [betrokkene] c.s. betaalde bedrag ad € 33.031,46, vermeerderd met door haar gemaakte kosten ad € 20.794,24) en vordert dit bedrag van [gedaagde].

3.3. De subsidiaire vordering van [eiseres] betreft een regresvordering op [gedaagde]. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij en [gedaagde] gelet op de vonnissen van de rechtbank te Utrecht ieder voor een gelijk deel (de helft) waren verbonden jegens [betrokkene] c.s. [eiseres] stelt, gelet op het feit dat zij een hoger bedrag heeft voldaan aan [betrokkene] c.s. en bovendien kosten heeft moeten maken, in de interne verhouding met [gedaagde] recht te hebben op een bedrag van € 37.309,97, bestaande uit de helft van het door haar aan [betrokkene] c.s. betaalde bedrag van € 33.031,46, te weten € 16.515,73, vermeerderd met de door haar in dit kader gemaakte kosten ad € 20.794,24.

3.4. [gedaagde] voert verweer.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Onrechtmatige daad / wanprestatie

4.1. [eiseres] heeft haar primaire vordering gegrond op een onrechtmatige daad dan wel wanprestatie aan de zijde van [gedaagde]. Nu niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van een uit een contractuele relatie tussen partijen voortvloeiende verbintenis, zal de rechtbank voorbij gaan aan de vordering uit hoofde van wanprestatie en zal zij (eerst) beoordelen of sprake is van een door [gedaagde] jegens [eiseres] begane onrechtmatige daad.

4.2. De verwijten die [eiseres] [gedaagde] in dit verband maakt, vallen uiteen in twee onderdelen. In de eerste plaats stelt [eiseres] dat zij onjuist is voorgelicht door [gedaagde] over zijn financiële positie. [eiseres] stelt dat zij weliswaar wist van het feit dat [gedaagde] in de schuldsanering had gezeten, maar dat zij gelet op uitlatingen van [gedaagde] in de veronderstelling verkeerde dat zij samen met [gedaagde] een - tevens op zijn naam gestelde - hypotheek voor de woning zou kunnen krijgen. Zij stelt in dit kader dat [gedaagde] haar verteld zou hebben dat hij inmiddels schuldenvrij was en dat hij een driejarig contract had, zodat sprake was van vast inkomen. Ook zou [gedaagde] haar verteld hebben dat hij een spaarrekening had. [eiseres] stelt op basis van deze uitlatingen haar woning te koop te hebben gezet en de koopovereenkomst met [betrokkene] c.s. te hebben getekend, iets wat zij niet gedaan zou hebben als zij geweten had hoe de financiële situatie van [gedaagde] werkelijk was. [eiseres] stelt dat [gedaagde] haar ook na de ondertekening van de koopovereenkomst nog heeft voorgelogen. [gedaagde] zou, nadat [eiseres] in het kader van de financieringsaanvraag door de bank was gebeld met de mededeling dat er sprake was van een krediet op naam van [gedaagde], hebben aangegeven dat er niets aan de hand was en dat hij dit zou oplossen. [eiseres] stelt voorts op een later moment verstopt in een boekenkast in haar woning een bankafschrift van [gedaagde] te hebben gevonden, waaruit bleek dat hij - in tegenstelling tot hetgeen hij eerder had verklaard - schulden had.

Het tweede gedeelte van het verwijt dat [eiseres] [gedaagde] maakt, heeft betrekking op de inroeping van het in de koopovereenkomst met [betrokkene] c.s. opgenomen financieringsvoorbehoud. [eiseres] stelt dat het inroepen van het financieringsvoorbehoud is gebeurd nadat bleek dat [gedaagde] gelet op zijn financiële positie geen hypotheek op zijn naam kon verkrijgen en een hypotheek enkel op haar naam ook niet mogelijk was. Zij stelt nimmer van [gedaagde] vernomen te hebben dat [betrokkene] c.s. het beroep op het financieringsvoorbehoud niet accepteerden. [gedaagde] is volgens [eiseres] door de makelaar van [betrokkene] c.s. gebeld met de mededeling dat de door [eiseres] en [gedaagde] in dit kader overgelegde afwijzingsbrieven niet voldeden, maar heeft dit niet aan [eiseres] doorgegeven. Een door [betrokkene] c.s. gezonden brief met dezelfde inhoud is volgens [eiseres] door [gedaagde] uit haar brievenbus ontvreemd. [eiseres] stelt dat zij, wanneer zij van [gedaagde] zou hebben vernomen dat de door hen ingeroepen ontbinding van de koopovereenkomst niet werd geaccepteerd door [betrokkene] c.s., zou hebben geprobeerd de periode dat het financieringsvoorbehoud ingeroepen kon worden te verlengen.

