Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBONE:2013:BY9992

Instantie
Rechtbank Oost-Nederland
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
05/700994-12 + 05/703553-10 (vord tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zware mishandeling en mishandeling van twee medepatiënten in psychiatrisch behandelcentrum. Verwerping beroep op noodweer. Omdat verdachte nog gedurende lange tijd zal zijn opgenomen in een gesloten afdeling van een psychiatrisch centrum, legt de rechtbank een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op. Ook wordt de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf afgewezen. Naast verplichte behandeling van zijn agressieproblematiek, moet verdachte een werkstraf verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-NEDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummers : 05/700994-12, 05/703553-10 (TUL) (gev. ttz.)

Datum zitting : 16 januari 2013

Datum uitspraak : 30 januari 2013

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland

tegen

naam : [naam verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats]

adres : [adres verdachte]

plaats : [woonplaats]

thans verblijvende op GGz-afdeling Aurora, Pro Persona te Nijmegen.

raadsman : mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 27 april 2012 te Nijmegen aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (botbreuk jukbeen en/of botbreuk (onder)kaak), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal (hard) in het gezicht en/of tegen het hoofd te stompen en/of meermalen, althans eenmaal in het gezicht en/of tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 27 april 2012 te Nijmegen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), meermalen, althans eenmaal (hard) in het gezicht en/of tegen het hoofd te stompen en/of meermalen, althans eenmaal in het gezicht en/of tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 18 juni 2012 te Nijmegen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), meermalen, althans eenmaal (met gebalde vuist) op het (achter)hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een vordering na voorwaardelijke veroordeling (parketnummer 05/703553-10) betreffende de voorwaardelijke veroordeling door de meervoudige strafkamer in het arrondissement Arnhem op 13 april 2011.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 16 januari 2013 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat te Nijmegen.

Ter terechtzitting zijn de zaken van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland, onder bovenstaande parketnummers bij afzonderlijke dagvaardingen aanhangig gemaakt, gevoegd.

De officier van justitie, mr. E. Schippers, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 27 april 2012 in Nijmegen [slachtoffer 1] vier keer hard met de vuist in het gezicht geslagen.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde.

De verklaring van verdachte dat hij vier keer hard met de vuist gestompt heeft, komt overeen met het letsel van [slachtoffer 1], alsmede met de aangifte van [naam 1] en de verklaringen van de verzorgers die [slachtoffer 1] hebben aangetroffen. Verdachte heeft in voorwaardelijke zin opzet gehad op het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1], bestaande uit een gebroken jukbeen en een gebroken onderkaak.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit, nu niet kan worden bewezen dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het dossier bevat twee geneeskundige verklaringen met betrekking tot het letsel van [slachtoffer 1]. Deze verklaringen bevatten discrepanties en roepen in onderling verband gezien vragen op over het letsel van [slachtoffer 1], onder andere over het al dan niet bestaan van de breuken. Er bestaan twijfels over het letsel van [slachtoffer 1], waardoor verdachte vanwege het ontbreken van ter zake overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken.

Subsidiair dient naar het oordeel van de verdediging eveneens vrijspraak te volgen, omdat een gebroken kaak en jukbeen niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Niet kan worden gesteld dat een kaakbreuk altijd tot zwaar lichamelijk letsel leidt. Bovendien heeft verdachte geen opzet gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op zwaar lichamelijk letsel aan de zijde van [slachtoffer 1].

Beoordeling door de rechtbank

Getuige [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte de rokersruimte binnen kwam lopen en dat verdachte erg boos, woedend, was. De getuige verklaarde te weten dat hij één keer geslagen is en vervolgens buiten bewustzijn is geraakt. Toen hij bijkwam, had [slachtoffer 1] pijn in zijn kaak.3

Getuige [naam 1], unitmanager bij psychiatrisch behandelcentrum Aurora, heeft verklaard dat hij verdachte luid hoorde schreeuwen en hem uit de rokersruimte zag komen. De getuige verklaarde dat hij zag dat verdachte met zijn rechterhand stond te schudden/zwaaien. Voorts verklaarde [naam 1] dat hij naar de rokersruimte riep, waar hij [slachtoffer 1] op de grond zag liggen. [naam 1] dacht dat [slachtoffer 1] dood was; hij zag dat hij niet meer bewoog. [slachtoffer 1] lag in een plas bloed, had verwondingen aan zijn gezicht en er kwam bloed uit zijn mond, aldus deze getuige. De getuige verklaarde voorts dat verdachte na het incident over pijn in zijn hand klaagde. Ten slotte verklaarde hij dat op het moment van de mishandeling alleen [slachtoffer 1] en verdachte in de rokersruimte waren.4

