Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0410

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
235206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident.

Vordering in de hoofdzaak ziet op zakelijke rechten op onroerende zaken in Duitsland in de zin van art. 22 aanhef en onder 1 van de EEX-Verordening. Rechtbank verklaart zich onbevoegd omdat de Duitse rechter in deze zaak bij uitstek bevoegd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/235206 / HA ZA 12-735

Vonnis in incident van 16 januari 2013

in de zaak van

[verweerder in het incident]

eiser in de hoofdzaak

verweerder in het incident

advocaat mr. J. de Haan te Grave

tegen

[eisers in het incident]

eisers in het incident

advocaat mr. J.R.O. Dantuma te Zevenaar

Eiser in de hoofdzaak/verweerder in het incident wordt [verweerder in het incident] genoemd, gedaagden in de hoofdzaak/eisers in het incident worden gezamenlijk [eisers in het incident] genoemd en afzonderlijk [eiser sub 1 in het incident], [eiser sub 2 in het incident] en [eiser sub 3 in het incident].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de incidentele conclusie tot het inroepen van de exceptie van onbevoegdheid van de rechtbank;

- de conclusie van antwoord in het incident;

- de akte uitlating van de zijde van [verweerder in het incident].

1.2. De akte uitlating van de zijde van [verweerder in het incident] heeft betrekking op de betaling van vast recht. Vastgesteld wordt dat het vast recht tijdig is betaald.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. [verweerder in het incident] heeft in de hoofdzaak het volgende gesteld. [eisers in het incident] hebben bij verschillende overeenkomsten geld geleend aan [verweerder in het incident] en de besloten vennootschap Bart Fernhout Holding B.V. (waarvan [verweerder in het incident] directeur groot aandeelhouder is). Deze geldleningen werden voor onbepaalde tijd verstrekt ten behoeve van het renoveren en vervolgens exploiteren van het Schloss Krugsdorf in Duitsland. Bovendien hebben [eisers in het incident] zich via een Nederlandse bank garant gesteld voor een lening die is verstrekt door de Deutsche Bank aan de rechtspersoon naar Duits recht Schloss Krugsdorf A.G.. Thans worden in Duitsland procedures aanhangig gemaakt aangaande de invordering van gelden, hoewel volgens [verweerder in het incident] op grond van de overeenkomsten van geldlening Nederlands recht van toepassing is en de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van geschillen die uit de overeenkomsten voortvloeien. [verweerder in het incident] heeft als productie een brief van 18 januari 2012 in het geding gebracht, afkomstig van Rechtsanwalt F.B. Heinzel als behartiger van de belangen van [eiser sub 1 in het incident]. In deze brief wordt meegedeeld dat voor de leningen die [eiser sub 1 in het incident] aan [verweerder in het incident] heeft verstrekt Buchgrundschulden zijn verleend en worden drie nader aangeduide Buchgrundschulden ter zake van onroerende zaken op het grondgebied van de gemeente Krugsdorf alsook de overeenkomsten van geldlening opgezegd. Voorts wordt in deze brief aanspraak gemaakt op betaling van de bedragen van de leningen die aan de Buchgrundschulden ten grondslag liggen, uiterlijk 18 april 2012, en wordt aangekondigd dat bij gebreke van tijdige betaling de Buchgrundschulden te gelde zullen worden gemaakt door middel van gedwongen openbare verkoop. Een brief van gelijke strekking is gestuurd namens [eiser sub 3 in het incident].

2.2. [verweerder in het incident] heeft in de hoofdzaak gevorderd, verkort weergegeven, dat de rechtbank [eisers in het incident] verbiedt in Duitsland aangevangen executieactiviteiten te vervolgen, alvorens overeenkomstig het Nederlandse recht is beslist dat zij gerechtigd zijn de overeenkomsten van geldlening te beëindigen en de verstrekte garanties terug te vorderen, en voorts dat de rechtbank [eisers in het incident] veroordeelt tot vergoeding van schade die [verweerder in het incident] lijdt als gevolg van de aangevangen executie, op te maken bij staat, met veroordeling van [eisers in het incident] in de proceskosten.

2.3. [eisers in het incident] hebben als eisers in het incident gevorderd (verkort weergegeven) dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van de vordering kennis te nemen, met veroordeling van [verweerder in het incident] in de proceskosten. Zij hebben het volgende aan deze incidentele vordering ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 22 aanhef en sub 1 van de verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG L 12, verder EEX-verordening, is de Duitse rechter bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van een vordering zoals door [verweerder in het incident] ingesteld. Die vordering betreft immers een zuiver executiegeschil over een zakelijk recht op onroerende zaken in Duitsland. Bovendien is de Duitse rechter op grond van artikel 22 aanhef en sub 5 van de EEX-verordening bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van geschillen over de tenuitvoerlegging van door de Duitse rechter te nemen beslissingen daarover. Forumkeuze in de overeenkomsten van geldlening maakt dat niet anders, omdat de in artikel 22 EEX-verordening neergelegde bevoegdheid dwingend en exclusief is. Daarom heeft de Nederlandse rechter volgens [eisers in het incident] in het onderhavige geschil geen rechtsmacht.

2.4. [verweerder in het incident] heeft tegen deze incidentele vordering het volgende verweer gevoerd. De Buchgrundschulden zijn als accessoire rechten verbonden aan de overeenkomsten van geldlening. Ter discussie staat de vraag of de in Duitsland aangevangen executie in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten van geldlening en uit de omstandigheden van het geval, waaronder de familieverhoudingen tussen partijen. Deze vraag moet worden beantwoord naar Nederlands recht omdat dit op de overeenkomsten van geldlening van toepassing is. Het is daarom volgens [verweerder in het incident] niet van belang dat de Duitse rechter bevoegd zou zijn om te oordelen of de executiemaatregelen inhoudelijk op grond van de Duitse wetgeving op formeel correcte wijze worden uitgevoerd.

2.5. De vordering in de hoofdzaak ziet op schorsing van de uitwinning van Buchgrundschulden ter zake van onroerende zaken op het grondgebied van de gemeente Krugsdorf in Duitsland. Deze vordering betreft dus zakelijke rechten op onroerende goederen in Duitsland in de zin van artikel 22 aanhef en sub 1 EEX-verordening. Op grond van dat artikel is de Duitse rechter daarom bij uitsluiting bevoegd van die vordering kennis te nemen. Bij de beoordeling van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter is niet van belang welk recht van toepassing is op de overeenkomsten van geldlening waarmee deze Grundschulden verband houden, en dus ook niet wat de juridische aard van dat verband is. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren kennis te nemen van het onderhavige geschil.

2.6. [verweerder in het incident] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten van het incident. Hij zal ook in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu hij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

3.2. veroordeelt [verweerder in het incident] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers in het incident] tot op heden begroot op € 452,-,

in de hoofdzaak

3.3. veroordeelt [verweerder in het incident] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers in het incident] tot op heden begroot op € 267,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.

coll.: CLB