[eiseres] stelt dat zij als gevolg van het handelen van [gedaagde] schade heeft geleden, bestaande uit de, naar aanleiding van de uit de door [betrokkene] c.s. aangespannen procedure gevolgde veroordeling, door haar aan [betrokkene] c.s. betaalde gelden en de in het kader van die procedure gemaakte kosten. Zij vordert dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot vergoeding van deze schade aan haar.

4.3. [gedaagde] betwist dat hij [eiseres] onjuist heeft voorgelicht over zijn financiële positie. Hij werpt op dat [eiseres], die hem op het moment van de aankoop van de woning al zes jaar kende, wist van het feit dat hij in de schuldsanering had gezeten en dus had kunnen weten dat hij geen spaargeld had. Het is volgens [gedaagde] steeds duidelijk geweest dat er geen hypotheek op zijn naam afgesloten zou kunnen worden, ook voor [eiseres]. [gedaagde] betwist bankafschriften verstopt te hebben voor [eiseres].

[gedaagde] voert aan dat het financieringsvoorbehoud uiteindelijk is ingeroepen omdat [eiseres], na overleg met haar ouders, van de aankoop van de woning af wilde. [gedaagde] betwist informatie achtergehouden te hebben voor [eiseres] over het feit dat [betrokkene] c.s. de door partijen ingeroepen ontbinding van de koopovereenkomst niet accepteerden en stelt zich op het standpunt dat [eiseres] een eigen verantwoordelijkheid had en er zelf voor had moeten zorgen dat het financieringsvoorbehoud op de juiste wijze werd ingeroepen.

4.4. De vraag die voorligt is of sprake is van een door [gedaagde] jegens [eiseres] gepleegde toerekenbare onrechtmatige daad op grond waarvan [gedaagde] gehouden is de door [eiseres] als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden.

4.5. De rechtbank constateert dat [eiseres] op het moment van het ondertekenen van de koopovereenkomst wist dat [gedaagde] eerder in de schuldsanering had gezeten. Zij had derhalve vraagtekens kunnen en moeten zetten bij zijn financiële positie, zelfs wanneer het inderdaad zo is dat [gedaagde] deze te rooskleurig aan haar heeft voorgespiegeld. Daar komt nog bij dat [eiseres], na het sluiten van de koopovereenkomst, is gebeld door de bank met de mededeling dat er een probleem was met de financieringsaanvraag omdat er sprake zou zijn van een krediet op naam van [gedaagde]. Ook door deze mededeling had [eiseres] op haar hoede kunnen en moeten zijn.

De rechtbank constateert voorts dat de door [eiseres] gevorderde schade voortvloeit uit het veroordelend vonnis van de rechtbank te Utrecht en de in dat kader gemaakte kosten. Uit de hiervoor onder 2.10 aangehaalde passages van het vonnis van de rechtbank te Utrecht blijkt dat het feit dat [eiseres] en [gedaagde] zijn veroordeeld tot betaling van, onder meer, de contractuele boete, het gevolg is geweest van het op onjuiste wijze inroepen van het financieringsvoorbehoud door [eiseres] en [gedaagde]. [eiseres] had in dat kader evenwel, los van de vraag wat de reden van het inroepen van het financieringsvoorbehoud is geweest, een eigen verantwoordelijkheid. [eiseres] heeft de koopovereenkomst met [betrokkene] c.s. ondertekend en zich daarmee, net als [gedaagde] overigens, verbonden aan alle daarin opgenomen bepalingen. [eiseres] had er dus (ook) zelf zorg voor moeten dragen dat de twee afwijzingsbrieven welke bij de op 7 augustus 2008 aan de makelaar van [betrokkene] c.s. gezonden brief zijn gevoegd (r.o. 2.4), voldeden aan de daaraan in de koopovereenkomst gestelde eisen. Dat [gedaagde] mogelijk informatie van [betrokkene] c.s. heeft achtergehouden over het niet accepteren van het ingeroepen financieringsvoorbehoud, hetgeen hij betwist, maakt dit niet anders. Er was immers reeds een (zoals achteraf is gebleken) niet rechtsgeldig beroep op het financieringsvoorbehoud gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat het feit dat [eiseres], zoals zij stelt, verlenging van de termijn voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud had willen vragen, enig resultaat zou hebben gehad.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van in het kader van een onrechtmatige daad vereist onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiseres] en evenmin van uit dit handelen voor [eiseres] voortvloeiende (en derhalve daarmee in causaal verband staande) schade. De primaire grondslag van de vordering van [eiseres] wordt derhalve verworpen.