[slachtoffer 1] heeft een botbreuk aan zijn rechter jukbeen, een botbreuk aan zijn rechter onderkaak en een hersenschudding opgelopen.5 De verdediging heeft gewezen op de tweede geneeskundige verklaring, gedateerd 25 mei 2012, waarin van de genoemde breuken niet blijkt. Voorts heeft de verdediging gewezen op andere discrepanties ten opzichte van de door de rechtbank tot uitgangspunt genomen geneeskundige verklaring. De rechtbank verwerpt het verweer dat er twijfels zijn over het letsel van [slachtoffer 1], nu het niet ondenkbaar is dat botbreuken niet direct bij de eerste hulp werden ontdekt, maar pas bij nader medisch onderzoek. dat wordt nog eens bevestigd door de verklaring van de getuige [naam 1] in zijn aangifte, gedateerd 11 mei 2012, dat later - dan op de pleegdatum, 27 april 2012 - bleek dat [slachtoffer 1] een gebroken jukbeen/oogkas en een op meerdere plaatsen gebroken kaak had.6

Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat genoemd letsel, een gebroken onderkaak, een gebroken jukbeen/oogkas en een hersenschudding, mede ook gelet op het bewustzijnsverlies van [slachtoffer 1], naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel is te beschouwen.

Ten aanzien van de opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank dat het gezicht van iemand bij uitstek een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel is. Verdachte heeft ter zitting bovendien verklaard dat hij hard en meermaals in het gezicht heeft geslagen en dat zijn vuist als gevolg daarvan was opgezwollen.7 Uit de aard van de gedragingen van verdachte - het met kracht meermaals in het gezicht stompen - leidt de rechtbank de opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel af. De rechtbank verwerpt de door de verdediging gevoerde bewijsverweren derhalve.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft op 18 juni 2012 in Nijmegen [slachtoffer 2] vier tot vijf keer een klap op zijn hoofd gegeven.8

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 2.

De twee trappen die [slachtoffer 2] heeft uitgedeeld, waren reeds in het kader van zijn verdediging, aangezien verdachte aanstalten maakte en naar voren stapte. Verdachte sloeg daarbij door, terwijl [slachtoffer 2] zich al in verdedigingshouding bevond.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 geen opmerkingen gemaakt.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte veel stennis maakte over het blowen van aangever in de tuin. [slachtoffer 2] liep naar de keuken, waarop verdachte de keuken vanaf de andere kant binnen kwam en tegen aangever begon te schreeuwen en te schelden[naam 2]etuige [naam 2] heeft verklaard dat hij hoorde dat verdachte en [slachtoffer 2] spraken over drugsgebruik.10 Aangever verklaarde ook dat verdachte hem duwde. [slachtoffer 2] zag verdachte vanuit de keuken boos op hem af komen stormen en - bang dat verdachte verpleegkundige [naam 2], die met zijn rug naar verdachte stond, wat aan zou doen - heeft [slachtoffer 2] twee maal om [naam 2] heen getrapt om verdachte te raken, zodat hij stopte met aanvallen, aldus aangever. Hij verklaarde voorts dat verdachte [naam 2] aan de kant beukte en dat verdachte met gebalde vuist op hem, [slachtoffer 2], afkwam.

Getuige [naam 2] heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] aanvloog.11 Aangever verklaarde dat hij om zichzelf te beschermen zijn hoofd met zijn arm beschermde en naar beneden keek, met de rug naar verdachte toe.12 Voornoemde getuige verklaarde dat [slachtoffer 2] zijn rug naar verdachte keerde en zijn hoofd probeerde te beschermen met zijn armen en handen. Hij verklaarde ook dat verdachte vol uithaalde en met veel kracht sloeg naar het hoofd van [slachtoffer 2], die hij ook raakte.13 [slachtoffer 2] voelde meerdere, echte harde, vuistslagen op zijn achterhoofd, hetgeen heel veel pijn deed, aldus aangever. Hij verklaarde ten slotte dat hij er zwellingen op zijn achterhoofd, hoofdpijn, een suizend rechteroor en mogelijk een hersenschudding aan heeft overgehouden.14 Aangever heeft een bult op het achterhoofd opgelopen en paracetamol en een wekadvies voorgeschreven gekregen.15

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 27 april 2012 te Nijmegen aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (botbreuk jukbeen en botbreuk onderkaak), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, hard in het gezicht te stompen;

2.

hij op 18 juni 2012 te Nijmegen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), meermalen, met gebalde vuist op het achterhoofd heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Mishandeling

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat aan verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde een beroep op noodweer toekomt, nu verdachte bij het binnenkomen van de rokersruimte direct werd geslagen door [slachtoffer 1]. Hierop gaf verdachte ter zelfverdediging - want hij kan geen kant op - een aantal vuistslagen richting het hoofd van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] viel met zijn hoofd tegen de tafel aan, waarop verdachte zich uit zijn benarde positie kon bevrijden. Vanaf het eerste moment na het incident heeft verdachte te kennen gegeven dat hij door [slachtoffer 1] werd aangevallen en dat hij zichzelf heeft verdedigd. De handelingen van verdachte, geboden ter noodzakelijke verdediging van zijn lichamelijke integriteit, voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

Er is geen sprake geweest van noodweer, aldus de officier van justitie. Er was immers geen sprake van een noodzakelijke verdediging, die zodanig was dat deze moest leiden tot vier keer in gezicht stompen en de genoemde breuken bij [slachtoffer 1].

Beoordeling door de rechtbank

Alleen verdachte en [slachtoffer 1] zijn bij de vechtpartij aanwezig geweest en beiden verklaren dat de ander is begonnen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 1] met deuren aan het smijten was en constant tegen mensen aanliep. Hij had volgens verdachte drugs gebruikt en daarom was het niet prettig om hem te zien. Door het drugsgebruik zou [slachtoffer 1] hem zo maar hebben geslagen.16 De rechtbank acht deze verklaring van verdachte niet geloofwaardig, nu geen van de getuigen melding maakt van dit gedrag van [slachtoffer 1], gedrag dat de rust op de afdeling zou hebben verstoord en dus door de getuigen (groepsleiding) zou moeten zijn opgemerkt.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte woedend op hem was omdat hij whisky had gedronken en hem daarom aanviel.17 Gelet op de verklaring van verdachte over zijn psychische toestand ten tijde van het plegen van de feiten en zijn reactie op het gebruik van drugs en alcohol op de afdeling, acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] geloofwaardig. Verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat het ten tijde van het plegen van de feiten slecht met hem ging. Hij nam zijn medicatie niet in en was daardoor af en toe psychotisch. Hij had moeite met het drugsgebruik op de afdeling. Hij vond het al lastig genoeg om in de GZZ vanwege een ziekte te zijn opgenomen en hij wilde niet ook nog eens met drugsgebruik geconfronteerd worden.18 Voorts vond de onder 2 tenlastegelegde mishandeling ook plaats naar aanleiding van drugsgebruik door het latere slachtoffer en is die zaak in hoge mate vergelijkbaar: ook daar begon verdachte ogenschijnlijk uit het niets te slaan. Daarom acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte is aangevallen door [slachtoffer 1] en verwerpt zij het beroep op noodweer.

Niet is gebleken van overige feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sancties

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1, primair, en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege het feit dat verdachte reeds twee keer voor een geweldsdelict is veroordeeld en het letsel van met name [slachtoffer 1] fors te noemen is. Een onvoorwaardelijk gevangenisstraf is in dat geval passend, maar behandeling van verdachte is eveneens noodzakelijk. De officier van justitie houdt in zijn strafeis rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, aangezien verdachte overduidelijk beperkingen in zijn geestesgesteldheid heeft. Verdachte heeft niet willen meewerken aan het onderzoek ter zake, zodat de officier van justitie de mate van ontoerekeningsvatbaarheid in het midden laat.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging wijst op de verklaring van de psychiater van verdachte, waaruit blijkt dat verblijf in de gevangenis zijn herstel zou kunnen belemmeren en mogelijk zijn toestand zou kunnen doen verslechteren. Gevangenisstraf is om die reden niet geïndiceerd en niet gewenst. Verdachte heeft behoefte aan veel duidelijkheid en structuur, waardoor verblijf elders dan bij Aurora onwenselijk is. Uit de brief van de psychiater blijkt dat het er naar uitziet dat wederom verlenging van de rechterlijke machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis wordt aangevraagd.

Verdachte kan zich vinden in de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en is inmiddels voor een intakegesprek bij Kairos geweest, waar met een individueel voorbereidingstraject wordt gestart in de aanloop naar de agressietraining. Verdachte staat thans in verband met huisvesting op de wachtlijst van Pluryn. Detentie zou de plaatsing van verdachte op deze wachtlijst kunnen doorkruisen, zo heeft de raadsman betoogd.