Regres

4.6. De subsidiaire vordering van [eiseres] betreft een regresvordering. [eiseres] stelt dat zij en [gedaagde] gelet op de vonnissen van de rechtbank te Utrecht ieder voor een gelijk deel (de helft) waren verbonden jegens [betrokkene] c.s. [eiseres] stelt dat zij een bedrag van € 33.031,46 heeft voldaan aan [betrokkene] c.s. en bovendien in dit kader voor € 20.794,24 aan kosten heeft moeten maken, terwijl [gedaagde] aan [betrokkene] c.s. slechts een bedrag van € 10.000,00 heeft voldaan. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij in de interne verhouding met [gedaagde] recht heeft op de helft van het door haar betaalde bedrag, te weten € 16.515,73, vermeerderd met de door haar gemaakte kosten ad € 20.794,24.

4.7. [gedaagde] betwist dat uit de vonnissen van de rechtbank Utrecht voortvloeit dat hij en [eiseres] ieder voor een gelijk deel, dus voor de helft, verbonden zijn jegens [betrokkene] c.s. Hij stelt zich op het standpunt dat [eiseres], door op grond van persoonlijke overwegingen - na overleg met haar ouders - het financieringsvoorbehoud in te roepen uiteindelijk schade heeft veroorzaakt, die [gedaagde], mede op grond van de redelijkheid en billijkheid, niet toe te rekenen is. Daar komt volgens [gedaagde] nog bij dat de stelling dat beiden voor een gelijk deel aansprakelijk zijn, uitgaat van een onjuiste permisse, te weten dat [eiseres] en [gedaagde] ook ieder voor de helft zouden bijdragen aan de door hen gekochte woning. Gelet op het vele hogere inkomen van [eiseres], was dit volgens [gedaagde] niet het geval. [gedaagde] betwist tenslotte gehouden te zijn door [eiseres] in het kader van de procedure jegens [betrokkene] c.s. gemaakte kosten te vergoeden, nu hij zelf ook kosten heeft moeten in de door [betrokkene] c.s. jegens hem aangespannen procedure.

4.8. Zowel [eiseres] als [gedaagde] zijn - ieder afzonderlijk - door de rechtbank te Utrecht bij vonnis van 4 augustus 2010 veroordeeld tot betaling aan [betrokkene] c.s. van een bedrag van € 53.500,00 (de contractuele boete), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 december 2009 en de proceskosten aan de zijde van [betrokkene] c.s., begroot op € 5.055,11. De rechtbank te Utrecht heeft in de vonnissen overwogen dat wanneer [gedaagde] betaalt aan [betrokkene] c.s., [eiseres] tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd en vice versa. Er is derhalve sprake van een hoofdelijke veroordeling.

4.9. Op grond van het bepaalde in artikel 6:102 lid 1 BW wordt de schade, voor de bepaling van hetgeen [eiseres] en [gedaagde] krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, tenzij uit de wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit.

4.10. Op grond van de hoofdregel zijn [eiseres] en [gedaagde] in beginsel ieder voor een gelijk deel, dus voor de helft, verbonden jegens [betrokkene] c.s. (artikel 6:6 BW) Gelet op het bepaalde in artikel 6:102 j° 6:101 BW kan onder omstandigheden aanleiding bestaan de vergoedingsplicht op andere wijze te verdelen, namelijk in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval echter geen aanleiding om tot een andere verdeling van de vergoedingsplicht te komen. De voor [eiseres] en [gedaagde] ontstane schade vloeit (blijkens het vonnis van de rechtbank te Utrecht in de zaak tegen [eiseres], dat volgens partijen inhoudelijk gelijk is aan dat in de zaak tegen [gedaagde]) voort uit een op onjuiste wijze inroepen van het financieringsvoorbehoud. Hiervoor zijn [eiseres] en [gedaagde] in gelijke mate verantwoordelijk omdat zij, zoals reeds eerder overwogen, samen de koopovereenkomst met daarin opgenomen de bepalingen voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud, hebben ondertekend en zij dus beiden (in gelijke mate) zorg hadden moeten dragen voor het feit dat deze bepalingen bij het inroepen van het financieringsvoorbehoud op juiste wijze werden nageleefd. Waarom het financieringsvoorbehoud werd ingeroepen en in welke mate partijen zouden bijdragen in de kosten van de woning, doet naar het oordeel van de rechtbank in dit kader niet ter zake. Gelet op de omstandigheden van het geval, bestaat evenmin aanleiding om een billijkheidscorrectie toe te passen.