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht om bij strafoplegging gezien het bovenstaande af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Indien de rechtbank toch tot oplegging van gevangenisstraf wil overgaan, heeft de raadsman verzocht dit slechts voor de duur van het voorarrest te doen. De raadsman heeft een taakstraf bepleit, bij voorkeur met een groot voorwaardelijk deel, aangezien de huisarts en de psychiater hebben aangegeven dat voor verdere behandeling het erg belangrijk is dat verdachte zo spoedig mogelijk weer arbeid gaat verrichten. Een taakstraf past in die ontwikkeling.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

* het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 29 juni 2012; en

* een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, d.d. 8 november 2012, betreffende verdachte; en

* een psychologisch onderzoeksrapport van drs. T.W. van de Kant, GZ-psycholoog, gedateerd 1 november 2012, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat hij op de gesloten afdeling van psychiatrisch behandelcentrum Aurora op 27 april 2012 [slachtoffer 1] zwaar heeft mishandeld en daar op 18 juni 2012 [slachtoffer 2] heeft mishandeld. Verdachte heeft zich ten opzichte van zijn slachtoffers zeer agressief gedragen door hen met zijn vuisten hard in het gezicht dan wel op het achterhoofd te slaan. Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft aan de zware mishandeling een gebroken jukbeen, gebroken onderkaak en hersenschudding overgehouden. Bovendien is [slachtoffer 1] naar aanleiding van de vuistslagen het bewustzijn verloren en werd hij liggend met zijn hoofd in een plas bloed aangetroffen. Mede gelet op de gevolgen van de beide mishandelingen, is sprake van ernstige feiten.

Uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt voorts dat verdachte reeds eerder ter zake van mishandeling is veroordeeld en bovendien de bewezenverklaarde feiten heeft begaan terwijl hij nog in een proeftijd liep.

De rechtbank heeft kennis genomen van de verschillende rapportages en adviezen die ten aanzien van verdachte zijn opgesteld. Ten eerste merkt de rechtbank op dat verdachte op grond van een rechterlijke machtiging tot 28 juni 2013 is opgenomen op de gesloten afdeling van psychiatrisch behandelcentrum Aurora en dat verlenging van deze machtiging voor de duur van één jaar zal worden aangevraagd. Hierdoor wordt de vrijheid van verdachte voor de duur van bijna anderhalf jaar aanmerkelijk ingeperkt en krijgt hij normaal gesproken bij verruiming van zijn vrijheden begeleiding. Met de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een langere duur dan door verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, het belang van verdachte niet dient. Continuering van de behandeling van verdachte bij psychiatrisch behandelcentrum Aurora is, mede gelet op de adviezen van zijn behandelaars, naar het oordeel van de rechtbank van groot belang voor verdachte en daarmee juist ook voor de samenleving, omdat op deze wijze de kans op recidive het kleinst is. Detentie zou deze behandeling enkel kunnen doorkruisen, hetgeen door de rechtbank onwenselijk wordt geacht.

De aard en ernst van de feiten in aanmerking genomen, is de rechtbank echter van oordeel dat een deels voorwaardelijke werkstraf, als voorgesteld door de raadsman van verdachte, onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. Om die reden legt de rechtbank aan verdachte een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf op, waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden, waaronder een meldingsgebod gedurende de proeftijd van drie jaren en een verplichte behandeling bij Kairos of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling. Hier dient verdachte zich te laten behandelen voor zijn psychische problematiek, waaronder zijn agressieprobleem.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak een gevangenis- en werkstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

6a. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling voor toewijzing vatbaar is en verzoekt de rechtbank de vordering toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling afgewezen dient te worden, aangezien verblijf in de gevangenis het herstel van verdachte zou kunnen belemmeren en mogelijk zijn toestand zou kunnen doen verslechteren. Tenuitvoerlegging van de 21 dagen voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf is om die reden niet geïndiceerd en niet gewenst.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de onwenselijkheid van detentie voor verdachte de vordering na voorwaardelijke veroordeling afwijzen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden en 3 (drie) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 2 (twee) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende (bijzondere) voorwaarden niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; en

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren onder behandeling zal stellen van de forensisch psychiatrische polikliniek Kairos of soortgelijke ambulante forensische zorg op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychische problematiek; en

5. zich gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren bij de reclassering, Stieltjesstraat 1 te Nijmegen zal melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht,

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

B. het verrichten van een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 2 (twee) maanden.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling:

Wijst af de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de meervoudige strafkamer te Arnhem op 13 april 2011, onder parketnummer 05/703553-10.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.H. van Laethem (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. L.C.P. Goossens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Klaasen, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2013.19

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Zuid, district Stad Nijmegen, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL081N 2012066118, gesloten op 4 juli 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 januari 2013.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], p. 18.

4 Proces-verbaal van aangifte [naam 1], p. 10.

5 Schriftelijk bescheid, te weten geneeskundige verklaring van SEH-arts M.P. Vroegop d.d. 4 juli 2012.

6 Proces-verbaal van aangifte [naam 1], p. 10.

7 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2013.

8 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2013.

9 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], p. 14.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige P. [naam 2], p. 27.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige P. [naam 2], p. 28.

12 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], p. 15.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige P. [naam 2], p. 28.

14 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], p. 15.

15 Schriftelijk bescheid, te weten geneeskundige verklaring d.d. 3 juli 2012.

16 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 januari 2013..

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1], p. 18.

18 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 januari 2013.