4.11. Op grond van het bepaalde in artikel 6:10 lid 1 BW zijn hoofdelijk schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat hen in hun onderlinge verhoudingen aangaat, verplicht overeenkomstig de overige leden van artikel 6:10 BW in de schuld en in de kosten bij te dragen. Artikel 6:10 lid 2 BW bepaalt dat de verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, op iedere medeschuldenaar komt te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat. Uit artikel 6:10 lid 3 BW volgt ten slotte dat iedere medeschuldenaar naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat, moet bijdragen in door een hoofdelijk schuldenaar in redelijkheid gemaakte kosten, tenzij de kosten slechts de schuldenaar persoonlijk treffen.

4.12. Nu [eiseres] en [gedaagde] beiden gehouden waren de helft, dus 50 %, van de totale vordering van [betrokkene] te voldoen, kan [eiseres] [gedaagde] aanspreken voor het gedeelte dat zij boven de 50 % van de totale vordering heeft voldaan. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat aan [betrokkene] c.s. in totaal een bedrag van € 59.081,31 voldaan moest worden, waarvan zij € 33.031,46 heeft voldaan. Gelet op het bepaalde in artikel 6:10 lid 2 BW heeft [eiseres] hierdoor een vordering op [gedaagde] van € 33.031,46 - € 29.540,66 (1/2 x € 59.081,31) = € 3.490,80 verkregen. Dit gedeelte van haar vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed. Dat [betrokkene] c.s. aan [eiseres] het overige gedeelte van de vordering hebben kwijtgescholden, maakt bovenstaande niet anders, nu expliciet is overwogen dat deze kwijtschelding niet geldt ten aanzien van [gedaagde], zodat [betrokkene] c.s. jegens hem het restant van hun vordering nog te gelden kunnen maken.

4.13. Ten aanzien van de door [eiseres] gevorderde kosten overweegt de rechtbank als volgt. [eiseres] stelt in totaal een bedrag van € 20.794,24 aan kosten te hebben gemaakt. Zij heeft ter onderbouwing hiervan een zevental bescheiden in het geding gebracht. Gelet op het bepaalde in 6:10 lid 3 BW zou het kunnen zijn dat [gedaagde] naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat, moet bijdragen in door [eiseres] in redelijkheid gemaakte kosten. Dit is blijkens dit artikel evenwel niet het geval als de kosten slechts de schuldenaar persoonlijk treffen.

Het grootste gedeelte van de gevorderde kosten, te weten de kosten waarnaar wordt verwezen in de door [eiseres] in het geding gebrachte bescheiden met nummer 2, 3, 4, 5, 6 en 7, ziet op door [eiseres] gemaakte kosten in het kader van de door [betrokkene] c.s. jegens haar aangespannen procedure. Te weten door [eiseres] gemaakte advocatenkosten (onder 2, 3 en 4), kosten voor de betekening van het vonnis van [betrokkene] c.s. (onder 5), kosten in verband met het door [betrokkene] c.s. (enkel) onder [eiseres] gelegde beslag (onder 6) en kosten van het met spoed en derhalve met verlies verkopen van een auto om de advocaten- en beslagkosten te kunnen voldoen (onder 7). Dat [betrokkene] c.s. ervoor gekozen hebben [eiseres] en [gedaagde] afzonderlijk in rechte aan te spreken, waardoor [eiseres] en [gedaagde] in dit kader afzonderlijk kosten hebben moeten maken, kan [gedaagde] niet worden aangerekend. De door [eiseres] gevorderde en hiervoor genoemde kosten betreffen slechts [eiseres] als schuldenaar persoonlijk. Er bestaat derhalve geen verplichting voor [gedaagde] om naar evenredigheid bij te dragen in deze kosten. Een dergelijke verplichting bestaat voor [gedaagde] evenmin waar het de onder 1 gevorderde kosten van het te koop zetten van de eigen woning van [eiseres] betreft. Deze kosten komen in het kader van de regresvordering niet voor vergoeding in aanmerking. De vordering van [eiseres] tot vergoeding van door haar gemaakte kosten wordt derhalve afgewezen.

4.14. Gelet op het voorgaande zal van de vordering van [eiseres] een gedeelte van € 3.490,80 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 mei 2012. [gedaagde] verkeert, gelet op de in r.o. 2.14 aangehaalde brief van 9 mei 2012 en de daarin genoemde termijn van 10 dagen, vanaf dat moment immers in verzuim.

4.15. [eiseres] heeft vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Zij heeft echter niet gesteld en aannemelijk gemaakt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal derhalve worden afgewezen.

4.16. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten worden aan de zijde van [eiseres] begroot op:

- dagvaarding € 98,97

- griffierecht 821,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.707,97

4.17. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 3.490,80 (drieduizend vierhonderd negentig euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 20 mei 2012 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.707,97, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.